Home Schepen Slagschepen en Slagkruisers USS Michigan (BB-27): geschiedenis en ontwerp

USS Michigan (BB-27): geschiedenis en ontwerp

Historische foto van slagschip USS Michigan met zware geschutstorens en de karakteristieke vakwerkmasten duidelijk zichtbaar.
USS Michigan, een Amerikaans slagschip van de South Carolina-klasse.

USS Michigan (BB-27) was een Amerikaans slagschip van de South Carolina-klasse en behoorde tot de eerste dreadnoughts van de United States Navy. Het schip diende van 1910 tot 1922, ondersteunde de Amerikaanse bezetting van Veracruz en vervulde tijdens de Eerste Wereldoorlog vooral opleidings- en escortetaken. Na het Washingtonse vlootverdrag volgde de sloop in 1924.

Ontwerp en constructie

De South Carolina-klasse ontstond uit de Amerikaanse behoefte aan een slagschip met één zwaar hoofdgeschutkaliber. Het ontwerp werd in 1905 voltooid en moest binnen een door het Congres vastgestelde grens van 16.000 long ton blijven. Daardoor combineerde de klasse een nieuwe opstelling van het hoofdgeschut met conventionele voortstuwing en een beperkte maximumsnelheid. Michigan was het tweede schip van de klasse, maar kwam op 4 januari 1910 eerder in dienst dan zusterschip South Carolina.

Michigan had een totale lengte van 138,0 meter, een breedte van 24,5 meter en een diepgang van ongeveer 7,5 meter. De ontworpen waterverplaatsing bedroeg 16.000 long ton, gelijk aan 16.257 metrische ton. Volledig beladen kwam het schip uit op 17.617 long ton, ongeveer 17.900 metrische ton. De normale bemanning bestond uit 869 officieren en manschappen, al kon de bezetting per opdracht en periode verschillen.

De voortstuwing bestond uit twee verticale drievoudige expansiemachines die elk een schroefas aandreven. Twaalf kolengestookte waterpijpketels van Babcock & Wilcox leverden stoom voor een ontworpen vermogen van 16.500 indicateur-pk, ongeveer 12.300 kilowatt. Hiermee bereikte Michigan een topsnelheid van 18,5 knopen, gelijk aan circa 34 kilometer per uur. Bij een snelheid van 10 knopen bedroeg het vaarbereik ongeveer 5.000 zeemijl.

De vier geschuttorens stonden achter elkaar op de hartlijn, verdeeld over twee paren voor en achter de bovenbouw. Binnen ieder paar stond de binnenste toren hoger, zodat deze over de lagere toren heen kon vuren. Deze zogeheten superfiring-opstelling maakte een volledig breedzijvuur met alle acht zware kanonnen mogelijk, zonder geschuttorens aan weerszijden van de romp te plaatsen. De South Carolina-klasse was de eerste dreadnoughtklasse die deze indeling toepaste.

Bewapening

Het hoofdgeschut bestond uit acht 305mm-kanonnen van het type 12-inch/45 Mark 5, opgesteld in vier dubbeltorens. De aanduiding /45 betekende dat de looplengte 45 maal de diameter van de ziel bedroeg. Alle kanonnen konden aan één zijde worden ingezet, terwijl een beperkt aantal ook recht vooruit of achteruit kon vuren. De plaatsing op de hartlijn vereenvoudigde de verdeling van gewicht en bepantsering ten opzichte van ontwerpen met zijtorens.

De secundaire batterij omvatte 22 snelvuurkanonnen van 76 mm met een looplengte van 50 kalibers. Deze wapens stonden grotendeels in kazematten langs de romp en waren bedoeld voor de bestrijding van torpedoboten en andere kleine doelen. Bij ruw weer konden laag geplaatste kazematkanonnen minder goed bruikbaar zijn doordat zeewater over de openingen sloeg. Dit probleem kwam bij meerdere slagschipontwerpen uit deze periode voor.

Michigan beschikte daarnaast over twee onder de waterlijn ingebouwde torpedobuizen van 533 mm, één aan iedere zijde. Torpedobuizen golden rond 1910 nog als een gebruikelijk onderdeel van de bewapening van slagschepen. Hun praktische waarde op grote gevechtsafstand was beperkt, maar zij pasten binnen de toenmalige verwachting dat een vlootgevecht ook op korte afstand kon eindigen. De torpedobuizen speelden tijdens de feitelijke loopbaan van Michigan geen aantoonbare gevechtsrol.

