Home Schepen Slagschepen en Slagkruisers USS Wisconsin BB-64: slagschip vanaf 1944

USS Wisconsin BB-64: slagschip vanaf 1944

USS Wisconsin ligt voor anker tijdens haar eerste proefvaarten op zee, halverwege 1944, kort na de indienststelling in de VS.
USS Wisconsin voor anker tijdens haar eerste proefvaarten op zee, halverwege 1944.

USS Wisconsin (BB-64) was een Amerikaans slagschip van de Iowa-klasse dat in 1944 in dienst kwam. Het beschermde vliegdekschepen, beschoot landdoelen en diende later in Korea en de Perzische Golf. Hoge snelheid, zware artillerie, radar en een Combat Information Center bepaalden de inzetbaarheid. Na de laatste uitdienststelling in 1991 kreeg het schip een museumfunctie in Norfolk, Virginia.

Ontwerp en constructie

De Iowa-klasse ontstond aan het einde van de jaren dertig, toen de Amerikaanse marine rekening hield met een oorlog tegen Japan. Er was behoefte aan een slagschip dat zwaar bewapend en gepantserd was, maar ook de snelle vliegdekschepen kon volgen. Oudere Amerikaanse slagschepen waren daarvoor te langzaam, terwijl Japan over snelle Kongō-klasse schepen en moderne vliegdekschepen beschikte. De vier voltooide schepen van de Iowa-klasse waren de laatste slagschepen die de Verenigde Staten bouwden.

Internationale vlootverdragen beperkten de standaardwaterverplaatsing van nieuwe slagschepen aanvankelijk tot 35.000 long ton. De Tweede Londense Vlootconferentie van 1936 bevatte echter een escalatiebepaling voor het geval grote zeemachten niet deelnamen. Omdat Japan het verdrag niet ondertekende, pasten de Verenigde Staten een bovengrens van 45.000 long ton toe. Daardoor konden de ontwerpers snelheid, zware kanonnen en een omvangrijke gepantserde citadel in één romp samenbrengen.

Het Congres keurde de bouw in 1938 goed en de marine plaatste de bestelling op 12 juni 1940. De kiel werd op 25 januari 1941 gelegd bij de Philadelphia Navy Yard, waarna de tewaterlating op 7 december 1943 volgde. Mevrouw Goodland, de echtgenote van de gouverneur van Wisconsin, verrichtte de doop. Het schip kwam op 16 april 1944 onder bevel van kapitein Earl E. Stone in dienst en kreeg rompnummer BB-64.

Het was het tweede marineschip dat naar de staat Wisconsin werd genoemd. BB-64 was het hoogste rompnummer van alle voltooide Amerikaanse slagschepen. De bouw begon later dan die van USS Missouri. Toch kwam Wisconsin bijna twee maanden eerder in dienst, waardoor Missouri het laatste Amerikaanse slagschip werd dat officieel in dienst kwam.

USS Wisconsin was 270,4 meter lang en 33 meter breed, met bij volledige gevechtsbelasting een diepgang van ongeveer 11,5 meter en een waterverplaatsing van 58.460 ton. Acht oliegestookte Babcock & Wilcox-ketels leverden stoom aan vier General Electric-turbines, die vier schroefassen aandreven. De installatie ontwikkelde 212.000 aspaardenkracht, goed voor ongeveer 32,5 knopen en een ontworpen bereik van 15.000 zeemijl bij 15 knopen. Het oorspronkelijke bemanningsplan omvatte 117 officieren en 1.804 overige bemanningsleden, maar in 1945 waren door aanvullende uitrusting 173 officieren en 2.738 matrozen aan boord.

Bewapening

De hoofdbewapening bestond uit negen Mark 7-kanonnen van 406 mm met een looplengte van vijftig kalibers. Ze stonden in drie drielingtorens, waarvan twee vóór de bovenbouw en één op het achterschip waren geplaatst. De kanonnen konden zware granaten gebruiken tegen vijandelijke schepen, kustverdediging en doelen verder landinwaarts. De opstelling maakte een volledig salvo van negen granaten mogelijk, terwijl de achterste toren ook vuur over de achterste sector kon uitbrengen.

