USS Utah was een Amerikaans dreadnoughtslagschip van de Florida-klasse dat in 1911 in dienst kwam. Het schip diende tijdens de bezetting van Veracruz en de Eerste Wereldoorlog. Na demilitarisering werd het vanaf 1931 als radiografisch bestuurd doelschip en opleidingsschip gebruikt. Japanse torpedo’s brachten USS Utah op 7 december 1941 bij Pearl Harbor tot zinken.
Ontwerp en constructie
USS Utah was het tweede en laatste schip van de Florida-klasse en het eerste Amerikaanse marineschip dat naar de staat Utah werd genoemd. De kiel werd op 15 maart 1909 gelegd bij de New York Shipbuilding Corporation in Camden, New Jersey. Het schip ging op 23 december 1909 te water en werd daarna afgebouwd en beproefd. Op 31 augustus 1911 nam de United States Navy het schip officieel in dienst als slagschip nummer 31. In 1920 werd de rompclassificatie gestandaardiseerd als BB-31.
De romp had een totale lengte van 158,95 meter, een breedte van 26,90 meter en een diepgang van 8,69 meter. De ontwerpwaterverplaatsing bedroeg 21.825 long ton, gelijk aan ongeveer 22.175 metrische ton. Volledig beladen liep dit op tot 23.033 long ton, of ongeveer 23.403 metrische ton. De normale bemanningssterkte bedroeg volgens het ontwerp 1.001 officieren en manschappen, al kon het werkelijke aantal door de opdracht en uitrusting veranderen.
De voortstuwing bestond oorspronkelijk uit vier Parsons-stoomturbines die elk een schroefas aandreven. Twaalf kolengestookte waterpijpketels van Babcock & Wilcox leverden stoom voor een ontworpen vermogen van 28.000 aspaardenkracht. Daarmee kon USS Utah een topsnelheid van 20,75 knopen bereiken, ongeveer 38,4 kilometer per uur. Het bereik bedroeg circa 5.776 zeemijl bij een economische snelheid van 10 knopen, waardoor inzet op de Atlantische Oceaan mogelijk was.
Bewapening
De hoofdbewapening bestond bij indienststelling uit tien 12-inch/45 Mark 5-kanonnen van 305 millimeter. Ze stonden in vijf dubbele geschuttorens op de lengteas van het schip, met twee boven elkaar geplaatste torens voor de brug en drie torens achter de opbouw. De aanduiding /45 betekende dat de looplengte 45 maal de diameter van het kanon bedroeg. Deze opstelling maakte zwaar vuur over beide zijden mogelijk, maar de drie achterste torens hadden onderling beperkingen in hun schootsvelden.
De secundaire batterij telde zestien 5-inch/51-kanonnen van 127 millimeter in kazematten langs de romp. Deze lichtere stukken waren bestemd voor het bestrijden van kleinere en snellere oorlogsschepen op kortere afstanden. Verder bezat USS Utah twee onder de waterlijn geplaatste torpedobuizen van 21 inch, of 533 millimeter, met één buis aan elke zijde. De oorspronkelijke bewapening weerspiegelde het dreadnoughtconcept, waarin zware kanonnen het gevecht tussen slagschepen moesten beslissen.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog kreeg het schip luchtafweerkanonnen, waarna de luchtafweeruitrusting in de jaren twintig werd uitgebreid. Bij de omzetting tot doelschip verdwenen de zware en secundaire batterijen, zodat USS Utah niet langer als slagschip kon vechten. Later kwamen verschillende oefenwapens voor luchtafweer terug aan boord. Deze bewapening diende vooral om kanonniers en vuurleidingsteams onder realistische omstandigheden te trainen.
Bepantsering
De bescherming van USS Utah was verdeeld over de romp, geschuttorens, dekken en commandoposten. De belangrijkste pantsergordel langs de waterlijn was maximaal 279 millimeter dik. De voorplaten van de geschuttorens hadden een dikte van 305 millimeter, terwijl de commandotoren door maximaal 292 millimeter staal werd beschermd. Het gepantserde dek was ongeveer 38 millimeter dik en bood minder bescherming dan de zwaar uitgevoerde verticale delen.
Deze verdeling was bedoeld om machinekamers, munitieopslagplaatsen, geschut en scheepsleiding tegen artillerievuur te beschermen. De pantsergordel lag rond de vitale delen van de romp, terwijl de torens en commandotoren afzonderlijk waren afgeschermd. Tijdens de modernisering van 1925 kreeg het schip torpedobulten die de weerstand tegen schade onder de waterlijn moesten vergroten. Deze uitbouwen werden bij de latere verbouwing tot doelschip weer verwijderd, waarna de oorspronkelijke rompcontour grotendeels terugkeerde.
