De Lorenz SZ 40 en SZ 42 waren Duitse versleutelmachines voor telexberichten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze beschermden communicatie tussen het militaire opperbevel en hogere commandoposten. Het systeem gebruikte twaalf wielen om een sleutelreeks te produceren. Britse codebrekers achterhaalden de werking zonder de machine te zien en ontcijferden berichten met ondersteuning van de Colossus-computers.
Werking
Ontwikkeling en militaire inzet
De Lorenz-machines werden ontwikkeld door C. Lorenz AG in Berlijn als toevoeging aan een telexinstallatie. De aanduiding SZ stond voor Schlüsselzusatz, oftewel sleuteltoevoeging of versleutelapparaat. Het systeem gebruikte twaalf wielen met instelbare nokken om de benodigde sleutelreeks op te wekken. De machine verving de telex niet, maar versleutelde de elektrische signalen die deze voortbracht tijdens de verzending van een bericht.
Een proefverbinding met de SZ 40 werd in juni 1941 in gebruik genomen. Vanaf het midden van 1942 breidde het gebruik van de verbeterde SZ 42 zich uit naar verbindingen tussen het Duitse opperbevel en legercommando’s in bezet Europa. De SZ 42a kwam in februari 1943 in geregeld gebruik, gevolgd door de SZ 42b in juni 1944. Deze uitvoeringen maakten de aansturing van de wielen ingewikkelder.
Lorenz werd vooral gebruikt voor berichten op een hoger commandoniveau, waaronder instructies en rapporten tussen het hoofdkwartier en legergroepen. Enigma werd daarnaast op veel verschillende niveaus gebruikt door de Duitse strijdkrachten, zowel bij operationele eenheden als bij staven. Het verschil betrof daarom vooral het communicatiesysteem en het gebruiksdoel. Lorenz verwerkte telexsignalen automatisch, terwijl bij de gebruikelijke militaire Enigma de letters afzonderlijk werden ingetoetst.
De apparatuur vereiste een telexinstallatie en was daardoor minder geschikt voor kleine, verplaatsbare eenheden. De behuizing van het versleutelapparaat was ongeveer een halve meter breed en stond los van de telex zelf. Op langeafstandsverbindingen werd versleuteld telexverkeer per radio verzonden. Daardoor konden Britse luisterstations de signalen onderscheppen, ook wanneer de inhoud door de Lorenz-machine was afgeschermd.
Telextekens en de Vernam-methode
Lorenz werkte met het International Telegraph Alphabet No. 2, meestal afgekort tot ITA2. Elk telexteken werd weergegeven door vijf elektrische impulsen, die als vijf bits kunnen worden beschreven. Daarmee waren 32 verschillende combinaties mogelijk, maar niet slechts 32 afzonderlijke letters en leestekens. Omschakeltekens lieten dezelfde combinaties afwisselend letters of cijfers en andere tekens vertegenwoordigen, zodat het beschikbare tekenrepertoire groter was.
De versleuteling berustte op het beginsel dat Gilbert Vernam tijdens de Eerste Wereldoorlog ontwikkelde. Daarbij werd iedere bit van de oorspronkelijke tekst gecombineerd met een bijbehorende bit uit een sleutelreeks. Lorenz gebruikte hiervoor de XOR-bewerking, ook wel optelling modulo twee genoemd. Twee gelijke bits leverden nul op en twee verschillende bits één, zonder de overdracht die bij gewone binaire optelling kan optreden.
Dezelfde bewerking kon zowel versleutelen als ontsleutelen, mits beide zijden dezelfde sleutelreeks gebruikten. Wanneer een tekstbit eenmaal met een sleutelbit was gecombineerd, gaf een tweede combinatie met diezelfde sleutelbit de oorspronkelijke tekstbit terug. De ontvangende machine hoefde daarom geen afzonderlijke omgekeerde bewerking uit te voeren. Wel moesten de instellingen en de voortgang van beide machines met elkaar overeenkomen.
