Home Wapensystemen Geleide Wapens Hagelkorn: Duitse geleide wapens en bommen 1914-1945

Hagelkorn: Duitse geleide wapens en bommen 1914-1945

Siemens-Schuckert torpedozwever nr 7 met zichtbare torpedo in vluchtconfiguratie tijdens testfase in de Eerste Wereldoorlog
SSW torpedozwever nummer 7 met torpedo zichtbaar in vluchtstand tijdens test

Duitsland begon al in de Eerste Wereldoorlog met proeven voor geleide torpedo’s en glijbommen. Siemens-Schuckert ontwikkelde draadgeleide torpedozwevers voor inzet vanaf Zeppelins, terwijl Blohm und Voss in de Tweede Wereldoorlog werkte aan de BV 143 en de Hagelkorn. Geen van deze wapens kreeg een vaste operationele rol, maar samen tonen zij hoe vroeg het streven naar precisiewapens al bestond.

Ontwikkeling in de Eerste Wereldoorlog

Siemens-Schuckert en de eerste torpedozwevers

De vroegste Duitse stap richting geleide luchtwapens kwam van Siemens-Schuckert Werke. Vanaf 1914 werd gewerkt aan een torpedozwever die een marinetorpedo met een draagvlak en besturing combineerde. Het doel was niet om het wapen als glijbom in een schip te laten slaan, maar om het na een geleide glijvlucht in het water te laten komen, zodat de torpedo daarna zijn gewone loop naar het doel kon voortzetten. Voor die tijd was dat een ongewoon concept, omdat het luchtvaart, marinetechniek en afstandsbesturing in één project samenbracht.

De besturing verliep via dunne draden die tijdens de vlucht achter het wapen werden afgespoeld. Daarmee kon een bedienaar koerscorrecties doorgeven zolang de verbinding intact bleef. In de eerste fasen werd met kleine modellen gewerkt, waarna grotere uitvoeringen volgden. De ontwikkeling liep van lichte proefmodellen naar zwaardere toestellen, waaronder tweedekkers en later grotere torpedozwevers die in de richting van een operationeel wapen gingen. De constructie moest tegelijk licht genoeg zijn om gedragen te worden en sterk genoeg om een torpedo veilig mee te voeren.

Proeven, bereik en beperkingen

De proefnemingen vonden zowel op de grond als vanuit de lucht plaats. Al vóór de laatste oorlogsjaren waren tientallen kleine glijbommen en torpedovarianten getest, waarna grotere exemplaren aan Zeppelins werden gehangen. Daarbij bleek dat een geleide glijvlucht in beginsel mogelijk was. Een van de bekendste proeven vond in 1918 plaats met een zwaar toestel dat na loslating meerdere kilometers vloog voordat de geleidingsdraad brak. Zulke testen lieten zien dat het systeem technisch uitvoerbaar was, maar ook dat de marges klein bleven en storingen snel tot verlies van het wapen leidden.

Toch kwam het project niet verder dan het proefstadium. Daarvoor waren meerdere redenen. De draadverbinding was kwetsbaar, de bestuurbaarheid bleef beperkt en het geheel vereiste een complexe samenwerking tussen luchtschip, bedienaar en wapen. Bovendien moesten lancering, glijvlucht, loskoppeling van het draagframe en de overgang naar de torpedoloop allemaal achtereen slagen. In oorlogsomstandigheden was dat een hoge eis. Tegen het einde van 1918 was duidelijk dat het idee vooruitliep op de beschikbare techniek. De proeven leverden waardevolle ervaring op, maar geen inzetbaar wapen voor de Keizerlijke Marine.

Ontwikkeling in de Tweede Wereldoorlog

Blohm und Voss en de zoektocht naar een afwerpwapen op afstand

In de jaren voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het Duitse werk aan geleide en halfgeleide luchtwapens hervat. Blohm und Voss hoorde daarbij tot de ondernemingen die antischeepswapens voor afworp op afstand onderzochten. De achtergrond was duidelijk: aanvallen met conventionele torpedo’s of bommen dwongen vliegtuigen laag en dicht op hun doel te vliegen, terwijl schepen steeds zwaarder luchtafweergeschut kregen. Een wapen dat eerder kon worden losgelaten en daarna zelfstandig of halfzelfstandig verder vloog, bood daarom een militair voordeel.

Niet elk vroeg Blohm und Voss-ontwerp was al een volledig geleid wapen. Een deel van de projecten uit deze fase moet eerder worden gezien als gyroscopisch gestabiliseerde of vooraf ingestelde afwerpwapens dan als volwaardige na de lancering corrigeerbare torpedo’s. Juist die overgang van een berekende glijvlucht naar echte geleiding bepaalt het verschil tussen de experimentele ontwerpen uit de late jaren dertig en de latere glijbommen met radio- of zoekgeleiding.

