
Haruna was een Japans oorlogsschip van de Kongō-klasse dat in 1915 in dienst kwam als slagkruiser en na twee grote moderniseringen als snel slagschip werd ingezet. Het schip nam deel aan grote operaties als Midway, Guadalcanal en Leyte, maar gold vanaf 1943 als verouderd door beperkte radarprestaties, het ontbreken van een Combat Information Center en een ouder basisontwerp.
Ontwerp en constructie
Haruna behoorde tot de Kongō-klasse, een reeks van vier grote oorlogsschepen op basis van een ontwerp van de Britse ingenieur George Thurston. De klasse was eerst bedoeld als slagkruiser, met nadruk op snelheid en zware artillerie. Voor Japan was Haruna ook van belang als industrieel project, omdat de romp volledig in eigen land werd gebouwd bij Kawasaki in Kōbe. De kiel werd gelegd op 16 maart 1912, de tewaterlating volgde op 14 december 1913 en de indienststelling op 19 april 1915.
In oorspronkelijke vorm was Haruna ruim 214 meter lang, beschikte zij over vier schroefassen en haalde zij meer dan 27 knopen. Na de moderniseringen groeide het schip uit tot ruim 222 meter lang, ongeveer 31 meter breed en meer dan 36.000 ton bij volle belading. De voortstuwing werd vernieuwd en de snelheid steeg tot boven 30 knopen. Daardoor kon Haruna in de jaren dertig opereren met Japanse vliegdekschepen, hoewel de kern van het ontwerp bleef teruggaan op de periode vóór de Eerste Wereldoorlog.
Bewapening
De hoofdartillerie van Haruna bestond uit acht 356 mm-kanonnen in vier tweelingtorens. Deze konden pantserdoorborende en brisantgranaten afvuren en bereikten na modernisering een maximumafstand van ongeveer 35,4 kilometer. De praktische vuursnelheid lag rond twee schoten per minuut per loop. De voorraad bedroeg ongeveer negentig salvo’s per kanon. Voor kustbombardementen en nachtelijke oppervlaktestrijd bleef dit een zware bewapening, ook al nam de waarde van klassiek geschut in de Stille Oceaan af door de groeiende rol van vliegdekschepen en luchtaanvallen.
De secundaire bewapening veranderde tijdens de loopbaan. Haruna voerde aanvankelijk zestien 152 mm-kanonnen in kazematten, maar daarvan bleven er later acht over. Daarnaast beschikte het schip over twaalf 127 mm-luchtdoelkanonnen in dubbele opstellingen. De lichte luchtafweer werd in de oorlogsjaren sterk uitgebreid tot 108 Type 96 25 mm-kanonnen in drievoudige en enkele opstellingen. Haruna had oorspronkelijk ook acht 533 mm-torpedobuizen onder de waterlijn, al is de toestand daarvan in de latere oorlogsjaren niet in alle beschrijvingen gelijk weergegeven.
Bepantsering
De bescherming van Haruna werd tijdens de moderniseringen duidelijk verzwaard. De hoofdgordel bereikte uiteindelijk ongeveer 203 mm, terwijl verticale schotten en extra dekpantser werden toegevoegd. Op de best beschermde delen bedroeg het dekpantser ongeveer 114 mm. De voorzijde van de geschuttorens kwam tot circa 254 mm en de torendaken tot ongeveer 152 mm. Ook werden torpedobulges aangebracht om de weerstand tegen onderwaterontploffingen te vergroten. Toch bleef de totale bescherming lichter dan die van latere slagschepen, die vanaf het begin waren ontworpen voor zwaarder artillerievuur, luchtbommen en verbeterde onderwaterbescherming.
