Georg Heinrich Keppler (Mainz, 7 mei 1894 – Hamburg, 16 juni 1966) was een Duitse beroepsmilitair en politieofficier die vrijwillig lid werd van de NSDAP en later ook vrijwillig toetrad tot de SS. Als SS-Obergruppenführer en generaal in de Waffen-SS voerde hij tijdens de Tweede Wereldoorlog aan het oost- en westfront regimenten, divisies en legerkorpsen aan.
Vroege leven en opleiding
Keppler werd op 7 mei 1894 in Mainz geboren als zoon van Otto Keppler en Amalie Elisabeth Heyke. Zijn vader, geboren op 27 oktober 1854 en overleden op 16 november 1936, was een gepensioneerde Pruisische kolonel. Zijn moeder was geboren op 21 mei 1870.
Na zijn Abitur aan het Altes Gymnasium in Bremen koos hij voor het officiersberoep. Als Fahnenjunker, een officierskandidaat, trad hij op 28 februari 1913 toe tot het Füsilier-Regiment “General-Feldmarschall Prinz Albrecht von Preußen” (Hannoversches) Nr. 73 van het Pruisische leger. Tussen oktober 1913 en mei 1914 volgde hij onderwijs aan de Kriegsschule in Glogau. Op 18 juni 1914 kreeg hij de rang van Leutnant; zijn officierspatent droeg de datum 23 juni 1912.
Deelname aan de Eerste Wereldoorlog
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog mobiliseerde Kepplers regiment voor het westfront. Hij werd er eerst ingezet als pelotonscommandant en later als compagniescommandant. Tijdens de gevechten bij Saint-Quentin raakte hij op 29 augustus 1914 zwaargewond. Na zijn behandeling in een militair hospitaal keerde hij terug in actieve dienst. In 1915 ging hij over naar de 39. Infanterie-Brigade.
Zijn werkzaamheden verschoven daarmee naar staf- en verbindingsdiensten. Zowel bij de 39. Infanterie-Brigade als later bij de 19. Reserve-Division diende hij als ordonnansofficier, belast met het overbrengen van bevelen en berichten. Op 16 oktober 1917 werd hij Oberleutnant. Tegen het einde van de oorlog was Keppler regimentsadjudant bij zijn oorspronkelijke Füsilier-Regiment Nr. 73.
Voor zijn inzet ontving hij onder meer het IJzeren Kruis van de tweede en de eerste klasse, het Hanseatenkruis van Hamburg en het Gewondeninsigne in zilver. Na de wapenstilstand werd Keppler korte tijd opgenomen in de Voorlopige Reichswehr, waar hij bij Reichswehr-Infanterie-Regiment 19 werd ingedeeld. Begin augustus 1919 verliet hij de militaire dienst.
Interbellum: politie en overgang naar de SS
Na zijn vertrek uit het leger ging Keppler als Gruppenadjutant werken bij de Sicherheitswehr in Hannover. Toen deze organisatie opging in de Schutzpolizei van Hannover, bleef hij daar in een vergelijkbare hoedanigheid werkzaam. Hij bereikte de rang van Polizeihauptmann. Tussen 1924 en 1926 voerde hij het bevel over een Hundertschaft, een politie-eenheid van doorgaans ongeveer honderd manschappen.
Op 1 juli 1926 stapte hij over naar de Landespolizei van Thüringen. Na een eerste plaatsing bij de politieafdeling in Gotha leidde hij van januari 1927 tot februari 1928 een zelfstandige Hundertschaft in Hildburghausen. Tot eind juni 1930 werkte hij bij de leiding van de Thüringse Landespolizei als referent voor politieaangelegenheden, organisatie en inzet.
In 1930 kreeg Keppler het commando over de Schutzpolizei in Jena. Op 1 juli 1931 werd hij Polizeimajor; hij bleef tot 14 november 1933 in Jena. Aansluitend stond de Landespolizei-Abteilung Gotha tot 24 mei 1935 onder zijn leiding. Keppler was intussen op 1 februari 1922 getrouwd met Elisabeth Crudup, een dochter van de voormalige Generalmajor Karl-Hermann Crudup. Zij kregen een dochter en een zoon.
