Home Schepen Onderzeeboten USS Grenadier (SS-210): inzet en ondergang

USS Grenadier (SS-210): inzet en ondergang

USS Grenadier (SS-210) voor de kust van Portsmouth, New Hampshire, op 27 december 1941.
USS Grenadier (SS-210) voor Portsmouth, New Hampshire, op 27 december 1941.

USS Grenadier (SS-210) was een Amerikaanse diesel-elektrische onderzeeboot van de Tambor-klasse, gebouwd voor langeafstandspatrouilles in de Stille Oceaan. Zij kwam in 1941 in dienst. Zij voerde zes oorlogspatrouilles uit en werd op 22 april 1943 bij de Straat van Malakka door de eigen bemanning tot zinken gebracht. Alle 76 opvarenden overleefden het verlies van het schip, maar vier stierven later in Japanse krijgsgevangenschap.

Ontwerp en constructie

Grenadier was de eerste eenheid van de United States Navy die werd genoemd naar de grenadiervis, een diepzeevis die verwant is aan de kabeljauw. De Tambor-klasse was ontworpen als vlootonderzeeboot met voldoende snelheid en bereik om samen met de Amerikaanse slagvloot in de Grote Oceaan te opereren. De romp combineerde een gestroomlijnde buitenromp met een drukvaste binnenromp. De berekende maximale operationele duikdiepte bedroeg ongeveer 76 meter.

De onderzeeboot had een standaardwaterverplaatsing van 1.475 long ton aan de oppervlakte en ongeveer 2.370 long ton onder water. De lengte bedroeg 93,6 meter en de grootste breedte 8,3 meter, terwijl de diepgang met belading en duiktrim varieerde. Vier Fairbanks-Morse-dieselmotoren dreven generatoren aan voor de elektrische voortstuwing en het laden van twee grote batterijgroepen. Vier elektromotoren brachten het vermogen via reductiekasten over op twee schroefassen.

De maximumsnelheid bedroeg ongeveer 20,4 knopen aan de oppervlakte en 8,75 knopen onder water. Bij een vaart van 10 knopen kon Grenadier aan de oppervlakte ongeveer 11.000 zeemijl afleggen. Onder water was de vaart afhankelijk van de batterijen; bij 2 knopen gold voor de klasse een duur van ongeveer 48 uur. De oorspronkelijke bemanningssterkte bedroeg zes officieren en 54 manschappen, maar tijdens de laatste patrouille bevonden zich acht officieren en 68 manschappen aan boord.

De kiel werd op 2 april 1940 gelegd bij Portsmouth Navy Yard in Kittery, Maine. Op 29 november 1940 volgde de tewaterlating, met Virginia E. Anderson als doopster; zij was de echtgenote van schout-bij-nacht Walter S. Anderson, directeur van de Amerikaanse marine-inlichtingendienst. Grenadier werd op 1 mei 1941 in dienst gesteld onder luitenant-ter-zee Allen R. Joyce. Na proefvaarten in het Caribisch gebied keerde de boot op 5 november 1941 terug naar Portsmouth voor een onderhoudsperiode.

Bewapening

De hoofdbewapening bestond uit tien torpedobuizen van 533 millimeter, waarvan zes in de boeg en vier in de achterste torpedokamer. De boot kon 24 torpedo’s meenemen, zodat zowel vanuit de boeg als vanuit de achterste sector aanvallen mogelijk waren. In de eerste oorlogsjaren waren vooral Mark 14-torpedo’s beschikbaar, die aanvankelijk technische problemen met diepte-instelling en ontsteking vertoonden. De grote torpedokamers maakten opslag van alle reservetorpedo’s binnen de drukromp mogelijk.

Voor optreden aan de oppervlakte droeg Grenadier een 3-inch/50-dekkanon, overeenkomend met een kaliber van 76 millimeter. Dit kanon was bedoeld tegen kleinere koopvaarders en vaartuigen waarvoor geen torpedo hoefde te worden gebruikt. Lichte mitrailleurs dienden voor nabijverdediging tegen vliegtuigen en kleine schepen. Bij het verlies in april 1943 beschikte de boot volgens het officiële schaderapport over twee 20mm-kanonnen en twee mitrailleurs van .30 inch.

Grenadier kon daarnaast zeemijnen vervoeren en via de torpedobuizen uitzetten. Deze mogelijkheid werd tijdens de vierde oorlogspatrouille gebruikt voor het leggen van een mijnenveld bij Haiphong in Frans-Indochina. De bewapening was afgestemd op aanvallen vanuit hinderlagen, meestal na waarneming met periscoop, radar of hydrofoon. Voor langdurige artilleriegevechten aan de oppervlakte bood het ontwerp geen passende bescherming.