Een werkelijk willekeurige sleutelreeks kan onder strikte voorwaarden een one-time pad vormen. De sleutel moet minstens zo lang zijn als het bericht, geheim blijven en uitsluitend eenmaal worden gebruikt. Onder die voorwaarden geeft de versleutelde tekst op zichzelf geen informatie over de oorspronkelijke inhoud. Het produceren en veilig verspreiden van voldoende identieke sleutelstroken voor beide uiteinden van militaire verbindingen bracht echter praktische problemen mee.
Lorenz verving zulke willekeurige sleutelstroken door een mechanisch opgewekte sleutelreeks. Twee machines met dezelfde instellingen konden daardoor onafhankelijk dezelfde reeks produceren, zonder voor ieder bericht een lange nieuwe sleutelstrook te ontvangen. Deze reeks was pseudowillekeurig: ze leek onregelmatig, maar volgde vastgelegde mechanische regels. Daarom bood Lorenz niet de onvoorwaardelijke geheimhouding van een correct gebruikt one-time pad.
De twaalf sleutelwielen
De twaalf wielen vormden drie groepen, die de Britse onderzoekers chi, psi en mu noemden. Vijf chi-wielen leverden telkens vijf bits en vijf psi-wielen leverden een tweede groep van vijf bits. Deze twee bijdragen werden met elkaar gecombineerd tot het sleutelteken voor de betreffende positie in het bericht. De twee mu-wielen regelden de beweging van de psi-wielen en werden daarom ook motorwielen genoemd.
De chi-wielen hadden achtereenvolgens 41, 31, 29, 26 en 23 posities. De psi-wielen telden 43, 47, 51, 53 en 59 posities, terwijl de motorwielen 61 en 37 posities hadden. Rond ieder wiel zaten instelbare nokken, die een actieve of inactieve stand konden innemen. Een actieve nok leverde een bitwaarde van één en keerde bij combinatie een tekstbit om; een inactieve nok leverde nul.
De vijf chi-wielen gingen bij ieder verwerkt teken één positie verder. Bij de SZ 40 bewoog het motorwiel met 61 posities eveneens bij ieder teken, terwijl het motorwiel met 37 posities doorschoof wanneer de afgelezen nok van het eerste motorwiel actief was. Een actieve nok op het tweede motorwiel liet vervolgens de vijf psi-wielen gezamenlijk verdergaan. Daardoor kon de psi-bijdrage gedurende opeenvolgende tekens gelijk blijven, terwijl de chi-bijdrage wel veranderde.
De verschillende wielomtrekken maakten de gezamenlijke herhalingsperiode van de wielstanden lang. Binnen iedere groep hadden de aantallen posities geen gemeenschappelijke deler groter dan één, hoewel niet alle aantallen priemgetallen waren. De verbeterde SZ 42a en SZ 42b voegden bovendien verdere voorwaarden toe aan het bewegingsmechanisme. Voor codebrekers bleef het daarom nodig zowel de nokpatronen als de beginstanden en de onregelmatige wielbeweging te onderzoeken.
Instellingen en bedieningsprocedures
De beveiliging hing af van twee soorten instellingen: de nokpatronen op de wielen en hun beginstanden voor een bericht. De patronen werden volgens afgesproken schema’s gewijzigd, terwijl de beginstanden per bericht moesten verschillen. Aanvankelijk bleven sommige patronen geruime tijd in gebruik, waardoor meerdere berichten met verwante instellingen konden worden onderzocht. Vanaf 1 augustus 1944 werden de patronen van alle wielen dagelijks veranderd.
De ontvangende bedienaar moest weten welke beginstanden bij een uitzending hoorden. Aanvankelijk werd daarvoor een onversleutelde indicator van twaalf letters verzonden, waarmee de wielstanden werden aangeduid. Vanaf oktober 1942 werd een procedure met eenmalige instellingen uit een zogenoemd QEP-boek gebruikt. De meegestuurde verwijzing stelde de ontvanger in staat de bijbehorende wielstanden op te zoeken, zonder deze standen rechtstreeks te verzenden.