De secundaire batterij omvatte twintig kanonnen van 127 mm in tien dubbele opstellingen. Deze wapens waren geschikt voor vuur tegen oppervlakteschepen, landdoelen en vliegtuigen en vormden daarom een tweevoudig inzetbare batterij. Bij de indienststelling bestond de lichte luchtafweer uit tachtig Bofors-kanonnen van 40 mm en 49 Oerlikon-kanonnen van 20 mm. Samen vormden deze wapens meerdere verdedigingslagen rond het schip en de vliegdekschepen die het begeleidde.

Bepantsering

De interne pantsergordel langs de waterlijn was maximaal 307 mm dik en stond onder een hoek van negentien graden. De voorzijde van de drie hoofdgeschuttorens had pantserplaten van 495 mm, terwijl de commandotoren door platen tot ongeveer 440 mm werd beschermd. Boven de gepantserde citadel lag een dekconstructie met onder meer een pantserlaag van 152 mm en een afzonderlijk splinterdek. De zwaarste bescherming lag rond munitieruimten, machines en commandoposten.

De romp was verdeeld in talrijke waterdichte compartimenten om overstromingen te beperken. Een dubbele en plaatselijk driedubbele bodem bood aanvullende weerstand tegen schade door torpedo’s en zeemijnen. De bescherming kon niet ieder deel van het lange schip even zwaar uitvoeren, waardoor de gepantserde citadel het uitgangspunt van het ontwerp vormde. Snelheid, compartimentering en schadebestrijding vulden het passieve pantser aan.

Sensoren en dataverwerking

Bij de indienststelling beschikte USS Wisconsin over een radaruitrusting die was afgestemd op luchtwaarneming, oppervlaktedetectie en artillerievuur. De SK-2-luchtzoekradar leverde vroege meldingen van naderende vliegtuigen en gaf richting en afstand door aan de commandoposten. Twee SG-oppervlaktezoekradars volgden schepen en kustlijnen, ook bij duisternis, slecht zicht of grote rookontwikkeling. Optische uitkijkposten bleven daarnaast nodig voor herkenning, controle van radarcontacten en waarneming op korte afstand.

De Mark 38-vuurleidingssystemen bestuurden de drie torens met 406-mm-kanonnen. Mark 8-radar leverde nauwkeurige afstandsgegevens, waarna elektromechanische rekeninstallaties de eigen koers, de doelbeweging en ballistische gegevens verwerkten tot een vuuroplossing. De uitkomst ging naar de geschuttorens, waar richting en elevatie overeenkomstig de berekening werden ingesteld. Daardoor kon de hoofdbatterij ook bij beperkt zicht of tegen doelen buiten goed optisch waarnemingsbereik worden geleid.

Voor de 127-mm-batterij gebruikte het schip Mark 37-vuurleidingsposten. Deze combineerden optische waarneming, radarwaarneming en berekende voorhoudgegevens voor snel bewegende lucht- en oppervlaktedoelen. De gegevens werden via interne verbindingen naar de dubbele geschutopstellingen gestuurd, zodat meerdere kanonnen tegen hetzelfde doel konden worden geconcentreerd. De lichte luchtafweer werkte op kortere afstand en steunde eveneens op meldingen uit de luchtwaarneming en de commandoketen.

USS Wisconsin had in 1944 een Combat Information Center, doorgaans aangeduid als CIC. Daar kwamen radarcontacten, meldingen van uitkijkposten, radioverkeer en informatie van andere schepen samen op plotborden en tactische tafels. Bedieningsploegen bepaalden koers, snelheid en vermoedelijke identiteit van contacten en hielden de bewegingen van de eigen formatie bij. De verwerking was nog niet digitaal, maar berustte op getrainde operators, handmatige plottechnieken, analoge rekenapparatuur en snelle interne communicatie.

Het CIC gaf niet rechtstreeks automatische vuurbevelen aan de geschutopstellingen. Een waargenomen contact werd eerst vergeleken met meldingen van andere posten en met de bekende positie van eigen schepen en vliegtuigen. Daarna bepaalden de commandoposten welke dreiging voorrang kreeg en welke vuurleidingspost het doel moest volgen. Telefoonverbindingen, spreekbuizen, radio en interne omroepkanalen brachten deze opdrachten naar brug, luchtafweerleiding en geschutbediening.

