USS Arkansas (BB-33) was een Amerikaans dreadnoughtslagschip van de Wyomingklasse, in dienst van 1912 tot 1946. Het schip diende tijdens beide wereldoorlogen. Vanaf 1942 escorteerde het konvooien en in 1944 en 1945 ondersteunde het vier geallieerde landingsoperaties met zwaar geschut. Na de oorlog zonk het tijdens de kernproef Baker bij Bikini.
Ontwerp en constructie
Arkansas was het tweede en laatste schip van de Wyomingklasse en het derde Amerikaanse marineschip dat naar de staat Arkansas werd genoemd. De New York Shipbuilding Corporation in Camden, New Jersey, legde de kiel op 25 januari 1910. De tewaterlating volgde op 14 januari 1911 en de indienststelling op 17 september 1912. De romp was 171 meter lang, 28,42 meter breed en had een diepgang van 8,69 meter.
De ontwerpwaterverplaatsing bedroeg 26.000 long ton, gelijk aan 26.417 metrische ton, en liep volledig beladen op tot 27.243 long ton. Vier Parsons-stoomturbines dreven vier schroefassen aan. Twaalf kolengestookte Babcock & Wilcox-waterpijpketels leverden stoom voor een vermogen van 28.000 aspaardenkrachten. Daarmee bereikte Arkansas 20,5 knopen en had het schip bij 10 knopen een bereik van 8.000 zeemijl; de oorspronkelijke bemanning telde 1.063 personen.
Bewapening
De hoofdbewapening bestond uit twaalf 305mm/50 Mark 7-kanonnen in zes dubbele Mark 9-geschuttorens op de hartlijn. Twee torens stonden voor de bovenbouw, waarbij de achterste over de voorste heen kon vuren. Achter de bovenbouw stonden vier torens in twee boven elkaar geplaatste paren. Hierdoor konden alle twaalf kanonnen over één scheepszijde vuren; vier achterste torens concentreerden gewicht en magazijnruimte in het achterschip.
Bij de indienststelling voerde Arkansas daarnaast een secundaire batterij van eenentwintig 127mm/51-kanonnen in kazematten. Vier 3-ponderkanonnen dienden voor saluutschoten en twee onderwaterbuizen van 533 millimeter konden torpedo’s afvuren. De laag geplaatste kazematten waren bij ruwe zee beperkt bruikbaar. Tijdens latere verbouwingen verdwenen de torpedobuizen en een deel van de 127mm-kanonnen, terwijl de luchtafweer meerdere malen werd uitgebreid.
Bepantsering
De hoofdgordel langs de waterlijn varieerde in dikte van 127 tot 279 millimeter. De voorkanten van de geschuttorens waren 305 millimeter dik en de barbettes 279 millimeter. De commandotoren kreeg 292 millimeter pantser, terwijl de horizontale dekbescherming oorspronkelijk 38 tot 64 millimeter bedroeg. Dit schema was ontworpen tegen vlak invallende granaten op de gebruikelijke gevechtsafstanden van vóór de Eerste Wereldoorlog en bood minder bescherming tegen steil invallende projectielen en zware vliegtuigbommen.
Sensoren en dataverwerking
Bij de indienststelling berustte de waarneming op uitkijkposten, optische afstandsmeters en vuurleidingsposten hoog in de vakwerkmasten. Richtings- en afstandsgegevens gingen via telefoonverbindingen en spreekbuizen naar de centrale rekenruimten. Daar verwerkte een mechanische vuurleidingsrekenaar koers, snelheid, afstand en eigen scheepsbeweging tot richtgegevens voor de geschuttorens. Deze werkwijze vereiste vrij zicht en werd minder nauwkeurig door duisternis, rook, nevel en snelle koersveranderingen. De stabiliteit van het schip en de tijd tussen waarneming en salvo beïnvloedden de uitkomst direct.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kreeg Arkansas elektronische zoekmiddelen die de optische waarneming aanvulden. In 1942 bestond de uitrusting uit een SC-luchtzoekradar en een SRa-zoekradar. De SC kon vliegtuigen buiten het zicht van de uitkijkposten melden en werkte samen met Identification Friend or Foe-apparatuur om eigen toestellen van onbekende contacten te helpen onderscheiden. De radar leverde richting en afstand, maar geen betrouwbare hoogtemeting, zodat visuele bevestiging en berichten van andere eenheden nodig bleven. Op het radarscherm bleef een contact een radarecho waarvan hoogte en type niet automatisch vaststonden.
