Home Schepen Slagschepen en Slagkruisers Fusō: Japans slagschip in dienst van 1915 tot 1944

Fusō: Japans slagschip in dienst van 1915 tot 1944

Imperial Japanese Navy battleship Fusō conducting post-reconstruction sea trials in 1933 after extensive modernization.
Het slagschip Fusō van de Keizerlijke Japanse Marine tijdens proefvaarten na de modernisering in 1933.

Fusō was een Japans dreadnought-slagschip dat in 1915 in dienst kwam en in 1944 verloren ging. Het schip bezat twaalf kanonnen van 356 mm en werd in de jaren dertig uitgebreid gemoderniseerd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vervulde het vooral ondersteunende en opleidende taken. Amerikaanse torpedo’s brachten Fusō op 25 oktober 1944 tot zinken in de Straat van Surigao.

Ontwerp en constructie

Fusō was het eerste schip van de Fusō-klasse en werd ontworpen voor de slaglinie van de Keizerlijke Japanse Marine. De kiellegging vond op 11 maart 1912 plaats bij het marinearsenaal van Kure, waarna de tewaterlating volgde op 28 maart 1914. Het schip kwam op 8 november 1915 in dienst. De naam Fusō, geschreven als 扶桑, was een klassieke benaming voor Japan.

In de oorspronkelijke uitvoering was Fusō 202,7 meter lang, 28,7 meter breed en had het schip een diepgang van 8,7 meter. De standaardwaterverplaatsing bedroeg 29.326 long ton en de waterverplaatsing bij volle belading 35.900 long ton. Na de verbouwingen nam de lengte toe tot 212,75 meter, de breedte tot 33,1 meter en de diepgang tot 9,69 meter. De maximale waterverplaatsing kwam toen uit op ongeveer 39.154 long ton.

De oorspronkelijke voortstuwing bestond uit twee Brown-Curtis-stoomturbines, vier schroefassen en 24 Miyahara-waterpijpketels voor kolen en stookolie. Tijdens proefvaarten werd 23 knopen gehaald, terwijl het bereik ongeveer 8.000 zeemijl bij 14 knopen bedroeg. Na de modernisering leverden vier Kampon-turbines en zes oliegestookte ketels 75.000 aspaardenkrachten. Daarmee bereikte Fusō 24,7 knopen en ongeveer 11.800 zeemijl bij 16 knopen.

Bewapening

De hoofdbewapening bestond uit twaalf 356 mm-kanonnen met een looplengte van 45 kalibers, verdeeld over zes dubbele geschuttorens. Twee torens stonden voor, twee midscheeps en twee achter, waardoor de indeling veel ruimte in de lengte innam. Na aanpassing konden de lopen tot 43 graden worden geheven. Het maximale schootsbereik nam daardoor toe tot ongeveer 35,5 kilometer.

De secundaire batterij telde aanvankelijk zestien 152 mm-kanonnen in kazematten langs de romp. Twee voorste stukken werden later verwijderd omdat ze door de grotere diepgang bij onrustige zee slecht bruikbaar waren. Vanaf de jaren dertig beschikte Fusō tevens over acht 127 mm Type 89-kanonnen in vier dubbele opstellingen voor doelen op zee en in de lucht. De zes onderwater geplaatste torpedobuizen van 533 mm verdwenen tijdens de eerste grote verbouwing.

De lichte luchtafweer werd tijdens de oorlog herhaaldelijk uitgebreid met 25 mm Type 96-kanonnen. In 1943 stonden er 37 lopen aan boord, waarna in 1944 opnieuw extra opstellingen werden aangebracht. Voor de eindconfiguratie wordt doorgaans een totaal van 96 lopen genoemd, verdeeld over 40 enkele, 16 dubbele en acht drievoudige opstellingen. De Type 96 bleef door trage richtbewegingen, kleine magazijnen en sterke trillingen beperkt bruikbaar tegen snelle vliegtuigen.

Bepantsering

De bepantsering was ontworpen voor artilleriegevechten tussen slagschepen op middelgrote afstand. De hoofdgordel langs de waterlijn was 229 tot 305 mm dik, terwijl het oorspronkelijke pantserdek 32 tot 51 mm mat. De geschuttorens hadden maximaal 279 mm frontpantser en de barbettes waren tot 305 mm beschermd. Bij de verbouwingen werd het dek plaatselijk tot 114 mm versterkt en kwam er een 76 mm dik langsschot voor betere bescherming tegen onderwaterschade.