Sensoren en dataverwerking

Grenadier kreeg tijdens de oorlog SD-luchtwaarschuwingsradar en SJ-oppervlakteradar. De SD gaf afstandswaarschuwingen voor naderende vliegtuigen, maar leverde bij vroege uitvoeringen geen nauwkeurige peiling. De SJ kon richting en afstand van oppervlakteschepen bepalen en maakte nachtelijke waarneming buiten zicht mogelijk. Uit het schaderapport van april 1943 blijkt dat de SJ-installatie na de luchtaanval uiterlijk onbeschadigd leek, maar door de uitval van de systemen niet kon worden getest.

Onder water gebruikte de boot de gebruikelijke JK/QC-sonarcombinatie van Amerikaanse vlootonderzeeboten. De JK werkte als passieve hydrofoon en ving onderwatergeluid van schroeven en machines op, terwijl de QC zowel luisterend als actief met geluidspulsen kon worden gebruikt. Actief zenden kon de positie van de onderzeeboot prijsgeven en werd daarom beperkt toegepast. Voor dieptemeting beschikte Grenadier over een echolood, waarvan storingen tijdens de vijfde patrouille de vaart door ondiepe kustwateren bemoeilijkten.

De commandoruimte vormde het bestuurlijke centrum voor roerbediening, duikregeling, navigatie en interne communicatie. Daarboven lag in dit ontwerp de kleine commandotoren, waar tijdens een aanval de commandant, periscoopwaarnemers, sonarbedienaren en de bemanning van de Mark III Torpedo Data Computer samenwerkten. Deze elektromechanische rekenmachine verwerkte koers, snelheid, afstand en peiling tot een voortdurend bijgewerkte schietoplossing voor de torpedo’s. Bevelen voor koerswijzigingen, diepte, sensorbediening en torpedolanceringen werden vervolgens doorgegeven aan de betrokken posten.

Modificaties

Grenadier onderging geen volledige verbouwing, maar kreeg tijdens onderhoudsbeurten aanpassingen die voortkwamen uit de eerste oorlogservaringen. De belangrijkste verandering was de plaatsing van de SD- en SJ-radars, omdat de klasse vóór de oorlog zonder deze middelen was ontworpen. Ook werd de lichte luchtafweer versterkt tot twee 20mm-kanonnen, aangevuld met twee .30-inchmitrailleurs. Het 3-inchdekkanon en de tien torpedobuizen bleven tot het verlies behouden.

De wijzigingen vergrootten vooral de waarnemingsmogelijkheden aan de oppervlakte en de verdediging tegen laag aanvallende vliegtuigen. Grenadier kreeg geen snorkel en bleef voor het laden van de batterijen afhankelijk van varen aan de oppervlakte. De constructie van de drukromp, de maximale duikdiepte en de diesel-elektrische aandrijving veranderden niet. Onderhoud en reparaties vonden plaats in Portsmouth, Pearl Harbor en later Fremantle, afhankelijk van de patrouillebasis.

Status schip tijdens de oorlog

Grenadier was bij het begin van de Amerikaanse deelname aan de oorlog nog geen jaar in dienst en was daarom niet operationeel verouderd. De Tambor-klasse vormde de directe technische basis voor de latere Gato-klasse en bezat een groot bereik, tien torpedobuizen, klimaatregeling en een centraal ingerichte aanvalsleiding. De ontworpen duikdiepte van ongeveer 76 meter was wel geringer dan die van later gebouwde Amerikaanse onderzeeboten. Ook bleef de snelheid onder water beperkt door de toenmalige batterijtechniek.

De inzetbaarheid werd tijdens patrouilles beïnvloed door afzonderlijke technische gebreken en gevechtsschade. Tijdens de vierde patrouille drong na een aanval met dieptebommen zeewater tot de batterijen door, waardoor chloorgas ontstond en bemanningsleden hoofdpijn en misselijkheid kregen. Tijdens de vijfde patrouille werkte het echolood niet betrouwbaar in ondiepe wateren bij Borneo. Deze problemen maakten de omstandigheden aan boord zwaarder, maar de boot kon telkens naar Fremantle terugkeren.

Er zijn geen aanwijzingen dat achterstallig onderhoud de ondergang veroorzaakte. De Japanse luchtaanval van 21 april 1943 vervormde de drukromp, beschadigde de hoofdbesturing en zette de schroefassen uit lijn. Zout water bereikte elektrische apparatuur, terwijl in de manoeuvreerruimte brand ontstond. De combinatie van mechanische vervorming, elektrische schade en lekkage maakte voortstuwing en een beheerste duik uiteindelijk onmogelijk.

