Home Schepen Torpedobootjagers Japanse Torpedobootjager Urakaze: Kagerō-klasse oorlogsschip

Japanse Torpedobootjager Urakaze: Kagerō-klasse oorlogsschip

Imperial Japanese Navy destroyer Yukikaze van de Kagerō-klasse in december 1939, gezien kort na de indienststelling.
De Japanse torpedobootjager Yukikaze, een Kagerō-klasse schip, vastgelegd in december 1939 kort na de tewaterlating.

Urakaze (浦風) was een torpedobootjager van de Kagerō-klasse van de Japanse Keizerlijke Marine. Het schip werd op 11 april 1939 op stapel gezet bij de Fujinagata-scheepswerf in Osaka, te water gelaten op 10 april 1940 en op 15 december van dat jaar in dienst gesteld. Samen met Isokaze, Hamakaze en Tanikaze maakte Urakaze deel uit van Destroyer Division 17. Het schip werd tijdens de Tweede Wereldoorlog ingezet bij de aanval op Pearl Harbor, de Slag bij Midway, de Guadalcanalcampagne en de Slag in de Golf van Leyte. Op 21 november 1944 zonk Urakaze in de Taiwanstraat na een torpedering door USS Sealion. Alle opvarenden kwamen daarbij om.

Ontwerp en constructie

De Kagerō-klasse was ontworpen als opvolger van de Asashio-klasse en moest voldoen aan de eisen van oceaanbrede oorlogsvoering. De Japanse marine wilde torpedobootjagers die snel en zwaar bewapend waren en tegelijk een groot bereik hadden. Deze combinatie maakte de schepen geschikt om zowel grote oorlogsschepen te escorteren als zelfstandig torpedoaanvallen uit te voeren. De romp was langer en stabieler dan die van de voorgangers, wat de zeewaardigheid verbeterde en de inzetbaarheid in de Stille Oceaan vergrootte.

Urakaze had een lengte van 118,5 meter over alles en 116,2 meter op de waterlijn, een breedte van 10,8 meter en een diepgang van 3,76 meter. De standaard waterverplaatsing bedroeg 2.065 ton en volledig beladen circa 2.529 ton. De voortstuwing werd geleverd door twee Kampon-geared stoomturbines die elk een schroefas aandreven, gevoed door drie Kampon-waterpijpketels. Dit systeem leverde samen 52.000 pk, goed voor een maximumsnelheid van 35 knopen. Het bereik bedroeg 5.000 zeemijlen bij een snelheid van 18 knopen, wat langdurige operaties mogelijk maakte.

De bemanning telde circa 240 officieren en manschappen. De leefruimtes waren krap maar functioneel ingericht en boden plaats aan de verschillende divisies van het schip. De beperkte accommodatie was typerend voor Japanse torpedobootjagers uit deze periode. Er werd prioriteit gegeven aan wapens, munitie en machine-installaties boven comfort. Dit maakte de schepen efficiënt voor hun taak, maar langdurige operaties waren fysiek zwaar voor de bemanning.

Bewapening

Urakaze was uitgerust met zes 127 mm Type 3-kanonnen in drie dubbeltorens. Twee torens waren in superpositie op het achterschip geplaatst en één bevond zich voor de brug. Deze kanonnen werden vooral gebruikt voor oppervlaktegevechten, hoewel ze ook beperkt inzetbaar waren tegen luchtdoelen. Voor luchtafweer beschikte Urakaze bij indienststelling over vier 25 mm Type 96-kanonnen in twee dubbele opstellingen. Naarmate de oorlog vorderde werd dit aantal uitgebreid, maar het bleek onvoldoende tegen massale luchtaanvallen.

De torpedobewapening was het krachtigste wapen van Urakaze. Het schip had acht 610 mm Type 92-lanceerbuizen in twee viervoudige opstellingen, met herlaadmunitie voor elk wapen. De buizen vuurden de zuurstofgevoede Type 93-torpedo, internationaal bekend als de Long Lance. Deze torpedo had een groot bereik en een hoge snelheid, waardoor Japanse torpedobootjagers in nachtgevechten een tactisch voordeel hadden. Voor onderzeebootbestrijding waren dieptebommen aanwezig, die via rails en werpers konden worden ingezet.

Bepantsering

De Kagerō-klasse was niet uitgerust met pantsergordels of zware bepantsering. De bescherming was beperkt tot lichte splinterplaten rond de commandobrug en de geschutsopstellingen. Dit betekende dat de schepen afhankelijk waren van hun snelheid en manoeuvreerbaarheid om vijandelijk vuur te ontwijken. In vergelijking met grotere oorlogsschepen was het overlevingsvermogen bij directe treffers gering. De nadruk lag duidelijk op aanvalscapaciteit en mobiliteit in plaats van passieve verdediging.