Een bericht kon vooraf op een geperforeerde papierstrook worden vastgelegd en vervolgens door de lezer van de telex worden gevoerd. De verzendende bedienaar schakelde het Lorenz-apparaat in de verbinding, waarna de tekst tijdens het doorlopen werd versleuteld. Aan de ontvangende kant ontsleutelde een gelijk ingestelde machine de signalen voordat de tekst werd afgedrukt. Afwijkende instellingen of fouten in de signaalreeks konden de leesbaarheid van het bericht verstoren.
Het breken van de code
Onderschepping van het telexverkeer
Britse luisterstations onderschepten in 1941 Duitse uitzendingen die afweken van het gebruikelijke morseverkeer. Het betrof radiotelex, waarbij elektrische teleximpulsen door veranderingen in de radiofrequentie werden overgebracht. De verzamelde signalen gingen naar de Government Code and Cypher School in Bletchley Park voor cryptografisch onderzoek. De Britse verzamelnaam Fish gold voor versleuteld Duits radiotelexverkeer; de Lorenz-machine en haar berichten kregen de naam Tunny, oftewel tonijn.
De onderschepping werd aanvankelijk onder meer verzorgd door een luisterstation op Denmark Hill in Londen. Later speelde het station Knockholt in Kent een grotere rol bij het opnemen en verwerken van Tunny-verkeer. Medewerkers legden de signalen vast, controleerden de tekens en maakten papierstroken voor verder onderzoek. Die nauwkeurigheid was nodig, omdat een toegevoegd of ontbrekend teken de verwerking van een bericht kon verstoren.
De herhaalde verzending van 30 augustus 1941
Een bedieningsfout op 30 augustus 1941 verschafte de Britten materiaal waarmee zij het systeem verder konden onderzoeken. Op de verbinding tussen Wenen en Athene werd een lang bericht opnieuw verzonden, nadat de eerste versie niet goed was ontvangen. Bij de herhaling werden dezelfde begininstellingen gebruikt, herkenbaar aan de indicator HQIBPEXEZMUG. De twee versies waren echter niet volledig gelijk, doordat onder meer afkortingen en andere tekstwijzigingen voorkwamen.
Het opnieuw gebruiken van de instellingen betekende dat beide teksten met dezelfde sleutelreeks waren versleuteld. Een exact identieke herhaling zou dezelfde versleutelde tekst hebben opgeleverd en daardoor geen tweede, afwijkende tekst voor vergelijking hebben gegeven. Nu waren er twee verwante teksten die op verschillende plaatsen uiteenliepen. Deze situatie werd door de codebrekers een depth genoemd: meerdere berichten die dezelfde sleutelreeks gebruikten.
Het onderzoek van John Tiltman
John Tiltman kon de twee onderschepte teksten met behulp van de Vernam-eigenschappen vergelijken. Door beide versleutelde berichten met XOR te combineren, verdwenen de overeenkomstige sleutelbits uit de vergelijking. Het resultaat was een combinatie van de twee oorspronkelijke teksten, die zelf nog niet onmiddellijk leesbaar was. Tiltman gebruikte zijn kennis van het Duits en vermoedelijke tekstpatronen om delen van beide berichten te reconstrueren.
De verwantschap tussen de berichten maakte het mogelijk voorbij korte fragmenten aan het begin te komen. Wanneer Tiltman een gedeelte van de oorspronkelijke tekst had vastgesteld, kon hij dit met de bijbehorende versleutelde tekst combineren om sleuteltekens te verkrijgen. Zo reconstrueerde hij een sleutelreeks van 3.976 tekens. Deze reeks leverde informatie over de onbekende machine, maar verklaarde nog niet hoe zij mechanisch werd voortgebracht.