In 1944 verving een SK-luchtzoekradar de SC-installatie, terwijl de SRa aan boord bleef. De SK had een groter antennevlak en gaf een ruimer waarschuwingsbereik tegen naderende vliegtuigen. Voor de hoofdbatterij werd Mark 3 fire-control radar gebruikt, waarmee afstand tot een oppervlakte- of kustdoel en de inslagen van salvo’s ook bij beperkt zicht konden worden gevolgd. Optische directeurs, afstandsmeters en de bestaande mechanische rekenapparatuur bleven deel van de vuurleidingsketen. Voor kustbeschietingen konden waarnemers aan land of in vliegtuigen correcties op het artillerievuur doorgeven.
Arkansas beschikte uiterlijk tijdens de inzet in de Stille Oceaan over een Combat Information Center, meestal afgekort tot CIC. In deze ruimte werden radarwaarnemingen, meldingen van uitkijkposten, radioberichten en informatie van begeleidende schepen op kaarten samengebracht. Bedienaren hielden de koers van contacten bij en gaven een samengesteld overzicht door aan de brug, luchtafweerposten en vuurleiding. Een functie als CIC-officier aan boord is voor de late oorlogsjaren gedocumenteerd, waarmee de aanwezigheid van deze informatieruimte tijdens de Pacificcampagne vaststaat. Hierdoor konden afzonderlijke meldingen sneller worden vergeleken en konden naderende contacten een volgnummer krijgen.
In beschikbare uitrustingsstaten staat geen eigen sonarinstallatie voor Arkansas vermeld. Tijdens konvooidiensten kwam onderzeebootopsporing daarom hoofdzakelijk van de begeleidende torpedobootjagers en andere escorteschepen. De combinatie van zoekradar, CIC en vuurleidingsradar verbeterde de waarschuwing en doelbestrijding, maar bleef minder geïntegreerd dan op nieuwere Amerikaanse slagschepen. De lage snelheid, beperkte radardekking, oudere vuurleiding en het ontbreken van moderne zware dubbelfunctiekanonnen sloten inzet bij snelle vliegdekschipgroepen uit.
Modificaties
Van 1925 tot november 1926 onderging Arkansas een modernisering. Vier oliegestookte White-Forster-ketels vervingen de twaalf kolenketels, torpedobulten verbreedden de romp tot ongeveer 32 meter en extra dekpantser verbeterde de horizontale bescherming. De hoofdmast verdween, vijf 127mm-kanonnen en beide torpedobuizen werden verwijderd, en acht 76mm/50-luchtafweerkanonnen kwamen aan boord. Op geschuttoren nummer 3 werd een katapult geplaatst voor maximaal drie verkenningswatervliegtuigen.
Tijdens de verbouwing in 1942 werd de secundaire batterij teruggebracht tot zes 127mm/51-kanonnen. De luchtafweer groeide tot tien 76mm/50-kanonnen, 36 40mm-Boforskanonnen in negen vierlingopstellingen en 26 20mm-Oerlikonkanonnen. De twaalf kanonnen van 305 millimeter bleven gehandhaafd. Aanpassingen aan radar, communicatie, vuurleiding en commandoruimten maakten gezamenlijke operaties met escorteschepen en landstrijdkrachten mogelijk.
Status schip tijdens de oorlog
Bij de Amerikaanse deelname aan de Tweede Wereldoorlog was Arkansas naar ontwerp, snelheid en bescherming een ouder slagschip. Met 20,5 knopen kon het geen snelle vliegdekschepen volgen, terwijl de kazematkanonnen en de oorspronkelijke horizontale bescherming uit een eerdere ontwerpperiode stamden. Regelmatig onderhoud en de verbouwingen van 1925–1926 en 1942 hielden voortstuwing, bewapening en verblijven inzetbaar. Het schip werd daarom gebruikt voor konvooibescherming, opleiding en kustbeschieting, taken waarbij hoge vaart minder bepalend was.
De radaruitrusting verschafte vanaf 1942 een waarschuwingsbeeld; het CIC ondersteunde later de commandovoering. De hoofdbatterij werd gebruikt tegen vaste doelen, artilleriestellingen en versterkingen aan de kust. De luchtafweer was versterkt, maar bleef afhankelijk van een omringend scherm tegen onderzeeboten en massale luchtaanvallen. Door deze beperkingen was Arkansas ongeschikt voor een zelfstandig vlootgevecht; de feitelijke inzet concentreerde zich op konvooien en kustbeschieting.
Operationele geschiedenis
Bouw, indienststelling en Mexico
Op 14 oktober 1912 nam Arkansas deel aan een vlootschouw voor president Taft en vervoerde hem naar het nog onvoltooide Panamakanaal. Het ontving uitzendingen van een Poulsen-boogzender uit Arlington tijdens de eerste marinetest met continue langeafstandsradiotelegrafie. Een vlagoverdracht door de Daughters of the American Revolution veroorzaakte een ontwerpwedstrijd. De staat nam Willie Hockers ontwerp op 26 februari 1913 als staatsvlag aan; het schip kreeg de vlag.