Sensoren en dataverwerking

Urakaze werd in 1943 uitgerust met Type 22 radar, die werd gebruikt voor oppervlaktesurveillance en vuurleiding. Dit systeem maakte het mogelijk vijandelijke schepen op middellange afstand te detecteren en het richten van artillerie te ondersteunen, al was de nauwkeurigheid beperkt. In 1944 volgde de installatie van Type 13 radar, geschikt voor het detecteren van luchtdoelen op grotere afstand. Deze radar diende als vroegtijdig waarschuwingsmiddel bij vijandelijke luchtaanvallen.

Voor onderzeebootbestrijding beschikte het schip over standaard Japanse hydrofoons en sonarapparatuur. Deze systemen waren minder nauwkeurig dan geallieerde tegenhangers en hadden een beperkter bereik. Japanse marineschepen waren bovendien niet uitgerust met een Combat Information Center (CIC). Hierdoor werd informatie van radar, sonar en observatieposten niet centraal verwerkt en moesten commandanten beslissingen nemen op basis van gefragmenteerde gegevens.

Dit gebrek aan centrale dataverwerking betekende dat bevelhebbers minder overzicht hadden en trager konden reageren op tactische veranderingen. Geallieerde marines ontwikkelden in dezelfde periode moderne commandocentra en flexibele tactieken, terwijl Japan vasthield aan traditionele methoden zoals nachtelijke torpedoaanvallen. Vanaf 1943 leidde dit tot een groeiende technologische en tactische achterstand. Het ontbreken van een CIC en het gebruik van minder nauwkeurige sensoren droegen bij aan verliezen in grote zeeslagen zoals Midway en de Slag in de Golf van Leyte.

Modificaties

Urakaze werd tijdens de oorlog meerdere keren aangepast. Bij een dokbeurt in Kure eind 1943 werd de achterste geschutstoren verwijderd om plaats te maken voor extra luchtafweer. Het aantal 25 mm Type 96-kanonnen werd vergroot en deels in drievoudige opstellingen geplaatst. Ook werden extra dieptebommen toegevoegd, om beter te kunnen reageren op de toenemende dreiging van Amerikaanse onderzeeboten.

Daarnaast werden in 1943 en 1944 de radarsystemen geïnstalleerd. De toevoeging van Type 22 en Type 13 radar maakte het schip moderner, maar de prestaties bleven achter bij geallieerde apparatuur. Deze modificaties weerspiegelden de verschuiving van de Japanse marine naar defensieve maatregelen, onder druk van de groeiende luchtoverwicht en de dreiging van onderzeeboten.

Status schip tijdens de oorlog

Tijdens de oorlog onderging Urakaze regelmatig onderhoud en reparaties. Het schip liep meerdere keren lichte schade op door luchtaanvallen, maar keerde steeds terug in actieve dienst. Reparaties werden uitgevoerd in Japanse arsenalen zoals Kure en in vooruitgeschoven bases zoals Truk. De belangrijkste wijziging was de aanpassing van de bewapening en de toevoeging van radar. Ondanks deze verbeteringen bleef de luchtafweer ontoereikend en waren de sensoren verouderd in vergelijking met geallieerde schepen.

Het onderhoud was zwaar belastend, omdat Japanse scheepswerven tegen 1943 steeds vaker werden getroffen door luchtaanvallen en een tekort aan grondstoffen en reserveonderdelen hadden. Hierdoor konden schepen als Urakaze niet altijd optimaal worden uitgerust. De algemene staat van het schip bleef voldoende voor inzet, maar de technologische kloof met de geallieerden werd steeds groter.

Operationele geschiedenis

Vroege inzet 1941–1942

Urakaze werd in november 1941 ingezet bij de aanval op Pearl Harbor. Het schip escorteerde de vliegdekschepen van de Kido Butai tijdens de overtocht naar Hawaï en keerde na de aanval terug zonder schade. In de daaropvolgende maanden escorteerde Urakaze vliegdekschepen bij luchtaanvallen op Wake, Rabaul en Port Darwin. Het schip werd ook ingezet tijdens de operaties in de Javazee. Begin maart 1942 nam Urakaze samen met de zware kruiser Chikuma deel aan het tot zinken brengen van de Nederlandse vrachtvaarder Enggano. Kort daarna voerde het schip een kustbombardement uit op Christmas Island. In april 1942 begeleidde Urakaze de vloot tijdens de Indian Ocean Raid en keerde daarna terug naar Japan voor onderhoud.

Slag bij Midway en noordelijke operaties

In juni 1942 escorteerde Urakaze vliegdekschepen tijdens de Slag bij Midway. Tijdens dit gevecht verloor de Japanse marine vier vliegdekschepen, maar Urakaze bleef ongedeerd. Kort daarna begeleidde het schip de vliegdekschip Zuikaku van Kure naar Ominato en voerde patrouilles uit in de noordelijke wateren. Deze operaties maakten deel uit van de dekking van de Aleoeten-campagne, maar Urakaze kwam daarbij niet direct in gevecht.