De reconstructie door Bill Tutte
Bill Tutte onderzocht de afzonderlijke bitreeksen van het teruggevonden sleutelmateriaal op herhalingen en onderlinge samenhang. Eind januari 1942 vormde een herkenbaar patroon met een periode van 41 posities een aanknopingspunt voor het bestaan van een regelmatig bewegend wiel. Vervolgens werkte hij met collega’s de overige onderdelen van het systeem uit. De logische structuur van de twaalfwielige machine werd zo gereconstrueerd zonder dat de onderzoekers een Lorenz-apparaat hadden gezien.
De reconstructie verklaarde waarom de sleutelreeks zowel regelmatige als onregelmatige eigenschappen vertoonde. De chi-wielen bewogen voortdurend, terwijl de psi-wielen geregeld bleven stilstaan onder invloed van de motorwielen. Daardoor konden verschillen tussen opeenvolgende tekens worden gebruikt om onderdelen van de sleutelbijdrage te onderzoeken. De Britse kennis betrof aanvankelijk de logische werking; een oorspronkelijk Duits apparaat werd pas in 1945 beschikbaar voor onderzoek.
Handmatige cryptanalyse en taakverdeling
Het vaststellen van de instellingen bleef nodig nadat de machinewerking was doorgrond. De nokpatronen en beginstanden moesten telkens worden onderzocht, terwijl de Duitse procedures en instellingen veranderden. Sommige berichten konden met handmatige methoden worden ontcijferd, maar de hoeveelheid werk en de beschikbare aanknopingspunten verschilden. Het onderzoek kon daardoor langdurig zijn, en de doorlooptijd hing mede af van de kwaliteit en lengte van het onderschepte materiaal.
Vanaf juli 1942 hield een afdeling onder Ralph Tester zich geregeld bezig met het lezen van Tunny-berichten. Deze Testery omvatte onder anderen Jerry Roberts, Peter Ericsson, Denis Oswald en Peter Hilton, die taalkennis en cryptografische methoden combineerden. Daarnaast kreeg Max Newman de leiding over een afdeling voor machinale ondersteuning, de Newmanry. Beide afdelingen werkten samen: elektronische verwerking leverde aanknopingspunten, terwijl verdere analyse en controle door medewerkers nodig bleven.
Het machinetijdperk
Britse nabootsing van het versleutelsysteem
Britse ingenieurs bouwden een eigen Tunny-machine die de afgeleide werking van het Duitse apparaat nabootste. Het ontwerp berustte op de cryptografische reconstructie, zodat daarvoor geen buitgemaakte Lorenz-machine nodig was. Wanneer de vereiste instellingen waren gevonden, kon het Britse apparaat de onderschepte tekens met de juiste sleutelreeks combineren. Het produceerde vervolgens de leesbare tekst voor vertaling en beoordeling door inlichtingenmedewerkers.
Mechanische ondersteuning van statistisch onderzoek
Max Newman onderzocht hoe herhaalde statistische berekeningen door machines konden worden uitgevoerd. De eerste Heath Robinson-machine werd in 1943 gebruikt om vermoedelijke instellingen te testen door twee papierstroken met elkaar te vergelijken. Eén strook bevatte het onderschepte bericht, terwijl de andere gegevens voor de geteste sleutelbijdrage bevatte. Elektronische schakelingen telden hoe vaak bepaalde combinaties optraden, zodat kansrijke instellingen verder konden worden onderzocht.
Het systeem werkte, maar het gelijk laten lopen van de twee snel bewegende stroken veroorzaakte problemen. Bovendien vergden wijzigingen in de onderzochte patronen handelingen aan de papierstroken en apparatuur. De naam Heath Robinson verwees naar een Britse tekenaar van ingewikkelde mechanische constructies. De Robinson-machines bleven verder in ontwikkeling en werden ook na de komst van Colossus voor cryptografisch onderzoek gebruikt.