Sensoren en dataverwerking
In de eerste oorlogsjaren was Haruna voor doelopsporing en vuurleiding vooral aangewezen op optische middelen. Afstandsmeters, vuurleidingsoptiek, verrekijkers en waarneming vanuit floatplanes vormden de kern van het systeem. Dat werkte vooral bij goed zicht. Bij nacht, rook, regen of snelle koerswisselingen daalde de kwaliteit van de informatie. Haruna beschikte in deze fase niet over radar of sonar en was daardoor in complexe gevechtssituaties afhankelijk van visuele waarneming en de ervaring van de bemanning.
Vanaf 1943 kreeg het schip radar. De eerste installatie was de Type 21 radar voor luchtwaarschuwing, die hoge doelen onder gunstige omstandigheden op ongeveer 80 tot 100 kilometer kon ontdekken, maar met beperkte nauwkeurigheid. In 1944 volgde de Type 22 radar voor oppervlaktewaarneming, bruikbaar tegen schepen op ongeveer 35 tot 40 kilometer. Daarnaast werd een Type 13 radar geplaatst als aanvullend luchtwaarschuwingssysteem tegen hoger vliegende doelen. Deze apparaten verbeterden de detectie, maar bleven minder nauwkeurig en minder goed geïntegreerd dan geallieerde systemen uit dezelfde periode.
Er zijn geen betrouwbare aanwijzingen dat Haruna over een operationeel sonarstelsel voor onderzeebootbestrijding beschikte. Voor die taak bleef zij afhankelijk van escorteschepen. Ook ontbrak een Combat Information Center (CIC), waar radar-, waarnemings- en tactische gegevens centraal werden samengebracht. In plaats daarvan werd informatie lokaal verwerkt en via afzonderlijke commandokanalen doorgegeven. Daardoor bleef Haruna vanaf 1943 verouderd naar de militaire normen van de oorlog op zee, waarin centrale dataverwerking en snelle coördinatie een steeds grotere rol speelden.
Modificaties
Haruna onderging twee grote vooroorlogse verbouwingen. Tussen 1926 en 1928 werden ketels en turbines vernieuwd, torpedobulges aangebracht en delen van het pantser versterkt. Tussen 1933 en 1934 volgde een tweede ingreep met een nieuwe pagodamast, verdere aanpassingen aan de voortstuwing en een hogere topsnelheid. Tijdens de oorlog kwamen daar extra luchtafweer, radar en voorzieningen voor verkenningsvliegtuigen bij. Deze wijzigingen hielden het schip bruikbaar, maar zij konden de beperkingen van het oude basisontwerp niet opheffen.
Status schip tijdens de oorlog
Aan het begin van de oorlog was Haruna nog inzetbaar als snel kapitaalschip voor escortetaken, beschietingen en afscherming van vliegdekschipformaties. Vanaf 1943 nam de waarde af door de beperkte radarcapaciteit, het ontbreken van een CIC, slijtage en de steeds grotere dreiging van geallieerde luchtmacht en onderzeeboten. Het onderhoud vond plaats in Kure en Sasebo, maar in de laatste oorlogsjaren werden herstel en revisie bemoeilijkt door brandstoftekorten, materiaalschaarste en oorlogsschade. Na de schade bij Lingga kon Haruna nog slechts met beperkte snelheid opereren.
Operationele geschiedenis
Vroege inzet: 1915–1936
Na de indienststelling in april 1915 werd Haruna gebruikt voor patrouilles en vlootdienst in de Oost-Chinese Zee. Tijdens de Eerste Wereldoorlog raakte het schip niet betrokken bij een groot vlootgevecht. In september 1920 explodeerde tijdens schietoefeningen een van de hoofdgeschutlopen, waarbij zeven bemanningsleden omkwamen. De schade werd in Yokosuka hersteld en de elevatie van de kanonnen werd aangepast om het schootsbereik te vergroten. Na het Washington Naval Treaty bleef Haruna in dienst, werd zij als slagschip geclassificeerd en vervulde zij naast militaire taken ook ceremoniële opdrachten, waaronder het vervoer van de Japanse keizer bij binnenlandse bezoeken.