Guadalcanalcampagne

Met de start van de gevechten rond Guadalcanal in augustus 1942 werd Urakaze ingezet voor troepentransporten, de zogenoemde Tokyo Express. Het schip nam deel aan bevoorradingsoperaties en escorteerde konvooien naar de Salomonseilanden. Op 25 augustus liep Urakaze lichte schade op door luchtaanvallen bij de invasie van Milne Bay, waarbij één bemanningslid omkwam en drie gewond raakten. In oktober 1942 escorteerde het schip vliegdekschepen tijdens de Slag bij de Santa Cruz-eilanden. Later in het jaar werd Urakaze ingezet bij bevoorrading met drijvende oliedrums, die bij nachtoperaties naar Guadalcanal werden gebracht.

Latere operaties 1943

In februari 1943 nam Urakaze deel aan de evacuatie van Japanse troepen van Guadalcanal. Daarna werd het schip vooral ingezet als escorte voor transporten tussen bases in de Pacific. In november 1943 liep Urakaze lichte schade op tijdens een luchtaanval op Rabaul. Bij reparaties in Kure werd de achterste geschutstoren verwijderd en vervangen door extra luchtafweer. Vanaf dit moment lag de nadruk steeds meer op defensieve taken.

Operaties 1944 en Slag in de Filipijnenzee

In juni 1944 escorteerde Urakaze vliegdekschepen tijdens de Slag in de Filipijnenzee. Tijdens dit gevecht redde het schip overlevenden van de tot zinken gebrachte vliegdekschepen Shōkaku en Hayanami en voerde dieptebomaanvallen uit op de onderzeeboot USS Cavalla. Hoewel Urakaze de onderzeeboot niet vernietigde, wist het schip deze wel te beschadigen. In de zomer en herfst van 1944 werd Urakaze ingezet voor troepentransporten naar Okinawa en escorteerde het slagschepen naar bases in Lingga en Brunei.

Slag in de Golf van Leyte

Op 22 oktober 1944 vertrok Urakaze met de centrale strijdmacht van admiraal Kurita richting de Filipijnen. Tijdens de Slag in de Golf van Leyte overleefde het schip meerdere luchtaanvallen met slechts lichte schade. Op 25 oktober nam Urakaze deel aan de confrontatie met Taffy 3, een groep Amerikaanse escorteschepen. Het schip lanceerde torpedo’s en beschietingen, waarbij het samen met andere Japanse eenheden de zwaar beschadigde torpedobootjager USS Johnston tot zinken bracht. Ondanks de aanvankelijke successen trok de Japanse vloot zich terug. Urakaze keerde met de overlevende schepen terug naar Brunei.

Laatste missie en ondergang

Na de gevechten in de Filipijnen werd de Japanse vloot teruggeroepen naar Japan. Op 21 november 1944 voer Urakaze in de Taiwanstraat toen de Amerikaanse onderzeeboot USS Sealion een aanval uitvoerde. Meerdere torpedo’s troffen het slagschip Kongō, waarna een andere torpedo Urakaze raakte. Het schip explodeerde en zonk onmiddellijk met de gehele bemanning, waaronder de commandant van Destroyer Division 17, kapitein Tamotsu Tanii. Er waren geen overlevenden.

Conclusie

Urakaze was een voorbeeld van de sterke Japanse torpedobootjagerontwerpen uit het begin van de oorlog. Het schip combineerde snelheid, bereik en krachtige torpedobewapening, maar kampte met tekortkomingen in luchtafweer en sensortechnologie. Vanaf 1943 werd duidelijk dat het ontbreken van een Combat Information Center en het gebruik van minder nauwkeurige radar en sonar het schip verouderd maakten naar de militaire normen van die tijd. Hoewel Urakaze actief was in vrijwel alle grote zeeslagen in de Stille Oceaan, symboliseerde het verlies in 1944 de afnemende slagkracht van de Japanse marine.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Shizuo Fukui, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Jentschura, Hansgeorg; Jung, Dieter; Mickel, Peter (1977). Warships of the Imperial Japanese Navy, 1869–1945. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-893-X.
  3. Chesneau, Roger (1980). Conway’s All the World’s Fighting Ships, 1922–1946. London: Conway Maritime Press. ISBN 0-85177-146-7.
  4. Dull, Paul (1978). A Battle History of the Imperial Japanese Navy, 1941–1945. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-097-1.
  5. Peattie, Mark; Evans, David (1997). Kaigun: Strategy, Tactics, and Technology in the Imperial Japanese Navy, 1887–1941. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-192-7.
  6. Morison, Samuel Eliot (1951–1962). History of United States Naval Operations in World War II, Vol. 3–13. Boston: Little, Brown and Company. ISBN 978-0-316-58305-6.
  7. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946