Een vaste sonarinstallatie voor actieve onderzeebootopsporing maakte geen deel uit van de gevechtsuitrusting van het slagschip. Onderzeebootwaarneming en onderzeebootbestrijding lagen binnen de vlootformatie vooral bij torpedobootjagers en andere escorteschepen. Twee katapulten op het achterschip lanceerden aanvankelijk Vought OS2U Kingfishers en vanaf december 1944 Curtiss SC Seahawks voor artilleriewaarneming, verkenning en reddingstaken. Hun radiomeldingen konden de vuurleiding en het algemene tactische beeld aanvullen, maar vervingen de eigen radarwaarneming niet.

Modificaties

Tijdens de Tweede Wereldoorlog veranderde vooral de uitrusting voor luchtwaarneming en luchtafweer. De Curtiss SC Seahawk verving vanaf december 1944 de Vought OS2U Kingfisher als boordvliegtuig, terwijl aanvullende radar- en luchtafweervoorzieningen meer bedieningspersoneel vereisten. Daardoor lag de bemanningssterkte in 1945 duidelijk boven het oorspronkelijke ontwerp. De zware artillerie, hoofdmachines en algemene pantserindeling bleven in deze periode ongewijzigd.

De grootste verbouwing vond plaats tijdens de reactivering die in 1986 begon. Alle Bofors- en Oerlikon-wapens werden verwijderd, evenals vier van de tien dubbele 127-mm-opstellingen. Daarvoor kwamen zestien RGM-84 Harpoon-antischeepsraketten, 32 BGM-109 Tomahawk-kruisraketten en vier Phalanx-nabijverdedigingssystemen in de plaats. Ook de radar, vuurleiding, elektronische oorlogvoering en verbindingen werden aangepast aan de technische eisen van de late Koude Oorlog.

De twee katapulten en watervliegtuigen waren bij de latere inzet niet meer aanwezig. Acht RQ-2 Pioneer-drones namen verkenning en artilleriewaarneming over en konden beelden rechtstreeks aan het schip doorgeven. Hierdoor kreeg de zware artillerie een waarnemingsmiddel dat langer boven het doelgebied kon blijven dan de vroegere watervliegtuigen. De combinatie van oude kanonnen en moderne geleide wapens veranderde de taakverdeling aan boord.

Status schip tijdens de oorlog

USS Wisconsin was tijdens de Tweede Wereldoorlog niet operationeel verouderd. Het schip kwam pas in april 1944 in dienst en beschikte over hoge snelheid, moderne vuurleiding, lucht- en oppervlaktezoekradar en een Combat Information Center. Daardoor kon het binnen snelle vliegdekschipformaties waarnemingen verwerken, luchtaanvallen helpen afweren en zware artillerie inzetten. Het ontbreken van eigen sonar paste bij de taakverdeling waarin escorteschepen de onderzeebootbestrijding uitvoerden.

Na de proefvaarten volgden aanpassingen op de werf voordat het slagschip naar de Stille Oceaan vertrok. Tijdens de inzet werden radar, lichte luchtafweer en boordluchtvaart onderhouden en waar nodig aangepast aan veranderende omstandigheden. De groei van de bemanning laat zien dat de hoeveelheid technische en luchtafweeruitrusting toenam. Binnen de Amerikaanse vlootnormen van 1944 bleef Wisconsin daarom een modern en onderhouden slagschip.

Operationele geschiedenis

Proefvaarten en vertrek naar de Stille Oceaan

Na de indienststelling voerde USS Wisconsin proefvaarten uit in Chesapeake Bay. Op 7 juli 1944 vertrok het schip voor een oefenreis vanuit Trinidad, waar machines, geschut, navigatie en bemanningsprocedures onder verschillende omstandigheden werden getest. Daarna volgden werfwerkzaamheden om tijdens de proeven vastgestelde punten te herstellen of aan te passen. Vervolgens voer het slagschip via het Panamakanaal naar de Stille Oceaan en bereikte het in november Pearl Harbor. Daar volgden oefeningen voor de komende vlootoperaties.