Eind oktober 1913 maakte Arkansas een Middellandse-Zeereis met een bezoek aan Napels. Tijdens de Amerikaanse bezetting van Veracruz in 1914 gingen vier compagnieën, samen 17 officieren en 313 manschappen, aan land; twee bemanningsleden sneuvelden. John Grady en Jonas H. Ingram ontvingen de Medal of Honor. Arkansas bleef tot 30 september in Mexicaanse wateren en hervatte daarna oefeningen en onderhoud.
Eerste Wereldoorlog
Na de Amerikaanse oorlogsverklaring van 6 april 1917 werd Arkansas ingedeeld bij Battleship Division 7. Veertien maanden volgden patrouilles en trainingen langs de oostkust, zonder gevechtsinzet. Het schip vertrok op 14 juli 1918 naar Groot-Brittannië en bereikte Rosyth op 28 juli. Daar sloot het zich aan bij Battleship Division 9, het 6th Battle Squadron van de Britse Grand Fleet.
De wapenstilstand voorkwam een zeeslag met de Duitse vloot. Op 21 november 1918 begeleidde Arkansas de overgegeven Hochseeflotte naar Scapa Flow. Daarna voer het naar Brest, waar het op 13 december president Woodrow Wilson aan boord van George Washington escorteerde. Op 26 december kwam het terug in New York.
Interbellum en neutraliteitspatrouilles
In 1919 begeleidde Arkansas de trans-Atlantische Curtiss NC-vlucht als referentie- en weerschip en vervoerde William Benson naar Europa. In juli ging het via Panama naar de Pacific Fleet en kreeg in 1920 de aanduiding BB-33. Na Hawaï en Valparaíso werd Arkansas in 1921 Atlantisch vlaggenschip. Na de aardbeving van 1925 leverde de bemanning in Santa Barbara patrouilles, medische zorg en een radiostation.
Na de modernisering van 1925–1926 volgden schietoefeningen, Fleet Problems, opleidingsreizen en Fleet Landing Exercises. Arkansas vervoerde of ontving presidenten Herbert Hoover en Franklin Roosevelt en diende als opleidingsvlaggenschip. Bij het uitbreken van de oorlog in september 1939 lag het in Hampton Roads. Daarna kwam het met oudere slagschepen en Ranger bij de reservemacht van de Neutrality Patrol.
Op 19 december 1940 botste Arkansas bij New York met het kolenschip Melrose. Arkansas liep beperkte schade op; Melrose zonk later bij Brooklyn. In juli 1941 escorteerde het schip mariniers naar IJsland, waarna onderminister Sumner Welles tijdens de Atlantische conferentie aan boord verbleef. Op 7 december 1941, na verdere neutraliteitspatrouilles, bevond Arkansas zich in Casco Bay.
Atlantische konvooien
Na een IJslandreis en onderhoud in Boston werd Arkansas van 6 maart tot 2 juli 1942 in Norfolk verbouwd. Met Task Force 38 escorteerde het twaalf transportschepen naar Greenock, waar het konvooi op 17 augustus aankwam; Arkansas keerde 4 september terug. Daarna volgden een Schotlandkonvooi, in november een konvooi naar Noord-Afrika en van februari tot april 1943 twee reizen naar Casablanca.
Na tijdelijk als opleidingsschip te hebben gediend, hervatte Arkansas de Atlantische konvooidienst. Van oktober tot december 1943 lag het bij Bangor in Noord-Ierland. Reparaties en een laatste overtocht volgden in januari en februari 1944. Arkansas bewaakte de konvooiformatie tegen oppervlakteaanvallen, terwijl escorteschepen de actieve onderzeebootbestrijding uitvoerden.
Landingen in Europa
Op 18 april 1944 vertrok Arkansas naar Noord-Ierland voor Overlord en vormde met Texas en vijf torpedobootjagers Group II. De waarnemingsvliegers vlogen tijdelijk bij VOS-7 met Spitfires vanaf Lee-on-Solent; katapultvliegtuigen werden hiervoor boven Normandië niet gebruikt. Op 6 juni lag het ongeveer 3.700 meter uit Omaha Beach. Om 05.52 uur opende het voor het eerst het vuur op een vijand.
Tot 13 juni bestookte Arkansas artillerie, versterkingen en troepenconcentraties bij Omaha en daarna doelen bij Grandcamp-les-Bains. Op 25 juni ondersteunde het de aanval op Cherbourg. Duitse kustbatterijen vuurden terug, maar misten; de haven gaf zich de volgende dag over. Via Oran en Taranto ging Arkansas naar Zuid-Frankrijk, waar het van 15 tot 17 augustus tijdens Operatie Dragoon vuursteun gaf.
