
Hiei was een kapitaalschip van de Keizerlijke Japanse Marine en behoorde tot de Kongō-klasse. Het schip kwam in 1914 in dienst als slagkruiser, werd later teruggebracht tot trainingsschip en keerde na een grote reconstructie terug als snel slagschip. Tijdens de Tweede Wereldoorlog escorteerde Hiei Japanse vliegdekschepen en nam het deel aan de strijd om Guadalcanal, waar het op 13 november 1942 verloren ging.
Ontwerp en constructie
Hiei was het tweede schip van de Kongō-klasse, een ontwerp van de Britse scheepsarchitect George Thurston. Japan bestelde deze klasse om te beschikken over snelle, zwaarbewapende kapitaalschepen die zowel met de slagvloot konden opereren als zelfstandig taken konden uitvoeren. Het ontwerp sloot nauw aan op Britse bouwpraktijken uit het begin van de twintigste eeuw. Daarom werden verschillende onderdelen, waaronder delen van de bepantsering en artillerie, in Groot-Brittannië vervaardigd, terwijl de bouw zelf plaatsvond bij het Yokosuka Naval Arsenal.
De kiel van Hiei werd gelegd op 4 november 1911, het schip liep van stapel op 21 november 1912 en trad op 4 augustus 1914 in dienst. Bij oplevering bedroeg de standaardwaterverplaatsing 27.500 ton. Het schip was 214,6 meter lang, 28,04 meter breed en had een diepgang van 8,38 meter. De voortstuwing bestond uit Parsons-stoomturbines en 36 ketels met samen 64.000 shp. Daarmee haalde Hiei een topsnelheid van 27,5 knopen en een actieradius van 8.000 zeemijl bij 14 knopen. De bemanning telde ongeveer 1.221 personen.
De reconstructie van 1936 tot 1940 veranderde Hiei ingrijpend. De waterverplaatsing steeg naar ongeveer 36.600 ton en de lengte nam toe tot 222 meter, terwijl de breedte uitkwam op 31 meter. Het vernieuwde machinecomplex bestond uit Kampon-turbines en acht ketels met een vermogen van 136.000 shp. Daardoor lag de topsnelheid met 29,7 knopen hoger dan bij de oorspronkelijke uitvoering. Ook het bereik groeide naar 9.800 zeemijl bij 18 knopen, terwijl de bemanning toenam tot circa 1.360 opvarenden.
Bewapening
Bij indienststelling droeg Hiei acht 356 mm-kanonnen in vier dubbeltorens als hoofdbewapening. Voor gevechten op middellange afstand waren zestien 152 mm-kanonnen aanwezig, aangevuld met acht 76 mm-kanonnen voor lichtere taken. Daarnaast beschikte het schip over acht 533 mm-torpedobuizen. Deze combinatie weerspiegelde het oorspronkelijke karakter van de Kongō-klasse: zware artillerie, hoge snelheid en een bewapening die bruikbaar was in zowel vlootacties als achtervolgingen.
Na de modernisering bleef de hoofdbewapening bestaan uit acht 356 mm-kanonnen, maar de rest van het wapenpakket veranderde duidelijk. Het aantal 152 mm-kanonnen werd teruggebracht tot veertien. Voor luchtafweer en dubbel gebruik kwamen acht 127 mm Type 89-kanonnen aan boord. De lichte luchtafweer bestond uit tien dubbele 25 mm Type 96-opstellingen en twee viervoudige 13 mm-luchtafweermitrailleurs. De torpedobuizen keerden niet terug. Daarmee verschoof de nadruk van oppervlakteaanvallen op korte afstand naar artillerieduels, luchtverdediging en escorte van snelle taakgroepen.
Bepantsering
De bepantsering van Hiei volgde het patroon van een snelle slagkruiser, waarbij snelheid en zware bewapening deels zwaarder wogen dan maximale bescherming. De gordel bedroeg midscheeps 203 mm en liep naar de uiteinden terug tot 76 mm. Het dekpantser was 69,85 mm dik. De dwarsschotten varieerden van 127 tot 228,6 mm, de geschutstorens hadden tot 228,6 mm bescherming en de commandotoren was voorzien van 254 mm pantser. Deze waarden boden bescherming tegen middelzwaar vuur, maar beperkten het verdedigend vermogen tegen zwaardere treffers en moderne luchtbommen.
Tijdens de reconstructie werd vooral de horizontale bescherming verbeterd. Boven munitieruimen, machinekamers en andere vitale secties werd extra dekpantser aangebracht, terwijl delen van de gordel en de interne bescherming werden versterkt. Ook de bescherming rond de magazijnen en de voortstuwing kreeg meer aandacht. Toch bleef het basisontwerp afkomstig van een schip uit de slagkruisertraditie van vóór 1914. Daardoor bereikte Hiei na de verbouwing wel een hoger beschermingsniveau, maar niet het niveau van een geheel nieuw ontworpen slagschip uit de late jaren dertig.