De BV 143 als vroege antischeepsproef

Binnen dat kader verscheen vanaf 1939 de BV 143, een vroeg antischeepsprojectiel dat een glijvlucht combineerde met een korte raketaandrijving in de eindfase. Het wapen was bedoeld om op enige afstand van het doel te worden afgeworpen, vervolgens naar zeer lage hoogte boven zee te dalen en daarna vlak boven het water door te vliegen tot aan de inslag boven de waterlijn. Daarmee was de BV 143 geen gewone luchtgelanceerde torpedo, maar een tussenstap tussen een glijbom en een laagvliegend antischeepswapen.

De BV 143 had een sigaarvormige romp, rechte vleugels en een kruisstaart. Een gyroscopisch systeem hield het wapen op koers. Het opvallendste onderdeel was de voelarm onder de romp. Zodra die arm de zee raakte, moest de raketmotor worden ontstoken en het wapen in een vlakke eindvlucht brengen. In theorie zou het projectiel zo net boven het wateroppervlak blijven en de zijkant van een schip raken. Dat idee sloot aan bij het streven om luchtafweer te ontwijken en tegelijk de trefkans tegen koopvaardij- en marinedoelen te vergroten.

In de praktijk bleek deze oplossing te kwetsbaar. De hoogtebeheersing op zeer lage hoogte was moeilijk, omdat golfslag, snelheid en de beperkte lengte van de voelarm elkaar ongunstig beïnvloedden. Ook latere proeven met nauwkeuriger hoogtemeting brachten geen doorbraak. De testreeks bij Peenemünde liet vooral zien hoe moeilijk het was om een wapen stabiel te houden in de overgang van glijvlucht naar aangedreven eindvlucht. De vroege proefreeks eindigde herhaaldelijk in mislukte aanvallen en waterinslagen. Storingen, mislukte ontstekingen en onbetrouwbare hoogteregeling verhinderden dat de BV 143 een bruikbaar operationeel systeem werd. De ontwikkeling werd uiteindelijk verlaten.

He 111 bommenwerper werpt Blohm und Voss BV 143 experimentele glijbom af tijdens testvlucht van de Luftwaffe in 1941
Heinkel He 111 tijdens test waarbij een Blohm und Voss BV 143 glijbom wordt afgeworpen, Luftwaffe 1941

Van BV 226 naar BV 246 Hagelkorn

Een andere lijn binnen Blohm und Voss leidde naar de Hagelkorn, eerst bekend als BV 226 en later als BV 246. Dit wapen was geen luchtgelanceerde torpedo, maar een glijbom met groot bereik. De romp was ongeveer 3,5 meter lang en de spanwijdte circa 6,4 meter. Opvallend waren de smalle vleugels met hoge slankheid. Die waren opgebouwd rond een stalen kern en voorzien van een gegoten betonnen profiel. Dat maakte de Hagelkorn zwaar, maar leverde ook een zeer gunstige glijverhouding op van ongeveer 25 op 1. Bij afworp vanaf grote hoogte kon daardoor een grote afwerpafstand van omstreeks 200 kilometer worden benaderd.

De voorste romphelft bevatte de springlading en de achterste helft de besturing. Vroege uitvoeringen hadden een kruisstaart; latere versies kregen een dubbele staartvinopstelling. Het ontwerp was aerodynamisch schoon en bedoeld voor lancering buiten het onmiddellijke bereik van scheeps- of gronddoelafweer. Daarin verschilde de Hagelkorn van de BV 143. Waar de BV 143 mikte op een lage eindaanval boven zee, was de Hagelkorn vooral opgezet als lang glijdend precisiewapen dat op afstand kon worden losgelaten.

Geleiding, storingen en proefinzet

De technische kern van de Hagelkorn lag in de combinatie van stabiele glijvlucht en gerichte besturing. Gyrostabilisatie was noodzakelijk om het wapen bestuurbaar te houden, maar daarmee alleen was de trefnauwkeurigheid onvoldoende. Daarom werd gewerkt met radiogeleiding en later ook met andere systemen, waaronder infrarood en passieve radarhoming. Juist dat geleidingsvraagstuk bepaalde het lot van de Hagelkorn. Het bereik was op papier aantrekkelijk, maar zonder betrouwbare besturing bood het vooral theoretische meerwaarde.