Zijn politieke aansluiting bij het nationaalsocialisme dateerde van vóór zijn terugkeer naar het leger. Keppler werd op 1 oktober 1930 vrijwillig lid van de NSDAP en kreeg lidmaatschapsnummer 338.211. Na ongeveer veertien jaar politiedienst ging hij op 24 mei 1935 als majoor terug naar het leger. Daar diende hij korte tijd bij Infanterieregiment 32.
Op 10 oktober 1935 verliet Keppler het Heer voor de SS-Verfügungstruppe. Ook deze overstap was vrijwillig. De gewapende partijformatie zou later opgaan in de Waffen-SS. Keppler kreeg SS-lidmaatschapsnummer 273.799 en als SS-Sturmbannführer het bevel over het I. Bataillon van SS-Standarte 1, later verbonden met de naam “Deutschland”. In de jaren erna bereikte hij de rangen van SS-Obersturmbannführer en SS-Standartenführer.
Na de Duitse annexatie van Oostenrijk in 1938 kwam de nieuw gevormde SS-Standarte “Der Führer” onder zijn leiding. De formatie werd uitgebouwd tot een gemotoriseerd regiment en maakte vanaf oktober 1939 deel uit van de SS-Verfügungsdivision. Daarmee kreeg Keppler aan de vooravond van de oorlog het bevel over een van de regimenten van deze gewapende SS-eenheid.
Deelname aan de Tweede Wereldoorlog
Westveldtocht, Balkan en Sovjet-Unie
Tijdens de Duitse veldtocht in West-Europa van mei en juni 1940 voerde Keppler het regiment “Der Führer” aan. Hij kreeg op 13 mei 1940 de rang van SS-Oberführer. Voor zijn optreden als regimentscommandant werd hem op 15 augustus 1940 het Ridderkruis van het IJzeren Kruis toegekend. Minder dan drie maanden later, op 9 november, werd hij SS-Brigadeführer en Generalmajor in de Waffen-SS.
Het regiment nam in april 1941 als onderdeel van de SS-Verfügungsdivision deel aan de veldtocht op de Balkan. Vanaf juni werd het ingezet bij Operatie Barbarossa, de Duitse aanval op de Sovjet-Unie. Keppler bleef tijdens beide campagnes regimentscommandant. De SS-Verfügungsdivision veranderde in de loop van de oorlog enkele malen van naam en werd uiteindelijk bekend als de 2. SS-Panzer-Division “Das Reich”.
Divisiecommando’s aan het oostfront
De verwonding van Theodor Eicke bracht Keppler voor het eerst aan het hoofd van een divisie. Van 15 juli tot 21 september 1941 nam hij tijdelijk het bevel over de SS-Division “Totenkopf” waar. Aansluitend werd hij formeel verbonden aan de SS-Division “Nord”, die later de naam 6. SS-Gebirgs-Division “Nord” kreeg.
Ernstige hoofdpijn leidde in dezelfde periode tot medisch onderzoek wegens een vermoeden van een hersentumor. Meer valt op basis van de gebruikte biografische bronnen niet met zekerheid te zeggen: zij noemen de verdenking, maar geen bevestigde diagnose. Zijn gezondheid onderbrak in de daaropvolgende jaren meermaals zijn inzet aan het front.
Op 30 januari 1942 bereikte Keppler de rang van SS-Gruppenführer en Generalleutnant in de Waffen-SS. Tussen 1 april 1942 en 10 februari 1943 stond de SS-Division “Das Reich” onder zijn bevel, de voorloper van de latere 2. SS-Panzer-Division met dezelfde naam. Hij legde het divisiecommando op medisch advies neer. Van februari tot augustus 1943 stond hij opnieuw onder behandeling en vervulde hij geen regulier frontcommando.
Bestuurlijke functies en terugkeer naar het front
Na zijn medische behandeling kreeg Keppler een bestuurlijke aanstelling binnen de Waffen-SS. Hij was van 31 augustus 1943 tot 15 april 1944 bevelhebber van de Waffen-SS in het Protectoraat Bohemen en Moravië, met Praag als standplaats. Vanaf 6 april 1944 vervulde hij vanuit Boedapest een vergelijkbare functie in Hongarije. Zijn werkzaamheden betroffen organisatie, personeel en toezicht; de opdracht in Hongarije eindigde op 15 augustus 1944.