China en de tweede modernisering
Vanaf 1931 werd Haruna opnieuw gebruikt in de regio rond China, in samenhang met Japanse operaties in Mantsjoerije. De tweede grote verbouwing in de jaren dertig veranderde het schip ingrijpend. De superstructuur werd vernieuwd, de voortstuwing verbeterd en de snelheid opgevoerd tot meer dan 30 knopen. Hierdoor kon Haruna weer deel uitmaken van snelle eskaders. Deze fase markeerde de overgang van een oudere slagkruiser naar een snel slagschip dat nog bruikbaar was in de Japanse vlootopvatting van de jaren dertig, waarin snelheid, langeafstandsartillerie en vlootconcentratie nog steeds centraal stonden.
Eerste oorlogsfase: 1941–1942
In november 1941 vertrok Haruna uit Hashirajima als onderdeel van de strijdmacht van viceadmiraal Nobutake Kondō. Tijdens de eerste maanden van de oorlog leverde het schip dekking en artilleriesteun bij Japanse landingen in Malakka en de Filipijnen. In februari 1942 nam Haruna deel aan operaties tegen Java. Op 7 maart 1942 beschoten Japanse eenheden, waaronder Haruna, Britse installaties op Kersteiland. In deze fase van de oorlog bleef Haruna bruikbaar voor snelle verplaatsingen, dekking van landingen en druk op vijandelijke maritieme posities, zolang Japan het initiatief en het luchtoverwicht nog grotendeels behield.
Indische Oceaan en Midway
Kort na de operaties in Nederlands-Indië werd Haruna ingezet tijdens de Japanse operatie in de Indische Oceaan tegen de Britse Eastern Fleet. In deze campagne gingen onder meer HMS Dorsetshire en HMS Hermes verloren. Haruna vervulde daarbij een dekkende rol binnen een grotere Japanse strijdmacht. In juni 1942 maakte zij vervolgens deel uit van de escortemacht van viceadmiraal Chūichi Nagumo tijdens de Slag bij Midway. Haruna werd niet zwaar beschadigd, maar nam deel aan luchtafweer en werd na het verlies van vier Japanse vliegdekschepen ingezet voor het oppikken van overlevenden van onder meer Akagi en Kaga.
Guadalcanal en bewegingen in 1943
In oktober 1942 werd Haruna samen met Kongō ingezet voor het nachtelijke bombardement van Henderson Field op Guadalcanal. Beide schepen vuurden samen bijna duizend granaten af en veroorzaakten zware schade aan startbanen, brandstofvoorraden en geparkeerde vliegtuigen. Het resultaat bleef echter beperkt, omdat Amerikaanse luchtoperaties konden doorgaan vanaf een ander vliegveld. In 1943 opereerde Haruna vooral vanuit Truk, Kure en later Lingga. Een inzet ter ondersteuning van Japanse troepen op de Aleoeten kwam niet tot een beslissende uitvoering. Het jaar stond vooral in het teken van verplaatsingen, afscherming en verdere uitbreiding van de luchtafweer.
Filipijnenzee: 1944
In juni 1944 werd Haruna ingezet tijdens de Slag in de Filipijnenzee als escorte van Japanse vliegdekschepen. Op 20 juni werd het schip geraakt door twee bommen van 500 pond. De schade aan het achterdek en de waterinfiltratie in de buurt van munitieruimten maakten reparatie noodzakelijk, maar Haruna bleef behouden en keerde terug naar Kure voor herstel. De slag maakte duidelijk dat Japan moeite had om moderne lucht- en vlootoperaties nog samenhangend uit te voeren. Voor Haruna betekende dit dat zij wel aanwezig was in grote operaties, maar steeds vaker in een ondersteunende en reactieve rol.
