Home Schepen Slagschepen en Slagkruisers Hyūga: Japans Ise-klasse slagschip 1918–1945

Hyūga: Japans Ise-klasse slagschip 1918–1945

Japanese hybrid battleship and aircraft carrier Hyūga during sea trials after 1943 conversion with flight deck and catapults.
Het Japanse hybride slagschip-vliegdekschip Hyūga tijdens proeftochten na de ombouw in 1943.

De Hyūga (Japans: 日向), vernoemd naar de voormalige provincie Hyūga, was het tweede en laatste slagschip van de Ise-klasse, gebouwd voor de Keizerlijke Japanse Marine (IJN) in de jaren 1910. Het schip werd op 30 april 1918 in dienst gesteld, te laat om deel te nemen aan de Eerste Wereldoorlog. In de loop van haar dienstcarrière onderging Hyūga meerdere moderniseringen, waaronder een grootschalige ombouw tot hybride slagschip-vliegdekschip in 1943. Hoewel de aanpassingen de luchtafweer en verkenningscapaciteit vergrootten, bleef het operationele nut beperkt. Hyūga nam deel aan verschillende operaties in de Stille Oceaan en werd in juli 1945 tot zinken gebracht tijdens Amerikaanse luchtaanvallen op Kure.

Ontwerp en constructie

De Ise-klasse was een doorontwikkeling van de Fusō-klasse. Hyūga had oorspronkelijk een lengte van 208,18 meter, een breedte van 28,65 meter en een diepgang van 8,93 meter. De standaardwaterverplaatsing bedroeg 29.980 ton en liep op tot 36.500 ton bij volle belading. Het schip werd voortgestuwd door twee Parsons direct-drive stoomturbinesets, elk gekoppeld aan twee schroefassen, gevoed door 24 Kampon Ro Gō waterpijpketels. Deze installatie leverde 45.000 shp, goed voor een snelheid van 23 knopen en een bereik van 9.680 zeemijl bij 14 knopen.

Tijdens de modernisering in de jaren 1930 werd de lengte vergroot tot 215,8 meter, de breedte tot 31,75 meter en de diepgang tot 9,45 meter. De voortstuwing werd vervangen door vier Kampon-tandwielturbines en acht oliegestookte ketels met een totaalvermogen van 80.000 shp, waarmee een snelheid van 24,5 knopen kon worden bereikt.

Bewapening

Bij indienststelling beschikte Hyūga over zes tweelingtorens met 35,6 cm Type 41 kanonnen, twintig 14 cm Type 3 snelvuurkanonnen, vier 8 cm Type 3 luchtafweerkanonnen en zes 53,3 cm onderwatertorpedobuizen. De secundaire kanonnen waren opgesteld in kazematten en op het dek.

Tijdens de moderniseringen in de jaren 1930 werden de luchtafweerinstallaties vervangen en uitgebreid, waaronder acht 12,7 cm Type 89 dubbelloops kanonnen en twintig 25 mm Type 96 luchtafweerkanonnen. Na de ombouw in 1943 werden alle 14 cm kanonnen verwijderd en nam het aantal 25 mm-kanonnen toe tot meer dan honderd, in enkele, dubbele en drievoudige opstellingen. Tevens werden zes 30-loop 12,7 cm luchtafweerraketwerpers toegevoegd.

Bepantsering

De hoofdbepantsering bestond uit een waterlijnpantsergordel van Vickers gecementeerd pantser met een maximale dikte van 299 mm, aangevuld met een onderwatergordel van 100 mm. Het dek bestond uit twee lagen hoogwaardig staal, respectievelijk 55 mm voor het bovenste dek en 30 mm voor het onderste dek. De geschutstorens hadden 254 mm pantser aan de voorzijde en 76 mm op het dak. De barbettes waren tot 299 mm dik.

 

Sensoren en dataverwerking

In 1942 beschikte Hyūga over conventionele optische waarnemings- en vuurleidingssystemen, bestaande uit afstandsmeters, richtkijkers en mechanische vuurleidingscomputers. Er was geen radar aanwezig bij aanvang van de oorlog. De detectie van vijandelijke vliegtuigen en schepen gebeurde uitsluitend visueel of via meldingen van andere eenheden.

Na de geschuttorenexplosie in mei 1942 werd op Hyūga een prototype Type 22 surface-search radar geïnstalleerd. Deze vroege versie was nog in ontwikkeling en werd in de loop van datzelfde jaar verwijderd. De radar had beperkte prestaties en diende voornamelijk voor testdoeleinden binnen de Keizerlijke Japanse Marine.

In 1943 werd het schip opnieuw uitgerust met radarapparatuur, waaronder één Type 21 air-search radar, twee Type 13 early warning radars en twee Type 22 surface-search radars. Er zijn geen aanwijzingen dat Hyūga in 1942 of daarna beschikte over actieve sonarapparatuur.