In december 1944 kwam Wisconsin bij Ulithi aan en sloot het zich aan bij Task Group 38.2 van admiraal William Halseys Derde Vloot. De voornaamste opdracht was het beschermen van snelle vliegdekschepen tegen Japanse luchtaanvallen en mogelijke aanvallen door oppervlakteschepen. De 127-mm-batterij en lichte luchtafweer vormden daarbij een verdedigingsscherm, terwijl radarwaarnemers naderende vliegtuigen volgden. Het slagschip leverde bovendien op zee brandstof aan begeleidende torpedobootjagers, zodat de formatie langer buiten de bases kon blijven.

Filipijnen en tyfoon Cobra

Wisconsin nam daarna deel aan de Filipijnencampagne en ondersteunde de operaties rond Mindoro en Luzon. De vliegdekschepen voerden aanvallen uit op Japanse vliegvelden, scheepvaart en ondersteunende installaties, terwijl het slagschip binnen de formatie bleef voor luchtverdediging en oppervlaktebescherming. De gevechtswaarde lag in deze fase minder in een zelfstandig artillerieduel dan in de bescherming van het luchtwapen van de vloot. De hoge snelheid maakte het mogelijk dezelfde koersveranderingen en verplaatsingen als de vliegdekschepen uit te voeren.

Op 18 december 1944 werd de vloot getroffen door tyfoon Cobra. De zware storm bracht veel schepen buiten hun normale formatie en veroorzaakte verlies van vliegtuigen, schade aan bovenbouwen en problemen met brandstofvoorraden. Drie Amerikaanse torpedobootjagers zonken, terwijl andere schepen zwaar of minder zwaar beschadigd raakten. Wisconsin bleef zelf onbeschadigd, maar twee bemanningsleden liepen verwondingen op tijdens de storm.

Operaties rond Iwo Jima en Okinawa

In januari 1945 beschermde Wisconsin de vliegdekschepen tijdens aanvallen op Formosa, Okinawa, de Sakishima-eilanden en doelen rond de Zuid-Chinese Zee. Toen admiraal Raymond Spruance het bevel overnam, werd de Derde Vloot de Vijfde Vloot en veranderde de aanduiding Task Force 38 in Task Force 58. De samenstelling en het doel van de snelle vliegdekschipmacht bleven daarbij grotendeels gelijk. Wisconsin bleef radarwaarneming, luchtafweer en bescherming tegen oppervlakteschepen leveren.

In februari dekte het slagschip luchtaanvallen op doelen rond Tokio en Chichijima. Deze operaties moesten Japanse vliegvelden en verbindingen treffen en de aanvoer van versterkingen naar Iwo Jima bemoeilijken. Wisconsin opereerde daarbij als onderdeel van een groot verband waarin vliegdekschepen, kruisers, slagschepen en torpedobootjagers ieder een eigen taak hadden. Het CIC hield de eigen formatie en gemelde contacten bij, terwijl de vuurleidingsposten gereed bleven voor lucht- of oppervlaktedoelen.

In maart en april 1945 volgden operaties ter ondersteuning van de invasie van Okinawa. Op 24 maart beschoot Wisconsin samen met USS Missouri en USS New Jersey doelen in het zuidoosten van het eiland. Het bombardement moest de Japanse verdediging afleiden van de werkelijke landingsgebieden aan de westzijde. Daarna hervatte het schip de begeleiding van de vliegdekschepen en de verdediging tegen Japanse vliegtuigen.

De inzet rond Okinawa duurde voort terwijl de Amerikaanse vloot regelmatig door Japanse luchtaanvallen werd bedreigd. Radarwaarneming en snelle verspreiding van meldingen waren daarom nodig om luchtafweerposten tijdig te bemannen en de formatie te laten reageren. Op 8 juni redde een watervliegtuig van Wisconsin een neergeschoten vlieger van het vliegdekschip USS Shangri-La. Deze redding liet zien dat de boordvliegtuigen naast artilleriewaarneming ook taken buiten de directe bewapening uitvoerden.