Golf van Leyte: 1944
In oktober 1944 werd Haruna opgenomen in Operatie Shō-1 als onderdeel van de Center Force van admiraal Takeo Kurita tijdens de Slag in de Golf van Leyte. Op 25 oktober opende zij tijdens de Slag bij Samar het vuur op de Amerikaanse escortegroepen van Taffy 3. Haruna trof USS Kalinin Bay met een 356 mm-granaat en nam ook andere doelen onder vuur. De Japanse aanval liep echter vast door verliezen onder kruisers, aanhoudende luchtdreiging en onzekerheid over de tactische situatie. Haruna bleef grotendeels onbeschadigd, maar de operatie leverde geen blijvend resultaat op.
Laatste maanden: 1944–1945
Na de terugtocht uit het gebied rond Leyte liep Haruna schade op door een aanvaring met een rif bij Lingga. Daardoor werd het onderwaterschip beschadigd en daalde de maximumsnelheid. Op de terugweg naar Japan ontweek het schip torpedoaanvallen van Amerikaanse onderzeeërs en bereikte het in december 1944 Sasebo voor reparaties. In 1945 lag Haruna grotendeels bij Kure. Op 19 maart liep zij lichte schade op tijdens een luchtaanval. Op 28 juli 1945 werd het schip tijdens een nieuwe Amerikaanse aanval van vliegdekschepen door meerdere bommen getroffen en zonk het aan zijn ligplaats. Bij deze aanval kwamen 65 bemanningsleden om.
Na de oorlog
Na de Japanse capitulatie bleef Haruna op de bodem van de haven van Kure liggen. In november 1945 werd het schip officieel van de marinelijst geschrapt. In 1946 begon de berging en ontmanteling van het wrak, die later dat jaar werd voltooid. Voor zover bekend bleven geen grotere onderdelen bewaard voor museale doeleinden. Het staal en andere materialen van het schip verdwenen in de naoorlogse sloopstroom waarmee Japan een deel van de wederopbouw ondersteunde.
Conclusie
Haruna was een oorlogsschip dat door modernisering langer bruikbaar bleef dan het oorspronkelijke ontwerp liet vermoeden. De snelheid, zware artillerie en latere verbouwingen maakten inzet in de vroege oorlogsjaren mogelijk. Toch bleek vanaf 1943 dat het schip niet meer voldeed aan de technische en organisatorische eisen van de moderne zeestrijd. De afwezigheid van een Combat Information Center, het ontbreken van sonar en de beperkte kwaliteit van de radar maakten Haruna volgens de militaire normen van 1943 verouderd, ondanks haar aanhoudende inzet tot juli 1945.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: IJN, Public domain, via Wikimedia Commons
- Jackson, Robert (2000). The World’s Great Battleships. Brown Books. ISBN 1-897884-60-5.
- Stille, Mark (2008). Imperial Japanese Navy Battleships 1941–1945. Osprey Publishing. ISBN 978-1-84603-280-6.
- Willmott, H. P.; Keegan, John (2002). The Second World War in the Far East. Smithsonian Books. ISBN 1-58834-192-5.
- Lengerer, Hans; Ahlberg, Lars (2019). Capital Ships of the Imperial Japanese Navy 1868–1945: Armourclad Fusō to Kongō Class Battle Cruisers. Despot Infinitus. ISBN 978-953-8218-26-2.
- Reynolds, Clark G. (1968). The Fast Carriers: The Forging of an Air Navy. McGraw-Hill Book Company. ISBN 1-55750-701-5.
- McCurtie, Francis (1989). Jane’s Fighting Ships of World War II. Bracken Books. ISBN 1-85170-194-X.
- Boyle, David (1998). World War II in Photographs. Rebo Productions. ISBN 1-84053-089-8.
- Schom, Alan (2004). The Eagle and the Rising Sun: The Japanese-American War, 1941–1943. W. W. Norton & Company. ISBN 0-393-32628-4.
- Bennett, Geoffrey (2005). Naval Battles of the First World War. Pen & Sword Military Classics. ISBN 978-1-84415-300-8.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