Sensoren en dataverwerking
In de eerste fase van de Tweede Wereldoorlog berustten waarneming en vuurleiding op optische middelen. Hiei beschikte over afstandsmeters, vuurleidingsposten, waarnemingspunten in de bovenbouw en verrekijkers voor doelopsporing en correctie van artillerievuur. Deze middelen functioneerden goed bij helder zicht, maar ze waren sterk afhankelijk van daglicht, zichtlijnen en stabiele weersomstandigheden. Rook, regen, duisternis en verwarring in een nachtgevecht beperkten de bruikbaarheid van dit systeem merkbaar.
In 1942 kreeg Hiei een Type 21 air-search radar, een vroeg Japans radarstelsel dat op grotere oorlogsschepen werd ingevoerd. Deze radar kon grote luchtdoelen op ruime afstand ontdekken, grofweg in de orde van 80 tot 100 kilometer onder gunstige omstandigheden. De nauwkeurigheid bleef echter beperkt, vooral tegen kleine of laag vliegende doelen. Het systeem leverde vooral richting en algemene waarschuwing, maar geen even precieze afstands- en vuurleidingsgegevens als latere geallieerde radars. Daarom bleef optische bevestiging nodig voor veel tactische beslissingen.
Er zijn geen aanwijzingen dat Hiei over een actieve sonar- of asdic-installatie beschikte voor onderzeebootbestrijding. Detectie van onderzeeboten was daardoor in de praktijk een taak van begeleidende torpedobootjagers, die wel met sonar konden zijn uitgerust. Hiei had ook geen Combat Information Center of Air Information Center, zodat radarwaarnemingen, optische meldingen en berichten van andere eenheden niet in één centrale ruimte werden samengebracht. Doctrinair bleef de Japanse marine bovendien sterk leunen op optische waarneming en nachtelijke aanvallen. Naar de militaire maatstaven van 1943 betekende dat een verouderde vorm van commandovoering, vooral in nachtgevechten en bij luchtaanvallen.
Modificaties
Tussen 1929 en 1932 werd Hiei gedemilitariseerd om te voldoen aan de verdragsbeperkingen van Washington en Londen. Het vierde hoofdgeschutstorentje werd verwijderd, net als de torpedobuizen en delen van de pantsergordel. Ook een deel van de ketels verdween, waardoor de snelheid terugviel tot ongeveer 18 knopen. In deze toestand was het schip niet langer geschikt voor moderne gevechtsdienst, maar wel bruikbaar als trainingsschip en als representatief vaartuig voor ceremoniële taken binnen de vloot.
De reconstructie van 1936 tot 1940 herstelde Hiei als volwaardig oorlogsschip. De romp werd aangepast, de machine-installatie volledig vernieuwd en de bescherming uitgebreid. Verder kwamen een moderner vuurleidingssysteem, zwaardere luchtafweer, katapulten en watervliegtuigen aan boord. Deze werkzaamheden veranderden Hiei van een gedeclasseerd opleidingsschip in een snel slagschip dat kon meegaan met vliegdekschipstrijdkrachten. De modernisering vergrootte vooral de snelheid, het uithoudingsvermogen en de inzetbaarheid in een oorlog op grote afstand.
Status schip tijdens de oorlog
Na de reconstructie was Hiei geschikt voor de snelle operaties waarmee Japan de oorlog in de Stille Oceaan begon. De snelheid sloot aan op die van de vliegdekschepen die het schip escorteerde, terwijl de hoofdbewapening nog steeds voldoende zwaar was voor bombardementen en oppervlaktegevechten. Tegelijk bleef het schip afhankelijk van een ontwerp uit de jaren voor de Eerste Wereldoorlog. Dat betekende dat de bescherming, de interne indeling en de informatieverwerking niet volledig op het niveau lagen van later gebouwde slagschepen.
Tijdens de oorlog werden geen nieuwe ingrijpende verbouwingen meer uitgevoerd zoals in de jaren dertig. Wel volgden onderhoudsbeurten, herstelwerk en uitbreiding van de luchtafweer, vooral na de mislukte operatie bij Midway. Omdat Hiei in 1940 grondig was herbouwd, begon het schip de oorlog in recent gereconstrueerde staat. Het hoge operationele tempo van 1942 beperkte daarna de tijd voor langdurig werfonderhoud. Vanuit het perspectief van 1943 gold Hiei, door het ontbreken van een Combat Information Center en de bescheiden radarcapaciteit, als operationeel verouderd.