Britse en geallieerde elektronische tegenmaatregelen waren een extra probleem. Duitse radio- en straalgeleide wapens ondervonden in de oorlog steeds vaker storing en misleiding. Voor de Hagelkorn betekende dat dat een stabiele, storingsbestendige verbinding of een voldoende zelfstandige zoeker nodig was. Die combinatie bleek moeilijk haalbaar. De Luftwaffe had daardoor weinig vertrouwen in een snelle invoering. Wel kwamen de proefnemingen ver genoeg om de Hagelkorn door Heinkel He 111-bommenwerpers, Junkers Ju 88-toestellen en in een latere fase ook Focke-Wulf Fw 190-jachtbommenwerpers te laten afwerpen.

De productie begon ondanks die onzekerheden wel op gang te komen, vooral vanaf eind 1943. In de literatuur worden voor de BV 246 zowel meer dan duizend gebouwde exemplaren als een veel kleiner aantal werkelijk beproefde wapens genoemd. Dat verschil hangt samen met het onderscheid tussen gebouwde lichamen, proefbommen en wapens die daadwerkelijk met een bruikbaar geleidingssysteem konden worden ingezet. Vast staat dat de Hagelkorn niet uitgroeide tot een standaardwapen. Het project werd begin 1944 teruggeschroefd en bereikte geen vaste operationele plaats binnen de Luftwaffe.

Blohm und Voss BV 246 glijbom tentoongesteld in RAF Museum Cosford met lange vleugels en slanke romp uit de Tweede Wereldoorlog
Blohm und Voss BV 246 glijbom tentoongesteld in het RAF Museum in Cosford

De Radieschen-proeven

Helemaal verdwenen was de Hagelkorn daarmee niet. In 1945 werd een kleine proefreeks uitgevoerd met een aangepaste BV 246 die voorzien was van het passieve radargeleidingssysteem Radieschen. Dit systeem was bedoeld om zich te richten op de uitzendingen van geallieerde radarstations. Daarmee verschoof de rol van de Hagelkorn van een algemeen precisiewapen naar een vroeg anti-radarconcept. Het wapen hoefde dan niet langer uitsluitend via een radioverbinding vanaf het draagvliegtuig te worden geleid, maar kon in de eindfase op een elektromagnetische bron afgaan.

De resultaten bleven gemengd. Een deel van de proefwapens werkte naar behoren en toonde dat het beginsel bruikbaar kon zijn, terwijl andere exemplaren faalden door problemen in de stuurautomaat en de integratie van de zoeker. Dat patroon past in de bredere Duitse ontwikkeling van geleide wapens: de concepten waren vaak vooruitstrevend, maar de betrouwbaarheid bleef achter. Tegen de tijd dat de Radieschen-proeven plaatsvonden, was de oorlogssituatie bovendien zo verslechterd dat een verdere uitbouw niet meer realistisch was.

Waarom bleef inzet beperkt?

Technische drempels

De Duitse experimenten met geleide bommen en torpedo’s leden in beide oorlogen onder dezelfde hoofdproblemen. Het eerste probleem was besturing. Een wapen met groot bereik had alleen zin als het onderweg stabiel bleef en in de laatste fase nog nauwkeurig op het doel kon worden gebracht. Bij Siemens-Schuckert bleek de draadgeleiding kwetsbaar en arbeidsintensief. Bij Blohm und Voss bleek juist de combinatie van glijvlucht, laagtecontrole, gyrostabilisatie en storingsvrije geleiding moeilijk te beheersen. In alle gevallen was de foutmarge te klein voor een betrouwbaar frontwapen.

Een tweede drempel was de integratie van verschillende technieken in één systeem. De Duitse ontwerpers moesten luchtframe, springlading, hoogtemeting, aandrijving, besturing en draagvliegtuig op elkaar afstemmen. Dat was niet alleen een ontwerpprobleem, maar ook een productieprobleem. Bij elk onderdeel kon een storing het hele systeem waardeloos maken. De geschiedenis van de BV 143 laat dat goed zien: het basisidee was helder, maar de overgang van theoretische werking naar herhaalbare prestaties mislukte.

Operationele en strategische factoren

Naast de techniek speelde de oorlogssituatie een grote rol. Duitsland ontwikkelde in de Tweede Wereldoorlog meerdere concurrerende geleide wapens tegelijk, waaronder ook systemen die verder kwamen dan de BV 143 en de Hagelkorn. In zo’n omgeving kregen projecten met een onzekere uitkomst minder voorrang. Voor de luchtmacht telde niet alleen of een wapen nieuw was, maar ook of het snel in aantallen inzetbaar werd, of het door bemanningen kon worden gebruikt en of het bestand was tegen geallieerde tegenmaatregelen. De BV 246 scoorde op die punten onvoldoende.