Sensoren en dataverwerking

Fusō gebruikte aanvankelijk optische afstandsmeters en vuurleidingsposten voor de artillerie. Bij oplevering stonden instrumenten van 1,5, 3,5 en 4,5 meter op de bovenbouw en in meerdere torens. Vanaf 1923 werden 8 meter-afstandsmeters gebruikt, terwijl in 1938 een exemplaar van 10 meter boven op de pagodemast kwam. Afzonderlijke vuurleidingsposten ondersteunden de 127 mm- en 25 mm-luchtafweer.

In juli 1943 kreeg Fusō een Type 21 air-search radar boven de grote afstandsmeter. Het systeem kon ook grote oppervlaktedoelen waarnemen. In augustus 1944 volgden twee Type 22 surface-search radars op de pagodemast en twee Type 13 early-warning radars bij de schoorsteen. Fusō was het enige Japanse slagschip waarop radar aan de schoorsteen werd bevestigd. Tijdens de eerste modernisering werden Type 91-hydrofoons aangebracht; deze passieve luisterapparaten waren geen actieve sonar.

De meetgegevens werden niet verwerkt in een volwaardig Combat Information Center (CIC) of Action Information Centre (AIC). Radarwaarnemingen, optische meldingen, koersgegevens en berichten bereikten de commandovoering via afzonderlijke posten. De Japanse apparatuur was minder nauwkeurig en minder geïntegreerd dan op veel Amerikaanse oorlogsschepen. De doctrine bleef bovendien sterk steunen op optische waarneming en nachtelijke torpedoaanvallen. Vanaf midden 1942 beperkte dit het omgevingsbeeld en de reactiesnelheid; het bredere verschil werd zichtbaar bij Midway en in de Golf van Leyte.

Modificaties

De eerste modernisering vond in fasen plaats tussen 1930 en 1935. De machines werden vervangen, torpedobulten werden aangebracht, de achtersteven werd verlengd en het horizontale pantser werd versterkt. Ook ontstond de hoge pagodemast met meerdere niveaus voor waarneming en vuurleiding. Verder kreeg Fusō een vliegtuigkatapult en voorzieningen voor drie watervliegtuigen, zonder dat een hangar aanwezig was.

Een tweede moderniseringsperiode liep van 1937 tot april 1941 en omvatte aanpassingen aan de bovenbouw, vuurleiding, luchtafweer en vliegtuigvoorzieningen. Tijdens de oorlog volgden kleinere werfbeurten voor radar, extra luchtafweer en technisch onderhoud. In juli 1943 lag Fusō in Kure voor de eerste radarinstallatie en aanvullende 25 mm-kanonnen. In april 1944 werd het schip in Singapore onderhouden, waarna in de zomer van 1944 in Kure de laatste uitrusting werd aangebracht.

Status schip tijdens de oorlog

Bij het begin van de oorlog in de Stille Oceaan was Fusō zwaar bewapend, maar te langzaam voor inzet bij snelle vliegkampschipverbanden. De machine-installatie was gemoderniseerd, maar het basisontwerp stamde uit de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog. Daarom gebruikte de marine het schip meestal voor opleiding, transport, bewaking en ondersteuning op afstand. Plannen om Fusō na het verlies van vier vliegkampschepen bij Midway tot een hybride slagschip-vliegkampschip te verbouwen, werden niet uitgevoerd.

Het onderhoud bleef tot 1944 voldoende om lange verplaatsingen tussen Japan, Truk, Palau, Singapore, Lingga en Borneo mogelijk te maken. De beschikbare werfbeurten richtten zich echter vooral op het toevoegen van luchtafweer en radar, niet op een volledige herbouw van de commandovoering. De grotere bemanning, die tijdens de oorlog volgens beschikbare schattingen 1.800 tot 1.900 personen telde, moest veel afzonderlijke wapens en waarnemingsposten bedienen. Technische aanvullingen konden de beperkingen van het oude ontwerp daardoor niet geheel wegnemen.

Operationele geschiedenis

Vroege dienst en opleiding

Na de indienststelling werd Fusō in december 1915 ingedeeld bij de Eerste Divisie van de Eerste Vloot. Het slagschip kwam tijdens de Eerste Wereldoorlog niet in gevecht, omdat de strijdkrachten van de Centrale Mogendheden in Oost-Azië al waren uitgeschakeld. Fusō patrouilleerde wel voor de Chinese kust en diende in 1917 en 1918 als vlaggenschip van de divisie. In 1918 kreeg het schip vijf luchtafweerkanonnen van 76,2 mm. De bemanning bedroeg bij de oplevering 1.198 officieren en manschappen.

In september 1923 hielp Fusō bij de ondersteuning van overlevenden van de Grote Kantō-aardbeving. Gedurende de jaren twintig wisselden oefeningen voor de Chinese kust en perioden in reserve elkaar af. Tussen 1930 en 1941 lag het schip meerdere keren langdurig op de werf voor verbouwingen, met korte perioden van opleiding daartussen. Begin 1939 voer Fusō nog korte tijd in Chinese wateren, waarna de laatste vooroorlogse modernisering begon. De reizen hadden vooral een opleidings- en vlagvertoonfunctie.