Operationele geschiedenis
Eerste Wereldoorlog en interbellum
Na de indienststelling op 4 augustus 1914 werd Hiei opgenomen in de Derde Slagschipdivisie van de Eerste Vloot. Kort daarna opereerde het schip in de Oost-Chinese Zee en nam het deel aan de Japanse actie tegen de Duitse basis bij Tsingtao. Daarbij kwam Hiei niet in een groot artillerieduel terecht, maar het schip vervulde wel zijn rol binnen de blokkade- en patrouilleactiviteiten. In de jaren daarna bleef het vooral actief in Oost-Aziatische wateren, met patrouilles langs de Chinese en Koreaanse kust en deelname aan oefeningen van de slagvloot.
In september 1923 werd Hiei ingezet bij de noodhulp na de Grote Kantō-aardbeving. Het schip vervoerde personeel en hulpgoederen naar getroffen gebieden en ondersteunde daarmee binnenlandse noodoperaties. Daarna keerde Hiei terug naar de gebruikelijke combinatie van vlootoefeningen, inspecties en havenbezoeken. De situatie veranderde toen verdragsbeperkingen Japan dwongen het aantal volledig bewapende slagschepen te beperken. Hiei werd daarom aangewezen voor demilitarisatie en ombouw tot trainingsschip.
De ombouw tussen 1929 en 1932 verlaagde de gevechtswaarde van Hiei sterk. De verwijdering van het achterste hoofdgeschut, de torpedobuizen, delen van de bepantsering en meerdere ketels bracht de snelheid terug tot ongeveer 18 knopen. Vervolgens werd het schip gebruikt voor opleiding en voor ceremoniële taken, waaronder vlootreviews en staatsbezoeken waarbij leden van de keizerlijke familie aanwezig waren. Nadat Japan zich in de jaren dertig van de verdragsbeperkingen losmaakte, besloot de marine in 1937 Hiei volledig te reconstrueren en opnieuw gereed te maken voor gevechtsdienst.
Vroege oorlogsjaren in de Stille Oceaan
De reconstructie werd in januari 1940 voltooid, waarna Hiei opnieuw als snel slagschip werd ingedeeld. In november 1941 maakte het schip deel uit van de Derde Slagschipdivisie binnen de aanvalsmacht van viceadmiraal Chuichi Nagumo. Tijdens de aanval op Pearl Harbor op 7 december 1941 escorteerde Hiei de Japanse vliegdekschepen op de heen- en terugtocht. Het schip nam geen zelfstandig bombardement op de basis voor zijn rekening, maar maakte deel uit van de beschermende slagschipkern van de operatie.
In januari 1942 werd Hiei ingezet ter ondersteuning van Japanse operaties tegen Rabaul en Kavieng. Het schip opereerde daarbij in de dekking van de uitbreidende Japanse perimeter in de zuidwestelijke Stille Oceaan. In april volgde deelname aan de raid in de Indische Oceaan, waarbij de Japanse vloot Ceylon aanviel en zware druk uitoefende op Britse zeestrijdkrachten en haveninstallaties. Hiei trad opnieuw vooral op als escorte- en steunplatform binnen een grotere taakgroep, niet als zelfstandig opererend slagschip op afstand van de hoofdmacht.
In mei 1942 werd Hiei toegewezen aan de ondersteuningsmacht voor de operatie tegen Midway onder admiraal Nobutake Kondō. De bedoeling was dat deze eenheden de invasievloot zouden dekken en zo nodig artilleriesteun zouden leveren zodra een landing mogelijk werd. Na het verlies van vier Japanse vliegdekschepen werd de onderneming afgebroken en keerde Hiei terug voor onderhoud en verdere aanpassing van de luchtafweer. In augustus escorteerde het schip Japanse carriers tijdens de Slag bij de Oostelijke Salomonseilanden en in oktober tijdens de Slag bij de Santa Cruz-eilanden. In beide gevallen bleef Hiei inzetbaar, maar de Japanse verliezen aan vliegtuigbemanningen namen toe.
Guadalcanal en verlies
In november 1942 werd Hiei onder viceadmiraal Hiroaki Abe ingedeeld in een bombardementsgroep die Henderson Field op Guadalcanal moest uitschakelen. Naast Hiei bestond deze formatie uit het zusterschip Kirishima, lichte kruisers en torpedobootjagers. Het doel was het vliegveld tijdelijk buiten werking stellen, zodat Japan versterkingen en voorraden veiliger naar het eiland kon brengen. Deze opdracht paste in de bredere Japanse poging om het initiatief rond Guadalcanal te herwinnen.