Sensoren
Bij de bouw beschikte USS Utah niet over elektronische detectieapparatuur, omdat operationele scheepsradar toen nog niet bestond. Waarnemers, optische afstandmeters en vuurleidingsposten bepaalden richting en afstand tot een doel. Een gepantserde vuurleidingstoren boven de brug bood ruimte voor de centrale verwerking van waarnemingen voor het geschut. Visuele uitkijk, seinmiddelen en radioverbindingen bleven daardoor de basis voor waarneming en communicatie.
De radiografische installatie uit 1931 was een besturingssysteem en geen zoekradar. Signalen vanaf een begeleidend schip activeerden elektromotoren die de smoorkleppen, stuurinrichting en olietoevoer naar de ketels bedienden. Een Sperry-gyropiloot hielp USS Utah vervolgens om de opgedragen koers vast te houden. Voor de toestand in december 1941 is geen operationele radarinstallatie aan boord gedocumenteerd, zodat de bemanning voor waarschuwing en waarneming afhankelijk bleef van menselijke uitkijk.
Modificaties
USS Utah onderging in 1925 een modernisering die de voortstuwing en bovenbouw veranderde. De kolengestookte ketels maakten plaats voor vier oliegestookte White-Forster-ketels die afkomstig waren van slagschepen en slagkruisers die door het vlootverdrag van Washington werden gesloopt. De achterste vakwerkmast werd vervangen door een paalmast. Op geschuttoren nummer 3 kwam bovendien een vliegtuigkatapult, met kranen voor het behandelen van watervliegtuigen, terwijl torpedobulten langs de romp werden aangebracht.
De ingrijpendste verbouwing volgde na het Londense vlootverdrag van 1930. USS Utah werd gedemilitariseerd om niet langer als verdragsmatig slagschip te gelden en kreeg op 1 juli 1931 de aanduiding AG-16. De hoofdkanonnen, secundaire kanonnen, torpedobulten en vliegtuigvoorzieningen werden verwijderd, hoewel delen van de torenconstructies en barbettes bleven staan. Na installatie van radiografische besturing kwam het schip op 1 april 1932 opnieuw in dienst als bestuurbaar doel voor oefeningen.
Vanaf 1935 werd USS Utah ook aangepast voor de opleiding van luchtafweerkanonniers. Een experimentele vierlingopstelling met 1,1-inch/75-luchtafweerkanonnen maakte beproeving van dit wapentype mogelijk. Later kwamen meerdere oefenkanonnen van verschillende kalibers aan boord, passend bij de wapens die op andere Amerikaanse marineschepen werden gebruikt. Tijdens een werfbeurt in Puget Sound in 1941 kreeg het schip nieuwe 5-inch/38-dubbeldoelkanonnen in enkelvoudige opstellingen voor verdere luchtafweertraining.
Status schip tijdens de oorlog
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was USS Utah als slagschip operationeel verouderd en al jaren gedemilitariseerd. Het schip bezat geen zware hoofdbatterij meer en was niet bestemd voor inzet in een gevechtslinie. Als AG-16 bleef het echter een actief en varend hulpschip dat doelvaart, bombardementsoefeningen en luchtafweertraining ondersteunde. De machines, radiobesturing en oefenbewapening werden onderhouden voor deze taken.
Na de werfbeurt van 1941 bleef USS Utah in gebruik als opleidingsplatform. Het schip kon zelfstandig tussen oefengebieden en marinewerven varen en vervoerde in mei 1941 ook mariniers naar Bremerton. De militaire waarde lag in opleiding en beproeving, niet in een rechtstreeks gevecht met vijandelijke oppervlakteschepen. Op 7 december 1941 lag USS Utah bij Ford Island buiten Battleship Row en bleef het officieel in actieve dienst. Voor haar korte dienst tijdens de Tweede Wereldoorlog ontving het schip één battle star.
Operationele geschiedenis
Vroege dienst en Veracruz
Na de indienststelling maakte USS Utah een proefvaart langs Hampton Roads, Santa Rosa Island, Pensacola, Galveston, Kingston en Guantánamo Bay. In maart 1912 werd het schip aan de Atlantische Vloot toegewezen voor schietoefeningen en onderhoud. Vanuit Annapolis volgde een zomerreis met adelborsten van de Naval Academy langs de kust van New England. In november 1913 bezocht het tijdens een reis door Europese wateren onder meer Villefranche in Frankrijk.