Bombardementen op Japan en einde van de oorlog

Vanaf juli 1945 opereerde Wisconsin in de wateren rond de Japanse hoofdeilanden. Samen met USS Iowa en USS Missouri beschoot het schip industriële installaties bij Muroran op Hokkaido, waaronder staalfabrieken, cokesovens en voorzieningen voor brandstofproductie. Enkele dagen later namen Amerikaanse en Britse slagschepen industriegebieden bij Hitachi, ten noordoosten van Tokio, onder vuur. Na deze beschietingen keerde Wisconsin terug naar de snelle vliegdekschepen om hun luchtoperaties te beveiligen.

Tijdens deze kustbombardementen vormde de hoofdbatterij tijdelijk het voornaamste aanvalsmiddel van het schip. Doelgegevens, koersen en vuuropdrachten werden binnen de slagschipformatie afgestemd, waarna waarnemers de inslagen controleerden. De gekozen doelen maakten deel uit van de Japanse staal-, cokes- en brandstofproductie die de oorlogvoering ondersteunde. Buiten de beschietingen bleef Wisconsin echter vooral bij de vliegdekschipmacht, waar luchtverdediging en bewaking van de formatie de dagelijkse taken bepaalden.

Japan maakte op 15 augustus 1945 bekend dat het de geallieerde voorwaarden aanvaardde. Begin september voer Wisconsin de Baai van Tokio binnen, kort na de formele ondertekening van de capitulatie aan boord van USS Missouri. Sinds de indienststelling had het schip ruim 170.000 kilometer afgelegd, drie Japanse vliegtuigen neergeschoten en ongeveer 250 keer torpedobootjagers van brandstof voorzien. Voor de inzet in de Stille Oceaan ontving Wisconsin vijf battle stars.

Na de oorlog

Na de Japanse capitulatie nam Wisconsin deel aan Operation Magic Carpet, waarmee Amerikaanse militairen uit de Stille Oceaan naar huis werden gebracht. Het schip vertrok op 23 september 1945 uit Okinawa en bereikte San Francisco op 15 oktober. In 1946 volgden onderhoud en een reis langs Zuid-Amerikaanse havens, terwijl het in 1947 vooral reservisten en adelborsten opleidde. Op 1 juli 1948 werd het slagschip in de Atlantische reservevloot geplaatst.

De Noord-Koreaanse aanval op Zuid-Korea leidde tot een nieuwe indienststelling op 3 maart 1951. In oktober vertrok Wisconsin naar de Stille Oceaan en nam het in Yokosuka de vlaggenschiptaak van USS New Jersey over. Vanaf eind november ondersteunde het vliegdekschepen en grondtroepen langs de Koreaanse kust. De 406-mm- en 127-mm-kanonnen vuurden op bunkers, artilleriestellingen, commandoposten, spoorwegen en troepenconcentraties bij Kasong-Kosong, Kojo en Wonsan voor de 1st Marine Division en het Zuid-Koreaanse 1e Korps.

Lichtgranaten maakten Noord-Koreaanse aanvallen tijdens de nacht zichtbaar. Wisconsin wisselde kustbeschietingen af met bevoorrading in Japan en begeleidingswerk voor Task Force 77. Bij Songjin trof op 15 maart 1952 een granaat van 155 mm een 40-mm-opstelling, waarbij drie bemanningsleden gewond raakten en de materiële schade beperkt bleef. Het slagschip schakelde de batterij met de hoofdbewapening uit, droeg in april de vlaggenschiptaak over aan USS Iowa en keerde terug naar de Verenigde Staten.

Na Korea maakte Wisconsin opleidingsreizen naar Europese, Caribische en Zuid-Amerikaanse havens, nam het deel aan oefeningen van de Atlantische Vloot en de NAVO en diende het enige tijd als vlaggenschip van de Tweede Vloot. In 1953 en 1954 volgde nog een inzet in Oost-Azië als vlaggenschip van de Zevende Vloot. Op 6 mei 1956 kwam het tijdens dichte mist in aanvaring met USS Eaton, waarna een boegsectie van 120 ton en 21 meter van het onvoltooide slagschip Kentucky werd geplaatst. De reparatie duurde zestien dagen en op 28 juni kon Wisconsin weer varen.