Elektronische verwerking met Colossus
Tommy Flowers ontwikkelde bij het Post Office Research Station in Dollis Hill een machine die de onderzochte wielpatronen elektronisch voortbracht. Daardoor hoefden niet langer twee papierstroken voortdurend gelijk te lopen. Colossus las de onderschepte tekst van één strook en combineerde die met elektronisch gegenereerde patronen. Flowers gebruikte daarbij zijn ervaring met elektronenbuizen en schakelingen uit de telefonie om een grotere elektronische installatie te bouwen.
De eerste uitvoering, Colossus Mark I, bevatte ongeveer 1.500 elektronenbuizen. Na proeven in december 1943 werd de machine naar Bletchley Park overgebracht en daar opnieuw opgebouwd. Op 5 februari 1944 werd zij ingezet tegen een Lorenz-bericht. Colossus kon ongeveer 5.000 tekens per seconde lezen en versnelde daarmee het zoeken naar geschikte wielinstellingen, waardoor meer berichten binnen een bruikbare tijd konden worden verwerkt.
Colossus berekende statistische uitkomsten voor mogelijke instellingen en leverde daarmee gegevens voor de verdere ontcijfering. De machine vormde dus een onderdeel van een proces met luisterstations, papierstrookverwerking, codebrekers en Britse Tunny-apparaten. De verbeterde Mark II kwam begin juni 1944 beschikbaar en breidde de verwerkingsmogelijkheden uit. Tegen het einde van de oorlog waren tien Colossus-machines in gebruik, naast andere apparatuur voor de aanval op Tunny.
De bediening van deze installaties werd mede uitgevoerd door vrouwen van de Women’s Royal Naval Service, doorgaans Wrens genoemd. Zij verzorgden onder meer papierstroken, instellingen en de registratie van uitkomsten volgens vastgelegde werkprocedures. Ingenieurs onderhielden de elektronica en andere medewerkers vergeleken de resultaten met cryptografische verwachtingen. De uitbreiding van de apparatuur ging daardoor samen met een groeiende organisatie voor verwerking, controle en analyse.
Inlichtingen rond de landing in Normandië
Ontcijferde Lorenz-berichten leverden informatie over de bevelvoering en beoordeling van de oorlogssituatie op een hoger commandoniveau. Deze informatie maakte deel uit van de inlichtingen die onder de aanduiding Ultra werden verspreid. Voor de landing in Normandië konden de Britten onder meer communicatie tussen de Duitse bevelhebber in het westen, Gerd von Rundstedt, en Berlijn volgen. Daarmee kregen zij inzicht in Duitse verwachtingen en militaire beslissingen.
De berichten hielpen ook beoordelen hoe de Duitse leiding geallieerde misleiding over de voorgenomen landing opvatte. Daarbij ging het onder meer om de verwachting dat een grotere aanval in het gebied rond Pas-de-Calais kon volgen. Dit inzicht kwam uit verschillende inlichtingenbronnen, waaronder ontcijferde communicatie. Inlichtingenmedewerkers vergeleken de teksten met andere gegevens, terwijl Colossus via de verwerking van Tunny-verkeer de beschikbaarheid van informatie vergrootte.
Geallieerde bombardementen en sabotage beschadigden daarnaast Duitse communicatieverbindingen in Frankrijk. Waar verbindingen over landlijnen uitvielen, kon radioverkeer een alternatief bieden dat voor luisterstations onderschepbaar was. Het Duitse communicatienetwerk omvatte verschillende soorten verbindingen en versleutelapparatuur, afgestemd op de betrokken eenheden en hun taken. Lorenz, Enigma en andere systemen werden daardoor naast elkaar gebruikt voor de communicatie binnen de Duitse strijdkrachten.
Betekenis voor de computergeschiedenis
Colossus geldt als de eerste programmeerbare elektronische digitale computer, waarbij de programmeerbaarheid beperkt was tot de taken waarvoor het apparaat was ontworpen. Medewerkers kozen bewerkingen met schakelaars en verbindingen; een programma werd niet als instructiereeks in een elektronisch geheugen opgeslagen. Eerdere rekenmachines en computers hadden andere kenmerken, zoals mechanische of elektromechanische verwerking. Colossus combineerde elektronische verwerking van digitale gegevens met instelbare logische bewerkingen voor cryptografische berekeningen.