Daar komt bij dat de geallieerden de Duitse radio- en navigatiesystemen steeds beter leerden verstoren. Daardoor verschoof de nadruk van eenvoudige radiogeleiding naar complexere, moeilijker te ontwikkelen oplossingen. De Radieschen-proeven tonen die verschuiving goed aan. Wat in 1914 of 1939 nog een veelbelovend concept leek, botste in 1944 en 1945 op een veel verder gevorderde elektronische oorlogvoering. De Duitse projecten waren daardoor vaak technisch interessant, maar militair te laat of te onbetrouwbaar.

Historische betekenis

Hoewel deze wapens nauwelijks gevechtswaarde kregen, hebben zij wel historische betekenis. De Siemens-proeven behoren tot de vroegste pogingen om een luchtgelanceerd wapen tijdens de vlucht te corrigeren. De BV 143 laat zien hoe vroeg werd gezocht naar aanvallen op scheepvaart vanaf grotere afstand. De Hagelkorn bracht daar een ander element aan toe: een glijbom met groot bereik en experimenten met alternatieve geleiding, waaronder passieve radarhoming. In die zin vormen deze projecten geen rechte ontwikkelingslijn naar latere precisiewapens, maar wel een belangrijk beginpunt in de geschiedenis van afstandsgeleide munitie.

Conclusie

De Duitse ontwikkeling van geleide bommen en torpedo’s begon niet in 1943, maar al tijdens de Eerste Wereldoorlog. Siemens-Schuckert probeerde vanaf Zeppelins draadgeleide torpedozwevers inzetbaar te maken, terwijl Blohm und Voss in de Tweede Wereldoorlog verderging met antischeeps- en glijbomconcepten als de BV 143 en de BV 246 Hagelkorn. Deze projecten maakten duidelijk dat afstandsbesturing, gyrostabilisatie, hoogteregeling en doelgeleiding al vroeg samen werden gedacht. Tegelijk bleek dat de techniek nog onvoldoende rijp was. Daardoor bleven de wapens in de proef- of voorseriefase steken en kregen zij nauwelijks operationele betekenis. Hun belang ligt daarom vooral in de vroege geschiedenis van het precisiewapen.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding 1: See page for author, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Afbeelding 2: Unknown Luftwaffe photographer, Public domain, via Wikimedia Commons
  3. Afbeelding: Rcawsey, Public domain, via Wikimedia Commons
  4. Sollinger, Gunther (2010). “The Development of Unmanned Aerial Vehicles in Germany (1914–1918).” Scientific Journal of Riga Technical University. Transport and Engineering, 16, 24–31. ISSN 1407-8015.
  5. Herris, Jack (2014). Siemens-Schuckert Aircraft of WWI: A Centennial Perspective on Great War Airplanes. Reno: Aeronaut Books. ISBN 978-1-935881-23-0.
  6. Friedman, Norman (2011). Naval Weapons of World War One. Barnsley: Seaforth Publishing. ISBN 978-1-84832-100-7.
  7. Pohlmann, Hermann (1979). Chronik eines Flugzeugwerkes: 1932–1945; Blohm u. Voss Hamburg, Hamburger Flugzeugbau GmbH. Stuttgart: Motorbuch-Verlag. ISBN 978-3-87943-624-8.
  8. Zaloga, Steven J. (2019). German Guided Missiles of World War II: Fritz-X to Wasserfall and X4. Oxford: Osprey Publishing. ISBN 978-1-4728-3179-8.
  9. Forsyth, Robert (2021). Luftwaffe Special Weapons 1942–45. Oxford: Osprey Publishing. ISBN 978-1-4728-3982-4.
  10. Saxon, Timothy D. (2003). “Kehl: The German Use of Guided Weapons against Naval Targets 1943–44.” Defence Studies, 3(1), 1–16. DOI 10.1080/14702430308405049.
  11. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.
Previous articleTameichi Hara: Japanse destroyerkapitein 1941–1945
Next articleNobutake Kondō: Japanse admiraal tijdens WOII
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in de Tweede Wereldoorlog. Sommigen hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring en strategisch inzicht mee, terwijl anderen een academische of wetenschappelijke opleiding hebben gevolgd, zoals aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) of in historisch onderzoek. Deze combinatie van expertise zorgt voor diepgaande, goed onderbouwde artikelen die zowel feitelijk accuraat als analytisch sterk zijn. De redactie streeft ernaar om objectieve en goed gedocumenteerde informatie te bieden, waarbij kennis en ervaring samenkomen om een genuanceerd beeld te schetsen van deze ingrijpende periode in de geschiedenis.