In de nacht van 12 op 13 november 1942 stuitte de Japanse groep onverwacht op een Amerikaanse taskforce van zware kruisers, lichte kruisers en torpedobootjagers onder schout-bij-nacht Daniel J. Callaghan. Het gevecht vond plaats op zeer korte afstand, in verwarrende omstandigheden en zonder centrale informatieverwerking. Hiei kreeg meerdere treffers in de bovenbouw en in de buurt van de stuurinrichting, onder meer door vuur van USS San Francisco. Daardoor verloor het schip de mogelijkheid om goed te manoeuvreren. In het gevecht gingen onder meer USS Atlanta en USS Monssen verloren, maar de geplande beschieting van Henderson Field werd niet uitgevoerd.
Bij daglicht op 13 november werd de toestand van Hiei snel slechter. Vliegtuigen van Henderson Field en toestellen van USS Enterprise vielen het beschadigde schip herhaaldelijk aan. Bom- en torpedotreffers veroorzaakten verdere overstromingen, branden en mechanische uitval. Omdat Hiei zijn koers moeilijk kon houden en de snelheid afnam, werd herstel op open zee steeds minder haalbaar. Tegen de avond werd besloten de bemanning grotendeels over te zetten op begeleidende torpedobootjagers. Daarna werd Hiei door Japanse eenheden tot zinken gebracht om gevangenneming te voorkomen. Ongeveer 188 bemanningsleden kwamen om. Het verlies was het eerste Japanse slagschipverlies van de oorlog.
Conclusie
Hiei doorliep drie fasen: een begin als snelle slagkruiser, een tussenperiode als gedeclasseerd trainingsschip en een terugkeer als snel slagschip na de reconstructie van 1936 tot 1940. In 1941 en 1942 was het schip nog inzetbaar voor escorte, vlootdekking en kustbombardementen. De combinatie van optisch georiënteerde waarneming, beperkte radarprestaties en het ontbreken van een Combat Information Center betekende echter dat Hiei volgens de militaire normen van 1943 als verouderd gold. Het verlies bij Guadalcanal sloot de loopbaan af van een schip dat technisch was aangepast, maar informatief en doctrinair niet volledig was meegegroeid met de eisen van de moderne zeeoorlog.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: 日本語: 呉廠造船部(呉海軍工廠造船部)English: Kure Naval Arsenal Shipbuilding unit, Public domain, via Wikimedia Commons
- Frank, Richard (1990). Guadalcanal: The Definitive Account of the Landmark Battle. New York: Random House. ISBN 0-394-58875-4.
- Gardiner, Robert; Gray, Randal, eds. (1985). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1906–1921. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-907-3.
- Hammel, Eric (1988). Guadalcanal: Decision at Sea: The Naval Battle of Guadalcanal, November 13–15, 1942. Pacifica, CA: Pacifica Press. ISBN 0-517-56952-3.
- Jackson, Robert (2000). The World’s Great Battleships. London: Brown Books. ISBN 1-897884-60-5.
- Jackson, Robert, ed. (2008). 101 Great Warships. London: Amber Books. ISBN 978-1-905704-72-9.
- Lengerer, Hans (2025). “The Reconstruction of the Battle Fleet of the Imperial Japanese Navy Between the Wars, Part I”. In Jordan, John (ed.). Warship 2025. London: Bloomsbury Publishing. ISBN 978-1-4728-6854-1.
- Lengerer, Hans; Ahlberg, Lars (2019). Capital Ships of the Imperial Japanese Navy 1868–1945: Ironclads, Battleships and Battle Cruisers: An Outline History of Their Design, Construction and Operations. Vol. I: Armourclad Fusō to Kongō Class Battle Cruisers. Zagreb: Despot Infinitus. ISBN 978-953-8218-26-2.
- McCurtie, Francis (1989) [1945]. Jane’s Fighting Ships of World War II. London: Bracken Books. ISBN 1-85170-194-X.
- McLaughlin, Stephen (2003). Russian & Soviet Battleships. Annapolis, MD: Naval Institute Press. ISBN 1-55750-481-4.
- Moore, John (1990) [1919]. Jane’s Fighting Ships of World War I. London: Studio Editions. ISBN 1-85170-378-0.
- Morison, Samuel Eliot (1958). The Struggle for Guadalcanal, August 1942 – February 1943 (History of United States Naval Operations in World War II, Vol. 5). Boston: Little, Brown and Company. ISBN 0-316-58305-7.
- Schom, Alan (2004). The Eagle and the Rising Sun: The Japanese-American War, 1941–1943. New York: Norton & Company. ISBN 0-393-32628-4.
- Stille, Mark (2008). Imperial Japanese Navy Battleship 1941–1945. Oxford: Osprey Publishing. ISBN 978-1-84603-280-6.
- Whitley, M. J. (1998). Battleships of World War Two: An International Encyclopedia. Annapolis, MD: Naval Institute Press. ISBN 1-55750-184-X.
- Willmott, H. P. (2002). The Second World War in the Far East. Washington, D.C.: Smithsonian Books. ISBN 0-304-36127-5.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.