In deze periode werd Keppler op 20 april 1944 benoemd tot SS-Obergruppenführer en generaal in de Waffen-SS. Op 16 augustus keerde hij onder veldmaarschalk Walter Model terug naar een operationeel commando en nam hij het I. SS-Panzerkorps over. Het korps bevond zich in de laatste fase van de gevechten in Normandië en trok zich na de geallieerde doorbraak terug in de richting van de Duitse grens. Op 24 oktober 1944 droeg Keppler het bevel over.
Oostfront, Bovenrijn en Zwarte Woud
Al op 30 oktober 1944 kreeg hij een nieuw korpscommando, ditmaal over het III. (germanische) SS-Panzerkorps aan het oostfront. De eenheid stond bij Heeresgruppe Nord en werd onder meer in Koerland ingezet. Keppler bleef formeel tot 4 april 1945 commandant. In de eerste maanden van 1945 was hij echter al voor een andere opdracht naar de Bovenrijn overgeplaatst.
Na het mislukken van het Duitse offensief in de Elzas in januari 1945 kreeg hij het XVIII. SS-Armeekorps toegewezen. Daarnaast nam hij tijdelijk de leiding over onderdelen van het 19e Leger waar. Op 14 april kwamen de resterende Duitse eenheden tussen Offenburg en Bazel onder zijn bevel. Alleen de korpsstaf was hoofdzakelijk met SS-officieren bezet; de troepen bestonden uit restanten van Wehrmachtdivisies, Volkssturm, Zollgrenzschutz en vestingeenheden.
De Franse 1e Armée was eind maart 1945 bij Speyer de Rijn overgestoken en zette haar opmars in Zuidwest-Duitsland voort. Tegen een bevel van de Duitse leiding in verhinderde Keppler op 16 april dat Freiburg als versterkte plaats werd verdedigd. De daarvoor aangewezen eenheden werden teruggetrokken, waarna hij zijn troepen oostwaarts door het Zwarte Woud verplaatste.
Bij Blumberg hief Keppler op 26 april 1945 het XVIII. SS-Armeekorps op en ontsloeg hij de militairen van hun eed. Losse groepen probeerden door de Franse afsluiting heen naar het oosten te trekken, maar de meesten kwamen alsnog in krijgsgevangenschap. Zelf bereikte hij met een kleine groep Seebruck aan de Chiemsee, waar zijn familie verbleef. Op 22 mei 1945 meldde hij zich daar bij Amerikaanse militairen en werd hij gevangengenomen.
Na de oorlog
Keppler bleef tot 26 april 1948 in Amerikaanse krijgsgevangenschap en internering. Na zijn vrijlating werkte hij tot december 1952 als gemeentesecretarieambtenaar in Opper-Beieren. Aan het einde van dat jaar verhuisde het gezin naar Hamburg. Daar was hij eerst commercieel medewerker bij een chemicaliënhandel en vanaf 1954 procuratiehouder. In 1961 ging hij met pensioen. Georg Heinrich Keppler overleed op 16 juni 1966 in Hamburg, 72 jaar oud.
Militaire rangen
Kepplers rangen behoorden achtereenvolgens tot het Pruisische leger, de politie, het Heer, de SS-Verfügungstruppe en de Waffen-SS. Binnen de Waffen-SS werden zijn SS-rang en militaire rangbenaming niet altijd op hetzelfde moment toegekend. Vanaf 9 november 1940 stond naast zijn SS-rang ook een generaalsrang in de Waffen-SS vermeld.
| Datum | Organisatie | Rang |
|---|---|---|
| 28 februari 1913 | Pruisisch leger | Fahnenjunker |
| 18 juni 1914 | Pruisisch leger | Leutnant |
| 16 oktober 1917 | Pruisisch leger | Oberleutnant |
| 21 juni 1920 | Schutzpolizei | Polizeihauptmann |
| 1 juli 1931 | Schutzpolizei | Polizeimajor |
| 24 mei 1935 | Heer | Major |
| 10 oktober 1935 | SS-Verfügungstruppe | SS-Sturmbannführer |
| 20 april 1937 | SS | SS-Obersturmbannführer |
| 20 april 1938 | SS | SS-Standartenführer |
| 13 mei 1940 | Waffen-SS | SS-Oberführer |
| 9 november 1940 | Waffen-SS | SS-Brigadeführer en Generalmajor |
| 30 januari 1942 | Waffen-SS | SS-Gruppenführer en Generalleutnant |
| 20 april 1944 | Waffen-SS | SS-Obergruppenführer en generaal |
Onderscheidingen
Kepplers onderscheidingen dateren uit beide wereldoorlogen en uit zijn dienst binnen de SS. De lijst omvat militaire decoraties, herinneringsmedailles en interne SS-eretekens. Het Ridderkruis werd hem verleend als SS-Oberführer en commandant van de SS-Standarte “Der Führer”.