Op 8 maart 1958 ging het schip in Bayonne opnieuw uit dienst, waardoor de Amerikaanse marine voor het eerst sinds 1895 geen actief slagschip meer had. De reserveperiode duurde tot de regering van president Ronald Reagan een vloot van ongeveer zeshonderd schepen nastreefde. De reactivering begon op 1 augustus 1986 met werkzaamheden in New Orleans en Pascagoula en omvatte herstel, nieuwe raketwapens, aangepaste elektronica en onbemande verkenningsmiddelen. Op 22 oktober 1988 kwam Wisconsin opnieuw in dienst met Norfolk als thuishaven.

Na de Iraakse bezetting van Koeweit vertrok Wisconsin in augustus 1990 voor Operation Desert Shield naar de Perzische Golf. Bij het begin van Operation Desert Storm op 17 januari 1991 coördineerde het schip samen met USS Missouri Tomahawk-aanvallen in het noordelijke deel van de Golf en lanceerde het binnen twee dagen 24 kruisraketten. Vanaf 6 februari gebruikte het ook de 406-mm-kanonnen tegen artillerie, bunkers, verbindingen, raketstellingen, commandoposten en vaartuigen langs de Koeweitse kust. Tijdens de campagne vuurde Wisconsin 319 granaten van 406 mm en 881 granaten van 127 mm af.

RQ-2 Pioneer-drones gaven beelden door waarmee de uitwerking van het geschut kon worden beoordeeld en volgende salvo’s konden worden gecorrigeerd. Bij Faylaka toonden Iraakse militairen witte vlaggen nadat een drone laag boven hun beschoten stellingen vloog, de eerste gedocumenteerde overgave aan een onbemand systeem in een gevechtssituatie. Op 28 februari voerde Wisconsin de laatste Amerikaanse maritieme vuursteunmissie van de oorlog uit, waarmee ook de gevechtsinzet van Amerikaanse slagschepen eindigde. Het schip ontving voor deze campagne een Navy Unit Commendation.

De laatste uitdienststelling volgde op 30 september 1991, na in totaal ongeveer veertien actieve dienstjaren. Wisconsin verdween op 12 januari 1995 uit het Naval Vessel Register, maar keerde op 12 februari 1998 tijdelijk op de lijst terug voor mogelijke maritieme vuursteun. In december 2000 werd het naar Nauticus in Norfolk gesleept. De buitendekken gingen daar op 16 april 2001 open voor bezoekers.

De definitieve schrapping uit het register volgde op 17 maart 2006. De marine droeg het schip op 14 december 2009 over aan de stad Norfolk, met een plechtigheid op 16 april 2010. Op 28 maart 2012 werd Wisconsin opgenomen in het National Register of Historic Places. Het schip kreeg vijf battle stars voor de Tweede Wereldoorlog, één voor de Koreaanse Oorlog en daarnaast onderscheidingen voor de inzet in Zuidwest-Azië. Daarbij kwamen een Combat Action Ribbon en Amerikaanse, Filipijnse, Zuid-Koreaanse, Saoedische en Koeweitse onderscheidingen.

Conclusie

USS Wisconsin was bij de indienststelling in 1944 een modern slagschip dat snelheid, zware artillerie, pantsering en radar met een Combat Information Center combineerde. Daardoor voldeed het aan de Amerikaanse militaire normen van de laatste oorlogsjaren en kon het binnen snelle vliegdekschipformaties functioneren. Na 1945 verschoof de taak naar kustbombardementen, opleiding en later de inzet van kruisraketten en drones. De museumfunctie in Norfolk bewaart een schip dat in drie afzonderlijke oorlogen operationeel werd gebruikt.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Naval History & Heritage Command, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Friedman, Norman (1985). U.S. Battleships: An Illustrated Design History. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-715-1.
  3. Sumrall, Robert F. (1988). Iowa Class Battleships: Their Design, Weapons, and Equipment. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-298-2.
  4. Doyle, David (2023). USS Wisconsin (BB-64): From World War II to the Persian Gulf to Museum Ship. Atglen: Schiffer Military. ISBN 978-0-7643-6013-8.
  5. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946