Gedurende haar gehele operationele periode had Hyūga geen geïntegreerd Combat Information Center (CIC) of Action Information Centre (AIC). Radar- en optische gegevens werden direct doorgegeven aan brug en vuurleiding via telefoon- en spreekbuissystemen. Dit betekende dat de informatie niet centraal werd verwerkt of geanalyseerd. In vergelijking met geallieerde schepen die vanaf 1943 wel over een CIC of AIC beschikten, was de reactietijd en coördinatie bij luchtaanvallen en gecombineerde vlootacties daardoor beperkt.

Modificaties

Hyūga onderging drie belangrijke moderniseringsfasen.
Tussen 1927 en 1932 werd de opbouw vergroot, de pagodemast toegevoegd en de onderwaterbescherming verbeterd.
Van 1934 tot 1936 werd het pantser versterkt, torpedobulges toegevoegd en de voortstuwing vervangen.
In 1943 werd het schip omgebouwd tot hybride slagschip-vliegdekschip, waarbij de achterste geschutstorens werden verwijderd en vervangen door een hangar en een kort vliegdek met twee katapulten. Tegelijkertijd werd de luchtafweer uitgebreid.

Status schip tijdens de oorlog

Bij het uitbreken van de oorlog in 1941 was Hyūga, ondanks eerdere moderniseringen, technisch verouderd vergeleken met moderne slagschepen en vliegdekschepen. De conversie tot hybride schip verbeterde de luchtafweer en verkenningscapaciteit, maar het ontbreken van een volwaardig vliegdek en operationele luchtgroep beperkte de gevechtswaarde.

Operationele geschiedenis

Hyūga werd op 30 april 1918 in dienst gesteld bij de 1e Slagschipdivisie van de 1e Vloot van de Keizerlijke Japanse Marine. In de eerste jaren na indienststelling lag de nadruk op patrouilles en trainingsactiviteiten. In de vroege jaren 1920 werd het schip ingezet ter ondersteuning van de Japanse interventie in Siberië tijdens de Russische Burgeroorlog. Deze operaties bestonden voornamelijk uit patrouilles in de noordelijke wateren en voor de Siberische kust. Op 21 juli 1920 kwam het tot een aanvaring met de schoener Hiromiya Maru, waarbij het zeilschip zonk en twee opvarenden omkwamen.

In september 1923 werd Hyūga ingezet voor hulpverlening na de Grote Kantō-aardbeving, waarbij het personeel en materieel leverde voor noodhulp aan getroffen gebieden. In de jaren daarna voer het schip regelmatig patrouilles voor de kust van China. In 1927–1928 onderging Hyūga een eerste modernisering waarbij de opbouw werd vergroot, extra platformen werden toegevoegd en luchtvaartfaciliteiten werden verbeterd.

In maart 1932 patrouilleerde Hyūga samen met de Ise, de slagkruisers Kongō en Kirishima voor de kust van China naar aanleiding van het Eerste Shanghai-incident. Op 14 juni 1932 vond een incident plaats tijdens een vlootoefening nabij de Mishima-eilanden, waarbij de onderzeeboot I-4 onverwacht voor Hyūga opdook. Het schip wist een directe aanvaring te vermijden, maar de boeg raakte de onderzeeboot licht.

Van oktober 1934 tot september 1936 werd Hyūga ingrijpend gemoderniseerd bij het Kure Naval Arsenal. Deze modernisering omvatte het aanbrengen van torpedobulges, nieuwe voortstuwing, versterkt pantser en een aangepaste opbouw in pagodestijl. In augustus 1937 werd het schip ingezet tijdens de Tweede Chinees-Japanse Oorlog om twee bataljons van de 3e Sasebo Special Naval Landing Force naar Port Arthur te vervoeren. Daarna volgden patrouilles voor de zuidkust van China, die tot begin 1941 werden voortgezet.

Op 8 december 1941, bij het uitbreken van de oorlog in de Stille Oceaan, nam Hyūga deel aan een ondersteuningsoperatie richting de Bonin-eilanden in het kader van de aanval op Pearl Harbor. Op 18 april 1942 werd het schip ingezet bij de achtervolging van de Amerikaanse vloot na de Doolittle Raid, zonder direct contact te maken met de tegenstander. In mei 1942 vond een ernstige explosie plaats in het linkerkanon van toren 5 tijdens schietoefeningen met het slagschip Nagato. Hierbij kwamen 51 bemanningsleden om en raakten er meerdere gewond. De beschadigde toren werd verwijderd en vervangen door luchtafweeropstellingen, en er werd een Type 22 oppervlakteradar geïnstalleerd.

Na de Japanse nederlaag bij Midway in juni 1942 werd besloten Hyūga om te bouwen tot hybride slagschip-vliegdekschip. De ombouw, voltooid in november 1943, hield in dat de achterste geschutstorens werden verwijderd en vervangen door een hangar, een kort vliegdek en twee katapulten. De geplande luchtgroep bestond uit Yokosuka D4Y-duikbommenwerpers en Aichi E16A-verkenningswatervliegtuigen, maar door tekort aan toestellen en piloten kwam het tot beperkte inzet.