Oorlog in de Stille Oceaan
Na onderhoud in Boston voer Arkansas via Californië, Pearl Harbor en Ulithi naar Task Force 54. Vanaf 16 februari 1945 beschoot het Iwo Jima; na de landing van 19 februari bleef het tot 7 maart vuursteun geven. Vervolgens bevoorraadde het bij Ulithi. Op 25 maart bereikte Arkansas Okinawa en bestookte het doelen voor de landing van 1 april.
Arkansas ondersteunde de strijd bij Okinawa 46 dagen met zijn 305mm-hoofdbatterij. Kamikazevliegtuigen vielen de vloot aan, maar raakten het slagschip niet. Via Guam bereikte het op 16 juni Leyte en kwam het met Texas en drie kruisers in Task Group 95.7. Na de Japanse capitulatie keerde Arkansas op 23 augustus naar Okinawa terug; het ontving vier battle stars.
Na de oorlog
Tijdens Operatie Magic Carpet vervoerde Arkansas Amerikaanse militairen naar huis. De eerste reis bracht ongeveer achthonderd passagiers van Pearl Harbor via de westkust naar Seattle, waar het schip op 15 oktober 1945 aankwam. Daarna maakte het nog drie reizen tussen Pearl Harbor en het Amerikaanse vasteland. Begin 1946 ging Arkansas naar San Francisco en vervolgens naar Bikini, waar het als doelschip aan Operatie Crossroads deelnam.
De luchtexplosie Able op 1 juli veroorzaakte schade aan de bovenbouw, maar het schip bleef drijven. Bij de onderwaterproef Baker op 25 juli lag Arkansas ongeveer 230 meter van het ontploffingspunt. Na de explosie kapseisde en zonk het slagschip. De marine stelde het op 29 juli buiten dienst en schrapte het op 15 augustus 1946 uit het register; het wrak ligt omgekeerd op ongeveer 55 meter diepte in de lagune van Bikini.
Conclusie
USS Arkansas vertegenwoordigde een slagschipontwerp uit de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog en was in 1941 te langzaam voor moderne snelle vlootverbanden. Moderniseringen verbeterden dekbescherming, luchtafweer, radar en vuurleiding, maar veranderden de oorspronkelijke rompindeling en maximumsnelheid niet. Een CIC was uiterlijk tijdens de inzet in de Stille Oceaan aanwezig, zodat de gegevensverwerking niet uitsluitend op optische waarneming berustte. De marine zette Arkansas in voor konvooiescorte en kustbombardementen; voor zelfstandig vlootgevecht en begeleiding van snelle vliegdekschepen was het operationeel verouderd.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Robert Enrique Muller, Public domain, via Wikimedia Commons
- Adams, Stephen B. (2017). “Arc of Empire: The Federal Telegraph Company, the U.S. Navy, and the Beginnings of Silicon Valley.” Business History Review, 91(2), 329–359. DOI 10.1017/S0007680517000630.
- Campbell, N. J. M. (1998). Jutland: An Analysis of the Fighting. New York: Lyons Press. ISBN 978-1-55821-759-1.
- Davis, J. H. (1982). “Question 24/81.” Warship International, 19(3), 303. ISSN 0043-0374.
- Friedman, Norman (1980). “United States of America.” In Robert Gardiner en Roger Chesneau (red.), Conway’s All the World’s Fighting Ships 1922–1946, 86–166. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-913-9.
- Friedman, Norman (1985). U.S. Battleships: An Illustrated Design History. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-715-9.
- Friedman, Norman (1986). “United States of America.” In Robert Gardiner en Randal Gray (red.), Conway’s All the World’s Fighting Ships 1906–1921, 105–133. Londen: Conway Maritime Press. ISBN 978-0-85177-245-5.
- Herwig, Holger (1998, oorspronkelijke uitgave 1980). “Luxury” Fleet: The Imperial German Navy 1888–1918. Amherst: Humanity Books. ISBN 978-1-57392-286-9.
- Ireland, Bernard (1996). Jane’s Battleships of the 20th Century. New York: HarperCollins. ISBN 978-0-00-470997-0.
- Nofi, Albert A. (2010). To Train the Fleet for War: The U.S. Navy Fleet Problems, 1923–1940. Washington, D.C.: Naval War College Press. ISBN 978-1-884733-87-1.
- Rohwer, Jürgen (2005). Chronology of the War at Sea, 1939–1945: The Naval History of World War Two. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-119-8.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