Tijdens de Mexicaanse Revolutie moest USS Utah op 16 april 1914 het Duitse vrachtschip Ypiranga onderscheppen, dat wapens voor Victoriano Huerta vervoerde. De aankomst bij Veracruz vormde de directe aanleiding voor de Amerikaanse bezetting van de havenstad. USS Utah en zusterschip USS Florida behoorden tot de eerste Amerikaanse oorlogsschepen ter plaatse en zetten op 21 april mariniers en matrozen aan land. Bij de gevechten op 21 en 22 april vielen aan beide zijden doden en gewonden, waarna USS Utah ongeveer twee maanden voor Veracruz bleef.
Eerste Wereldoorlog
Na terugkeer uit Mexico hervatte USS Utah oefeningen en opleidingen binnen de Atlantische Vloot. Toen de Verenigde Staten op 6 april 1917 Duitsland de oorlog verklaarden, bleef het slagschip aanvankelijk in Chesapeake Bay. Daar leidde de bemanning machinisten en kanonniers op voor de groeiende oorlogsvloot. Op 30 augustus 1918 vertrok USS Utah met viceadmiraal Henry T. Mayo aan boord naar Bantry Bay in Ierland.
In Ierland werd USS Utah vlaggenschip van Battleship Division 6, samen met USS Nevada en USS Oklahoma. De eenheid dekte konvooiroutes in de westelijke toegangen tot Europa tegen mogelijke Duitse oppervlakteschepen. Na de wapenstilstand bezocht het schip Portland en begeleidde het de George Washington, waarmee president Woodrow Wilson naar Brest reisde. Daarna volgden oefeningen, terwijl USS Utah van 1921 tot oktober 1922 als vlaggenschip van de Amerikaanse zeestrijdkrachten in Europese wateren diende.
Interbellum en diplomatieke reizen
In de jaren twintig combineerde USS Utah vlootoefeningen met opleidingsreizen en diplomatieke opdrachten. Tijdens Fleet Problem III in 1924 stelden USS Utah en USS Florida de Colorado-klasse voor. Vanaf november vervoerde het schip generaal John J. Pershing naar de herdenking van de Slag bij Ayacucho en via Callao, Montevideo, Rio de Janeiro, La Guaira en Havana. De reis eindigde op 13 maart 1925 in New York, waarna USS Utah later dat jaar werd gemoderniseerd.
Een tweede Zuid-Amerikaanse opdracht begon in november 1928. USS Utah nam de verkozen president Herbert C. Hoover in Montevideo aan boord, bracht hem naar Rio de Janeiro en vervoerde hem vervolgens naar de Verenigde Staten. Op 6 januari 1929 bereikte het schip Hampton Roads. Daarnaast verrichtte het binnen de Scouting Fleet gewone taken zoals schietoefeningen, vlootmanoeuvres en personeelsopleiding.
Doelschip en opleidingsschip
Na de verbouwing tot AG-16 testte USS Utah in april en mei 1932 de nieuwe radiobesturing. Op 1 juni voer het drie uur onder afstandsbediening, waarna het naar San Pedro vertrok en zich aansloot bij Training Squadron 1. Vanaf juli diende het als bewegend doel voor kruisers en later voor USS Nevada. Tijdens Fleet Problem XVI in 1935 vervoerde USS Utah ook mariniers, terwijl de luchtafweeropleiding een tweede vaste taak werd.
USS Utah nam in januari 1939 aan Fleet Problem XX deel en oefende later met Submarine Squadron 6. Op 1 augustus 1940 arriveerde het in Pearl Harbor en in december vertrok het naar Long Beach, waar vliegtuigen van USS Lexington, USS Saratoga en USS Enterprise bombardementen oefenden. Op 1 april 1941 keerde het terug voor luchtafweertraining. Na vervoer van mariniers naar Bremerton en een werfbeurt hervatte USS Utah in september de werkzaamheden bij Hawaï.
Aanval op Pearl Harbor en berging
Op 7 december 1941 lag USS Utah aan ligplaats F-11 aan de westzijde van Ford Island. Zestien Nakajima B5N2-torpedovliegtuigen van Sōryū en Hiryū naderden dit deel van Pearl Harbor. De vluchtleiders herkenden het doelschip en kozen andere doelen, maar zes toestellen van Sōryū vielen alsnog aan. Hun bemanningen herkenden de afgedekte lege barbettes niet als resten van een gedemilitariseerd schip. Twee torpedo’s troffen de bakboordzijde; een andere miste USS Utah en raakte de nabijgelegen kruiser USS Raleigh.