De Amerikaanse ENIAC werd in 1946 publiek gepresenteerd en was eveneens een elektronische digitale machine, maar geschikt voor een breder pakket rekentaken. Colossus ging daaraan vooraf, zonder dezelfde algemene inzetbaarheid te bezitten. De Britse geheimhouding beperkte bovendien lange tijd de openbare kennis van het ontwerp. Na de oorlog werd het grootste deel van de Colossus-apparatuur ontmanteld, terwijl twee machines nog enige tijd voor inlichtingenwerk behouden bleven.
Het onderzoek naar Lorenz werd in 1945 aangevuld met buitgemaakte Duitse apparatuur en verklaringen van Duitse cryptografen. Britse en Amerikaanse onderzoekers van TICOM verzamelden daarvoor documenten, machines en kennis tijdens en na de opmars in Duitsland. Later maakten vrijgegeven stukken en getuigenissen een uitgebreidere reconstructie van de Britse werkzaamheden mogelijk. Bewaarde Lorenz-apparaten en nagebouwde Britse machines tonen sindsdien de verschillende stappen tussen versleuteling, onderschepping en ontcijfering.
Conclusie
De Lorenz SZ 40 en SZ 42 beschermden Duitse telexcommunicatie door tekstsignalen met een mechanisch opgewekte sleutelreeks te combineren. Britse onderzoekers benutten hergebruik van instellingen, taalkundige aanknopingspunten en statistische eigenschappen om het systeem te doorgronden. Handmatige cryptanalyse, Britse Tunny-machines en Colossus maakten vervolgens de verwerking van onderschepte berichten mogelijk. De ontcijferde communicatie ondersteunde de geallieerde inlichtingenvoorziening en verbond militaire cryptanalyse met de ontwikkeling van elektronische computers.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Djsgmnd, CC BY-SA 4.0, via Wikimedia Commons
- Churchhouse, Robert F. (2002). Codes and Ciphers: Julius Caesar, the Enigma and the Internet. Cambridge: Cambridge University Press. ISBN 978-0-521-00890-7.
- Copeland, B. Jack (red.) (2006). Colossus: The Secrets of Bletchley Park’s Code-Breaking Computers. Oxford: Oxford University Press. ISBN 978-0-19-284055-4. DOI 10.1093/oso/9780192840554.001.0001.
- Davies, Donald W. (1998). The Lorenz Cipher Machine SZ42. In: Deavours, C. A., Kahn, David, Kruh, Louis, Mellen, Greg en Winkel, Brian J. (red.), Selections from Cryptologia: History, People, and Technology. Norwood: Artech House. ISBN 978-0-89006-862-5. Oorspronkelijk gepubliceerd in Cryptologia, 19(1), 39–61 (1995). DOI 10.1080/0161-119591883755.
- Flowers, Thomas H. (2006). Colossus. In: Copeland, B. Jack (red.), Colossus: The Secrets of Bletchley Park’s Code-Breaking Computers, 91–100. Oxford: Oxford University Press. ISBN 978-0-19-284055-4.
- Good, I. J. (2001). Enigma and Fish. In: Hinsley, F. H. en Stripp, Alan (red.), Codebreakers: The Inside Story of Bletchley Park, 149–166. Oxford: Oxford University Press. ISBN 978-0-19-280132-6.
- Good, I. J., Michie, Donald en Timms, Geoffrey (2015). General Report on Tunny: With Emphasis on Statistical Methods. In: Reeds, James A., Diffie, Whitfield en Field, J. V. (red.), Breaking Teleprinter Ciphers at Bletchley Park: An Edition of I. J. Good, D. Michie and G. Timms: General Report on Tunny with Emphasis on Statistical Methods (1945). Hoboken: Wiley-IEEE Press. ISBN 978-0-470-46589-9. DOI 10.1002/9781119061601.