Inzet in 1941 en 1942

Bij het uitbreken van de oorlog voor Japan in december 1941 behoorde Fusō tot de Tweede Slagschipdivisie van de Eerste Vloot. Samen met andere slagschepen voer de divisie richting de Bonin-eilanden als ondersteuning op grote afstand voor de aanval op Pearl Harbor. Er kwam geen gevechtscontact en het verband keerde na zes dagen terug. In februari 1942 werden in Kure de lopen van de hoofdartillerie vervangen. De operationele bijdrage bleef in deze fase beperkt.

Na de Doolittle Raid van 18 april 1942 zocht Fusō met de divisie tevergeefs naar de Amerikaanse vliegkampschepen die de aanval hadden uitgevoerd. Op 28 mei vertrok het slagschip met de Aleoeten-ondersteuningsgroep, gelijktijdig met de Japanse aanval op Midway. De vier oudere slagschepen van viceadmiraal Shirō Takasu bleven beschikbaar voor steun bij de noordelijke operatie, maar namen niet deel aan het hoofdgevecht. Fusō keerde in juni via Yokosuka terug naar Hashirajima.

Na de nederlaag bij Midway onderzocht de marine de mogelijkheid om Fusō en zusterschip Yamashiro tot hybride vliegkampschepen te verbouwen. Uiteindelijk werden Ise en Hyūga voor die verbouwing gekozen, zodat Fusō zijn bestaande inrichting behield. Van november 1942 tot januari 1943 diende het schip bij de Keizerlijke Japanse Marineacademie op Etajima als opleidingsschip. Die taak paste bij de beperkte snelheid en de geringe vraag naar oudere slagschepen in de voorste linie. De opleidingsperiode eindigde op 15 januari 1943.

Operaties in 1943 en begin 1944

Op 8 juni 1943 explodeerde het slagschip Mutsu bij Hashirajima, waarna Fusō 353 overlevenden aan boord nam. In juli volgde in Kure een werfbeurt waarbij radar en extra luchtafweer werden geplaatst. Fusō vertrok op 18 augustus met voorraden naar Truk en bereikte de basis vijf dagen later. In oktober voer het schip naar Eniwetok nadat onderschepte berichten op een Amerikaanse aanval op Wake konden wijzen, maar die inzet leidde niet tot een zeeslag. De vloot keerde 26 oktober zonder strijd terug naar Truk.

Fusō verliet Truk op 1 februari 1944 met Nagato om een verwachte Amerikaanse luchtaanval te ontwijken. Via Palau bereikten beide slagschepen Lingga, waar Fusō opnieuw als opleidingsschip werd gebruikt. Na onderhoud in Singapore voer het in mei naar Tawi-Tawi en dekte het een konvooi dat de Japanse troepen op Biak niet wist te versterken. In juli werd bij Tarakan brandstof ingenomen, waarna Fusō naar Kure terugkeerde en onderweg een aanval van de Amerikaanse onderzeeboot Pomfret ontliep.

Slag in de Golf van Leyte

Op 10 september 1944 werden Fusō en Yamashiro ingedeeld bij de Tweede Slagschipdivisie van de Tweede Vloot. Fusō werd op 23 september het vlaggenschip van viceadmiraal Shōji Nishimura, maar hij verplaatste zijn vlag later naar Yamashiro. Na aankomst bij Lingga gingen de schepen naar Brunei voor brandstof en voorbereiding op Operatie Shō-Gō. Nishimura’s Zuidelijke Strijdmacht vertrok op 22 oktober richting de Straat van Surigao om vanuit het zuiden de Amerikaanse landingsvloot bij Leyte aan te vallen.

Amerikaanse vliegdekschipvliegtuigen vielen de formatie op 24 oktober aan in de Suluzee. Een bom vernielde de katapult en beide watervliegtuigen van Fusō, terwijl een andere treffer bij de tweede geschuttoren schade en slachtoffers veroorzaakte. In de nacht voer de strijdmacht door de nauwe zeestraat, waar Amerikaanse motortorpedoboten en torpedobootjagers in opeenvolgende groepen aanvielen. Omstreeks 03.09 uur troffen meerdere torpedo’s Fusō aan stuurboord, waarna het beschadigde slagschip geleidelijk snelheid verloor en uit de formatie raakte.