IJzeren Kruis 1914, tweede en eerste klasse.
Hanseatenkruis van Hamburg.
Brunswijks Kruis voor Militaire Verdienste, tweede klasse met strijderslint.
Gewondeninsigne 1918 in zilver.
Silezische Adelaar, tweede en eerste klasse.
Erekruis voor Frontstrijders in de Wereldoorlog 1914–1918.
Medaille ter herinnering aan 13 maart 1938.
Medaille ter herinnering aan 1 oktober 1938, met gesp “Prager Burg”.
Herhalingsgesp bij het IJzeren Kruis 1939, tweede en eerste klasse.
Ridderkruis van het IJzeren Kruis, toegekend op 15 augustus 1940.
Medaille Winterschlacht im Osten 1941/42.
Ehrendegen des Reichsführers SS en Totenkopfring der SS.
Conclusie
Kepplers ervaring als legerofficier en politiecommandant werd later binnen de gewapende SS ingezet. Zijn aansluiting bij het nationaalsocialisme was daarbij geen bijkomstigheid: hij werd op 1 oktober 1930 vrijwillig lid van de NSDAP en trad op 10 oktober 1935 eveneens vrijwillig toe tot de SS-Verfügungstruppe. Binnen de Waffen-SS bereikte hij de hoogste commandoniveaus.
De bevelen die hij in april 1945 gaf — het achterwege laten van de verdediging van Freiburg, de terugtocht door het Zwarte Woud en de ontbinding van het XVIII. SS-Armeekorps — behoren tot de laatste fase van die loopbaan. Zij mogen niet los worden gezien van zijn jarenlange dienst als hoge commandant van de militaire tak van de SS. Tegelijk bieden de genoemde biografische bronnen onvoldoende grond om hem zonder aanvullend archiefonderzoek afzonderlijke oorlogsmisdaden toe te schrijven.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Wolfgang Willrich, Public domain, via Wikimedia Commons
Miller, Michael D.; Schulz, Andreas (2015). Leaders of the SS & German Police. Volume 2: Reichsführer-SS–SS-Gruppenführer (Hans Haltermann to Walter Krüger). San Jose: R. James Bender Publishing, pp. 467–472. ISBN 978-1-932-97025-8.
Bradley, Dermot (red.); Schulz, Andreas; Wegmann, Günter (2005). Die Generale der Waffen-SS und der Polizei: Die militärischen Werdegänge der Generale sowie der Ärzte, Veterinäre, Intendanten, Richter und Ministerialbeamten im Generalsrang. Band 2: Hachtel–Kutschera. Bissendorf: Biblio Verlag, pp. 500–506. ISBN 3-7648-2592-8.
Yerger, Mark C. (1997). Waffen-SS Commanders: The Army, Corps and Divisional Leaders of a Legend: Augsberger to Kreutz. Atglen: Schiffer Publishing. ISBN 0-7643-0356-2.
Scherzer, Veit (2007). Die Ritterkreuzträger 1939–1945: Die Inhaber des Ritterkreuzes des Eisernen Kreuzes 1939 von Heer, Luftwaffe, Kriegsmarine, Waffen-SS, Volkssturm sowie mit Deutschland verbündeter Streitkräfte nach den Unterlagen des Bundesarchivs. Jena: Scherzers Militaer-Verlag, p. 437. ISBN 978-3-938845-17-2.
Trendle, Fred (2003). Zehn Tage im April: Das Kriegsende auf der Baar und an der oberen Donau im April 1945. Kirchen-Hausen: eigen beheer, p. 213. ISBN 3-00-010705-3.
Riedel, Hermann (1983). Halt! Schweizer Grenze! Das Ende des Zweiten Weltkrieges im Südschwarzwald und am Hochrhein in dokumentarischen Berichten deutscher, französischer und Schweizer Beteiligter und Betroffener. Konstanz: Südkurier Verlag. ISBN 3-87799-023-1.
Williamson, Gordon (2005). Die SS: Hitlers Instrument der Macht. Klagenfurt: Kaiser. ISBN 3-7043-6037-6.