In oktober 1944 maakte Hyūga deel uit van de 4e Vliegdekschipdivisie tijdens de Slag bij Kaap Engaño, als onderdeel van de afleidingsmacht van viceadmiraal Jisaburō Ozawa. Het schip werd daarbij licht beschadigd door bomscherven. In november 1944 werd Hyūga naar Zuidoost-Azië verplaatst. In februari 1945 nam het deel aan Operatie Kita, waarbij het samen met Ise en de lichte kruiser Ōyodo strategische grondstoffen, waaronder olie, rubber en metalen, van Singapore naar Japan vervoerde. Ondanks aanvallen van geallieerde onderzeeboten bereikte het konvooi veilig de thuishaven.

Vanaf maart 1945 lag Hyūga zonder brandstof of vliegtuigen in reserve in Hiroshima Bay. Op 19 maart werd het schip getroffen door drie bommen tijdens een luchtaanval op Kure, waarbij 37 bemanningsleden omkwamen. Op 24 juli volgde een zware aanval waarbij Hyūga tien treffers kreeg, de brug werd vernietigd en grote branden uitbraken. Het schip zonk langzaam in ondiep water. Op 30 juli werd de bemanning geëvacueerd. Op 20 november 1945 werd Hyūga van de marinelijst geschrapt en tussen juli 1946 en juli 1947 gesloopt.

Na de oorlog

Na de Japanse overgave werd Hyūga op 20 november 1945 officieel van de marinelijst verwijderd. Het schip lag toen in ondiep water in Hiroshima Bay, waar het in juli 1945 tijdens luchtaanvallen op Kure was gezonken. De resten bleven tot 2 juli 1946 liggen, waarna de bergingswerkzaamheden begonnen. Deze werden uitgevoerd door de Kure Dockyard van de Harima Zōsen Corporation. De sloop vond plaats tussen juli 1946 en 4 juli 1947, waarbij bruikbare metalen en onderdelen werden teruggewonnen voor industriële doeleinden. Er zijn geen aanwijzingen dat onderdelen van het schip voor herdenkingsdoeleinden bewaard zijn gebleven.

Conclusie

Hyūga was bij indienststelling in 1918 een moderne vertegenwoordiger van de Ise-klasse, maar de snelle technologische ontwikkelingen tussen de twee wereldoorlogen zorgden ervoor dat het schip tegen 1941 al gedeeltelijk verouderd was.

In 1942 beschikte Hyūga over conventionele optische waarnemings- en vuurleidingssystemen zonder radar, met uitzondering van een kortstondig geïnstalleerde prototype Type 22 surface-search radar die voornamelijk voor testdoeleinden werd gebruikt. Vanaf 1943 werd de radaruitrusting uitgebreid met één Type 21 air-search radar, twee Type 13 early warning radars en twee verbeterde Type 22 surface-search radars.

Gedurende haar gehele operationele periode had Hyūga geen geïntegreerd Combat Information Center (CIC) of Action Information Centre (AIC). Sensorinformatie werd niet centraal verwerkt, maar direct doorgegeven aan brug en vuurleiding via telefoon- of spreekbuissystemen. Dit betekende dat de verwerkings- en coördinatiecapaciteit beperkt bleef, vooral tijdens luchtaanvallen en gecombineerde vlootacties.

Volgens de militaire normen van 1943 betekende het ontbreken van een CIC of AIC, in combinatie met beperkte radar- en geen sonarcapaciteit, dat Hyūga technologisch achterliep op moderne geallieerde oorlogsschepen. Ondanks meerdere moderniseringen bleef de gevechtskracht daardoor lager dan die van tijdgenoten met geavanceerdere sensoren en centrale gevechtsinformatievoorzieningen..

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Official IJN photographer, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Campbell, John (1985). Naval Weapons of World War II. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-459-2.
  3. Chesneau, Roger, ed. (1980). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1922–1946. Greenwich, UK: Conway Maritime Press. ISBN 978-0-85177-146-5.
  4. Gardiner, Robert & Gray, Randal, eds. (1985). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1906–1921. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-907-8.
  5. Jentschura, Hansgeorg; Jung, Dieter & Mickel, Peter (1977). Warships of the Imperial Japanese Navy, 1869–1945. Annapolis, Maryland: United States Naval Institute. ISBN 978-0-87021-893-4.
  6. Parshall, Jonathan & Tully, Anthony (2007). Shattered Sword: The Untold Story of the Battle of Midway. Washington, DC: Potomac Books. ISBN 978-1-57488-924-6.
  7. Polmar, Norman & Genda, Minoru (2006). Aircraft Carriers: A History of Carrier Aviation and Its Influence on World Events. Vol. 1, 1909–1945. Washington, D.C.: Potomac Books. ISBN 978-1-57488-663-4.
  8. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946