Fusō zonk tussen 03.38 en 03.50 uur op 25 oktober 1944 na toenemende waterinstroom. Oudere verslagen beschreven een grote ontploffing waarbij het schip in twee delen zou zijn gebroken, maar overlevendenverklaringen en onderzoek van het wrak ondersteunen dat beeld niet. Uitstromende stookolie brandde vervolgens op het water en verkleinde de overlevingskansen. Slechts tien bemanningsleden zijn met zekerheid naar Japan teruggekeerd; het geschatte dodental bedraagt ongeveer 1.620.

Na de oorlog

Hoewel Fusō in oktober 1944 was gezonken, schrapte de Japanse marine het schip pas op 31 augustus 1945 formeel uit het scheepsregister. Het onderzoeksschip RV Petrel lokaliseerde het wrak op 25 november 2017 in de Straat van Surigao. Het ligt ondersteboven op ongeveer 185 meter diepte en is grotendeels als één geheel op de zeebodem terechtgekomen. De romp brak midscheeps bij de botsing met de bodem, terwijl de losgeraakte pagodemast op enige afstand ligt.

Conclusie

Fusō combineerde een zware hoofdbewapening met de beperkingen van een slagschipontwerp uit de periode vóór 1914. De verbouwingen leverden een groter bereik, betere bescherming, meer luchtafweer en radar op, maar de snelheid bleef te laag voor snelle vlootverbanden. Daardoor vervulde het schip tijdens een groot deel van de Tweede Wereldoorlog opleidings- en ondersteuningstaken. Pas in oktober 1944 werd het opnieuw voor een rechtstreeks gevecht met een vijandelijke vloot ingezet.

Naar de militaire normen van 1943 was Fusō verouderd doordat een volwaardig Combat Information Center (CIC) of Action Information Centre (AIC) ontbrak. De laat aangebrachte radars werkten naast optische posten en waren niet samengebracht in een centraal tactisch informatiesysteem. Daardoor konden de commandant en vuurleiding minder snel een volledig omgevingsbeeld opbouwen dan op moderne Amerikaanse oorlogsschepen. De ondergang in de Straat van Surigao vond plaats tegen een strijdmacht die radar, centrale gegevensverwerking en gecoördineerde torpedo- en artillerieaanvallen gebruikte.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Unknown, assumed official photographer as this a high-quality photo unlikely to be taken by an amateur and the IJN severely restricted professional photography of its ships after World War I., Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Campbell, N. J. M. (1985). Naval Weapons of World War Two. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-459-4.
  3. Chesneau, Roger, red. (1980). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1922–1946. London: Conway Maritime Press. ISBN 0-85177-146-7.
  4. Gardiner, Robert en Gray, Randal, red. (1985). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1906–1921. London: Conway Maritime Press. ISBN 0-85177-245-5.
  5. Jentschura, Hansgeorg, Jung, Dieter en Mickel, Peter (1977). Warships of the Imperial Japanese Navy, 1869–1945. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-893-X.
  6. Parshall, Jonathan B. en Tully, Anthony P. (2007). Shattered Sword: The Untold Story of the Battle of Midway. Washington, D.C.: Potomac Books. ISBN 978-1-57488-924-6.
  7. Preston, Antony (1972). Battleships of World War I: An Illustrated Encyclopedia of the Battleships of All Nations, 1914–1918. New York: Galahad Books. ISBN 0-88365-300-1.
  8. Rohwer, Jürgen (2005). Chronology of the War at Sea, 1939–1945: The Naval History of World War II. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 1-59114-119-2.
  9. Silverstone, Paul H. (1984). Directory of the World’s Capital Ships. New York: Hippocrene Books. ISBN 0-88254-979-0.
  10. Skulski, Janusz (1998). The Battleship Fuso. Anatomy of the Ship. London: Conway Maritime Press. ISBN 0-85177-665-5.
  11. Stille, Mark (2008). Imperial Japanese Navy Battleships 1941–45. New Vanguard 146. Oxford: Osprey Publishing. ISBN 978-1-84603-280-6.
  12. Tully, Anthony P. (2009). Battle of Surigao Strait. Bloomington, Indiana: Indiana University Press. ISBN 978-0-253-35242-2.
  13. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946
Previous articleOperation Crossroads: atoomproeven bij Bikini-atol
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in geschiedenis, militaire geschiedenis en de Tweede Wereldoorlog. Sommige redacteuren hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring, operationeel inzicht en kennis van commandostructuren mee. Andere redacteuren houden zich bezig met historisch onderzoek, educatieve content en kennisprojecten. Door deze combinatie van achtergronden ontstaan goed gedocumenteerde artikelen waarin feitelijke nauwkeurigheid, bronnenkritiek, context en analyse centraal staan. De redactie streeft naar objectieve en zorgvuldig onderbouwde publicaties die bijdragen aan een beter begrip van deze belangrijke periode in de geschiedenis.