- Halton, Ken (2001). The Tunny Machine. In: Hinsley, F. H. en Stripp, Alan (red.), Codebreakers: The Inside Story of Bletchley Park, 167–174. Oxford: Oxford University Press. ISBN 978-0-19-280132-6.
- Hinsley, F. H. en Stripp, Alan (red.) (2001). Codebreakers: The Inside Story of Bletchley Park. Oxford: Oxford University Press. ISBN 978-0-19-280132-6.
- Hinsley, F. H. (2001). An Introduction to Fish. In: Hinsley, F. H. en Stripp, Alan (red.), Codebreakers: The Inside Story of Bletchley Park, 141–148. Oxford: Oxford University Press. ISBN 978-0-19-280132-6.
- Parrish, Thomas (1986). The Ultra Americans: The U.S. Role in Breaking the Nazi Codes. New York: Stein and Day. ISBN 978-0-8128-3072-9.
- Rezabek, Randy (2017). TICOM: The Hunt for Hitler’s Codebreakers. Rochester: uitgegeven door de auteur. ISBN 978-1-5219-6902-1.
- Roberts, Jerry (2006). Major Tester’s Section. In: Copeland, B. Jack (red.), Colossus: The Secrets of Bletchley Park’s Code-Breaking Computers, 249–259. Oxford: Oxford University Press. ISBN 978-0-19-284055-4.
- Budiansky, Stephen (2000). Battle of Wits: The Complete Story of Codebreaking in World War II. New York: Free Press. ISBN 978-0-684-85932-3.
- Flowers, Thomas H. (1983). The Design of Colossus. Annals of the History of Computing, 5(3), 239–252. DOI 10.1109/MAHC.1983.10079. S2CID 39816473.
- Gannon, Paul (2006). Colossus: Bletchley Park’s Greatest Secret. Londen: Atlantic Books. ISBN 978-1-84354-330-5.
- Smith, Michael (2004). Station X: The Codebreakers of Bletchley Park. Londen: Pan Books. ISBN 978-0-330-41929-1.
- Boden, Margaret A. (2008). Mind as Machine: A History of Cognitive Science. Oxford: Clarendon Press. ISBN 978-0-19-954316-8.
- Atkinson, Paul (2010). Computer. Londen: Reaktion Books. ISBN 978-1-86189-664-3.
- Barnett, Correlli (2002). The Verdict of Peace: Britain Between Her Yesterday and the Future. Londen: Pan Books. ISBN 978-0-330-48806-8.
- Copeland, B. Jack (2006). The German Tunny Machine. In: Colossus: The Secrets of Bletchley Park’s Code-Breaking Computers, 36–51. Oxford: Oxford University Press. ISBN 978-0-19-284055-4.
- Copeland, B. Jack (2006). Machine against Machine. In: Colossus: The Secrets of Bletchley Park’s Code-Breaking Computers, 64–77. Oxford: Oxford University Press. ISBN 978-0-19-284055-4.
- Tutte, W. T. (2000). FISH and I. In: Joyner, David (red.), Coding Theory and Cryptography: From Enigma and Geheimschreiber to Quantum Theory, 9–17. Berlijn en Heidelberg: Springer. ISBN 978-3-540-66336-2. DOI 10.1007/978-3-642-59663-6_2.
- Wetenschap Online: Colossus computer kraakte Duitse Lorenz-codes
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946
![Lorenz-codeermachine[1] Lorenz-codeermachine in een Duitse bunker van bunkercomplex Overvoorde in Rijswijk.](https://sp-ao.shortpixel.ai/client/to_webp,q_lossy,ret_img,w_696,h_619/https://mei1940.org/wp-content/uploads/2026/09/Lorenz-codeermachine1-696x619.jpg)