Operationele geschiedenis

Dienst vóór de oorlog en eerste patrouille

Op 20 juni 1941 nam Grenadier deel aan de zoektocht naar USS O-9, die na een proefduik niet meer bovenkwam. Twee dagen later was de boot aanwezig bij een herdenkingsplechtigheid boven de vindplaats. Na oefeningen in het Caribisch gebied volgde onderhoud in Portsmouth. Minder dan drie weken na de Japanse aanval op Pearl Harbor vertrok Grenadier naar de Stille Oceaan.

De eerste oorlogspatrouille duurde van 4 februari tot 23 maart 1942 en voerde naar de wateren bij Honshu. Grenadier kreeg meerdere Japanse schepen in zicht en viel op 7 maart het vrachtschip Asahisan Maru aan. Het schip raakte beschadigd, maar zonk niet en kon later worden hersteld. De onderzeeboot keerde zonder bevestigde vernietiging naar Pearl Harbor terug.

Tweede en derde patrouille

Onder bevel van luitenant-ter-zee Willis A. Lent begon Grenadier op 12 april 1942 haar tweede patrouille. Zij bewaakte de routes tussen Shanghai en Yokohama en tussen Nagasaki en Formosa. Op 1 mei torpedeerde zij ongeveer 90 zeemijl west-zuidwest van Nagasaki per vergissing het Sovjetkoopvaardijschip Angarstroi. De aanval berustte op een verkeerde identificatie.

Op 8 mei bracht Grenadier de Japanse transportvaarder Taiyō Maru van 14.457 brt tot zinken. Het schip vervoerde materieel en meer dan duizend passagiers voor inzet in bezet Zuidoost-Azië. Onder de doden bevond zich waterbouwkundig ingenieur Yoichi Hatta, ontwerper van het Chianan-irrigatiestelsel en het Wusanto-stuwmeer in Taiwan. Japan verloor hierdoor bestuurders, technici en andere deskundigen voor de bezette gebieden.

Op 25 mei werd Grenadier naar Midway gedirigeerd en in een onderzeebootpatrouillelijn rond het atol opgenomen. Tijdens de Slag bij Midway kreeg zij geen gelegenheid voor een geslaagde aanval. De derde patrouille voerde vervolgens naar het zwaar bewaakte gebied rond Truk. Vijandelijke vliegtuigen verhinderden aanvallen op de ongeveer 28 waargenomen Japanse schepen, waarna Grenadier zonder resultaat naar Fremantle voer.

Vierde en vijfde patrouille

De vierde patrouille duurde van 13 oktober tot 10 december 1942 en stond onder bevel van Bruce L. Carr. Na het leggen van mijnen bij Haiphong viel Grenadier zonder resultaat een vrachtschip aan en kreeg zij dieptebommen te verduren. Op 12 november torpedeerde zij voor Frans-Indochina de Japanse reddingssleepboot Hokkai Maru van 457 brt. Japanse scheepsgegevens vermelden dat de sleepboot zonk, terwijl oudere Amerikaanse overzichten soms alleen schade registreerden.

Op 20 november zag Grenadier in de Straat van Makassar een schip dat werd herkend als een vliegdekschip van het Ryūjō-type. Een kruiser en een torpedobootjager begeleidden het vaartuig. De afstand van ongeveer 8.000 yard was te groot voor een aanval. Grenadier kwam boven water en meldde positie en koers aan Fremantle, zodat andere onderzeeboten werden gewaarschuwd.

De vijfde patrouille liep van 1 januari tot 20 februari 1943 onder bevel van John A. Fitzgerald. Op 10 januari zonk een schoener van ongeveer 75 ton door vuur van het dekkanon. Twee dagen later werden een kleine tanker en een gesleepte aak volgens het patrouillerapport met geschut tot zinken gebracht. Een aanval op twee vrachtschepen op 22 januari mislukte, terwijl een defect echolood de vaart bij Borneo bemoeilijkte.

Zesde patrouille en verlies

Grenadier vertrok op 20 maart 1943 uit Fremantle voor haar zesde patrouille in de Straat van Malakka. Op 6 april meldde Fitzgerald het zinken van een vrachtschip bij Phuket, maar deze claim werd na de oorlog niet bevestigd. In de nacht van 20 op 21 april ontdekte de boot twee koopvaarders en probeerde zij voor hen te komen. Bij daglicht ontdekte een Japans vliegtuig van de 936e luchtgroep de onderzeeboot.

Grenadier maakte een noodduik, maar om 08.37 uur ontplofte een dieptebom boven het achterschip. Stroomvoorziening en voortstuwing vielen uit, waarna de boot op ongeveer 80 meter diepte de zeebodem raakte. In de manoeuvreerruimte ontstond brand en via vervormde afsluitingen en luiken stroomde water binnen. De bemanning bluste, pompte en probeerde in hitte en rook de elektrische installatie te herstellen.