Door de twee treffers stroomde snel water binnen, waarna het schip over bakboord slagzij maakte en omstreeks 08.12 uur kapseisde. Chief Watertender Peter Tomich bleef beneden om machines veilig te stellen en anderen te laten ontsnappen. Hij kwam om en ontving postuum de Medal of Honor. Commandant Solomon Isquith organiseerde een reddingspoging, waarbij vrijwilligers met snijbranders vier bemanningsleden uit de omgekeerde romp bevrijdden.
Bij het zinken kwamen 58 opvarenden om en 461 bemanningsleden overleefden. De marine verklaarde USS Utah op 29 december 1941 niet-operationeel en droeg het wrak over aan de Pearl Harbor Base Force. In 1944 probeerden zeventien lieren de romp met de parbucklingmethode te rechten, maar het wrak schoof naar Ford Island. Na een draaiing van 38 graden stopte het werk; op 5 september volgde de buitendienststelling en op 13 november 1944 verdween de naam uit het Naval Vessel Register.
Na de oorlog
Het wrak van USS Utah bleef na 1945 aan de westzijde van Ford Island liggen en delen van de romp steken nog boven het water uit. Omdat het merendeel van de omgekomen bemanningsleden niet werd geborgen, heeft de locatie de status van oorlogsgraf. Rond 1950 kwamen er gedenkplaten op de kade en op het wrak. Op 27 mei 1972 werd een groter monument ingewijd, met een betonnen loopbrug van ongeveer 21 meter naar een platform met een gedenkplaat en vlaggenmast.
USS Utah en USS Arizona kregen op 5 mei 1989 de status van National Historic Landmark. Het monument maakt tegenwoordig deel uit van Pearl Harbor National Memorial en ligt binnen een actieve militaire basis. Rechtstreekse toegang blijft daarom beperkt, al kan het publiek de locatie onder vastgestelde voorwaarden tijdens begeleide bustochten bezoeken. Onderwateronderzoek en digitale vastlegging helpen de toestand van de romp en de omgeving te documenteren zonder het oorlogsgraf te verstoren.
Ook buiten Pearl Harbor zijn voorwerpen van USS Utah bewaard gebleven. In het Utah State Capitol bevinden zich onder meer delen van het zilverwerk en de klok uit de kapiteinshut. De scheepsbel werd geconserveerd en keerde op 7 december 2017 terug naar de University of Utah, waar deze in het Naval Science Building wordt getoond. In december 2024 werd de as van voormalig bemanningslid Gilbert Meyer als de zeventiende geregistreerde bijzetting van een overlevende in het wrak geplaatst.
Conclusie
USS Utah doorliep tussen 1911 en 1941 drie duidelijk verschillende functies binnen de Amerikaanse marine. Het schip begon als Florida-klasse dreadnought, ondersteunde operaties bij Veracruz en beschermde tijdens de Eerste Wereldoorlog de toegangen tot Europese konvooiroutes. In het interbellum volgden vlootoefeningen, opleidingsreizen, diplomatieke reizen en technische moderniseringen. Na het Londense vlootverdrag veranderde het voormalige slagschip in een radiografisch bestuurd doel- en opleidingsschip.
De ondergang bij Pearl Harbor beëindigde de actieve loopbaan van USS Utah. Twee torpedotreffers veroorzaakten snelle overstroming en kapseizen, waarbij 58 bemanningsleden omkwamen en 461 opvarenden overleefden. Omdat herstel geen militaire waarde meer had en de bergingspoging mislukte, bleef de romp bij Ford Island liggen. Het wrak, het monument en de bewaarde scheepsvoorwerpen vormen samen het materiële overblijfsel van de diensttijd van BB-31 en AG-16.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: See page for author, Public domain, via Wikimedia Commons
- Friedman, Norman (1986). “United States of America.” In Gardiner, Robert en Gray, Randal (red.). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1906–1921. London: Conway Maritime Press. ISBN 978-0-85177-245-5.
- Jones, Jerry W. (1998). United States Battleship Operations in World War One. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-55750-411-1.
- Nalty, Bernard C. (1999). War in the Pacific: Pearl Harbor to Tokyo Bay. Norman: University of Oklahoma Press. ISBN 978-0-8061-3199-3.
- Nofi, Albert A. (2010). To Train the Fleet for War: The U.S. Navy Fleet Problems, 1923–1940. Newport: U.S. Naval War College Press. ISBN 978-1-884733-69-7.
- Zimm, Alan D. (2011). Attack on Pearl Harbor: Strategy, Combat, Myths, Deceptions. Havertown: Casemate Publishers. ISBN 978-1-61200-197-5.
- O’Brien, Thomas (2005). “Pearl Harbor’s Forgotten Hero: The Story of the USS Utah.” Utah Historical Quarterly, 73(2), 132–149. JSTOR 45062888.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946