Na ongeveer dertien uur kwam Grenadier in het donker boven water om te ventileren en de schade te onderzoeken. De dieselmotoren werkten nog, maar verbogen schroefassen en beschadigde elektrische besturing maakten varen vrijwel onmogelijk. Een poging om met een noodzeil dichter bij de kust te komen mislukte. Bij zonsopgang op 22 april naderden Japanse vaartuigen, waaronder de nettenlegger Choko Maru.

De bemanning vernietigde geheime stukken en maakte radar, radio, sonar en de torpedorekenmachine onbruikbaar. Tijdens een nieuwe luchtaanval raakten de lichte wapens het vliegtuig. Een afgeworpen torpedo ontplofte ongeveer 180 meter van de boot. Vervolgens opende de bemanning de ontluchtingskleppen, verliet het schip en zag het achtersteven eerst zinken; Choko Maru bracht de acht officieren en 68 manschappen naar Penang.

De gevangenen werden verhoord, geslagen, uitgehongerd en over kampen in Malakka en Japan verdeeld. Zij weigerden gegevens over Amerikaanse onderzeebootoperaties bekend te maken. Op 27 november 1943 bereikte Australië het eerste bericht dat bemanningsleden het zinken hadden overleefd. Van de 76 opvarenden keerden er 72 na de Japanse capitulatie terug; vier mannen stierven tijdens hun gevangenschap.

Na de oorlog

Grenadier ontving vier battle stars voor haar inzet in de Tweede Wereldoorlog. In het Buffalo and Erie County Naval & Military Park in Buffalo, New York, staat een monument voor de onderzeeboot en haar bemanning. Het wrak bleef tientallen jaren buiten beeld, mede doordat de beschikbare posities uit oorlogsverslagen niet volledig overeenkwamen. De locatie bevindt zich in diep en druk bevaren water waar visnetten het duiken bemoeilijken.

Een team van Jean Luc Rivoire, Lance Horowitz, Benoit Laborie en Ben Reymenants begon in oktober 2019 een zes maanden durende zoekexpeditie ter waarde van ongeveer 110.000 dollar. In 2020 meldde het team een rechtopstaand onderzeebootwrak op ongeveer 79 meter diepte, gedeeltelijk bedekt met visnetten. De ligging en zichtbare bouwkenmerken kwamen volgens de duikers overeen met Grenadier, waarna het verzamelde materiaal aan de Naval History and Heritage Command werd aangeboden. De Amerikaanse marine heeft in openbare stukken nog geen definitieve identificatie van het wrak bekendgemaakt.

Conclusie

USS Grenadier was een vooroorlogse Amerikaanse vlootonderzeeboot die bij het uitbreken van de oorlog technisch nog bruikbaar was voor lange patrouilles. Haar ontwerp combineerde een groot oppervlaktebereik, tien torpedobuizen, een Mark III Torpedo Data Computer en later toegevoegde radar. Tijdens zes patrouilles opereerde zij bij Japan, Midway, Truk, Frans-Indochina, Borneo en de Straat van Malakka. De bevestigde resultaten vielen lager uit dan de eerste Amerikaanse oorlogskreditering, maar omvatten in ieder geval het grote transport Taiyō Maru.

Het verlies op 22 april 1943 volgde rechtstreeks op zware schade door een Japanse luchtaanval en niet op technische veroudering of gebrekkig onderhoud. De bemanning voorkwam dat de onderzeeboot en vertrouwelijke apparatuur onbeschadigd in Japanse handen vielen. Alle 76 opvarenden overleefden het zinken, waarna 72 van hen de krijgsgevangenschap doorstonden. Het in 2020 gemelde wrak past bij de bekende locatie en kenmerken van Grenadier, maar een openbare definitieve bevestiging door de Amerikaanse marine ontbreekt.

Bronnen en meer informatie

  1. Friedman, Norman (1995). U.S. Submarines Through 1945: An Illustrated Design History. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-55750-263-6.
  2. Bauer, K. Jack en Roberts, Stephen S. (1991). Register of Ships of the U.S. Navy, 1775–1990: Major Combatants. Westport: Greenwood Press. ISBN 978-0-313-26202-9.
  3. Blair, Clay Jr. (1975). Silent Victory: The U.S. Submarine War Against Japan. Philadelphia: J.B. Lippincott. ISBN 978-0-397-00753-0.
  4. Hinman, Charles R. en Campbell, Douglas E. (2019). The Submarine Has No Friends: Friendly Fire Incidents Involving U.S. Submarines During World War II. Syneca Research Group. ISBN 978-0-359-76906-3.
  5. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946