Bepantsering

De hoofdgordel bood de zwaarste bescherming rond de munitieruimten en machine-installatie. Ter hoogte van de magazijnen was de gordel 305 mm dik, bij de machineruimten 254 mm en op andere delen 203 mm. Het pantserdek varieerde van 38 tot 64 mm. Boeg en achtersteven kregen geen gelijkwaardige zware gordelbepantsering, omdat het beschikbare gewicht vooral werd gebruikt voor de vitale delen van het schip.

De voorzijde van de geschuttorens had 305 mm pantser, terwijl de barbettes onder de torens met maximaal 254 mm waren beschermd. De kazematten van het secundaire geschut hadden eveneens pantserplaten tot 254 mm. De commandotoren beschikte over 305 mm dikke zijden. Deze verdeling bood een redelijke bescherming voor de verwachte gevechtsafstanden van de ontwerpfase, maar was minder geschikt voor steil invallende granaten bij later gebruikelijke lange afstanden.

Sensoren

Michigan werd gebouwd voordat radar en actieve sonar beschikbaar waren voor oorlogsschepen. Waarneming gebeurde met optische instrumenten, uitkijkposten en afstandsmeters, aangevuld met meldingen van waarnemers hoog in de vakwerkmasten. De hoogte van deze posten vergrootte de zichtbare horizon en maakte het mogelijk om granaatinslagen op grotere afstand te volgen. Zoeklichten ondersteunden herkenning en vuurleiding tijdens oefeningen in het donker.

De vuurleiding was aanvankelijk afhankelijk van afzonderlijke waarnemingen, berekeningen en bevelsoverdracht naar de geschuttorens. In december 1914 beproefde de bemanning vuurleidingsdirecteurs waarmee de richting van het geschut centraal kon worden aangestuurd. Schietproeven begin 1915 lieten betere resultaten zien dan met de eerdere werkwijze. Deze middelen waren vuurleidingsapparatuur en geen elektronische sensoren in de moderne betekenis.

Modificaties

Tijdens de bouw werd het oorspronkelijke mastplan gewijzigd door hoge vakwerkmasten op de hartlijn te plaatsen. Deze constructies droegen observatieposten voor de vuurleiding en waren kenmerkend voor Amerikaanse slagschepen uit die jaren. De verandering volgde op ervaringen met schieten op grotere afstand, waarvoor een hoge waarnemingspositie nodig was. De eerder voorziene mastdelen bleven in verkorte vorm bruikbaar als steunpunten voor de scheepskranen.

De belangrijkste latere aanpassing betrof de proef met centrale vuurleidingsdirecteurs vanaf eind 1914. Na de explosie van een kanonloop in september 1916 werden beschadigde delen van het voordek, de bovenbouw en de voorste mastconstructie hersteld. In januari 1918 bezweek die voorste vakwerkmast tijdens zwaar weer, waarna opnieuw reparaties nodig waren. Michigan onderging geen omvangrijke modernisering van voortstuwing, bepantsering of hoofdgeschut voordat het schip buiten dienst kwam.

Status schip tijdens de oorlog

Bij de Amerikaanse deelname aan de Eerste Wereldoorlog was Michigan technisch bruikbaar, maar voor inzet met moderne slagschipeskaders operationeel verouderd. De maximumsnelheid van 18,5 knopen lag onder die van nieuwere Amerikaanse slagschepen, die doorgaans ongeveer 21 knopen konden halen. Ook de drievoudige expansiemachines en kolengestookte ketels behoorden tot een oudere generatie dan de turbine-installaties van latere dreadnoughts. De marine plaatste het schip daarom bij Battleship Force 2 voor opleiding en begeleiding van konvooien.

De toewijzing aan ondersteunende taken betekende niet dat Michigan buiten gebruik of verwaarloosd was. Het schip nam deel aan oefeningen, leidde kanonniers en andere rekruten op en werd na schade telkens op een marinewerf hersteld. Wel beperkten het mastongeval van januari 1918 en het verlies van de bakboordschroef in oktober de beschikbaarheid. Michigan heeft tijdens de oorlog geen gevecht met een vijandelijk oppervlakteschip geleverd en voltooide geen operationele oversteek naar het Europese oorlogsgebied.

Operationele geschiedenis

Bouw en eerste reizen

De kiel van Michigan werd op 17 december 1906 gelegd bij de New York Shipbuilding Corporation in Camden, New Jersey. De tewaterlating volgde op 26 mei 1908 en het schip werd op 4 januari 1910 in dienst gesteld. Na indienststelling ging Michigan naar de Atlantic Fleet en voltooide het tot 7 juni een oefenreis in het Caribisch gebied. Vanaf 29 juli nam het slagschip deel aan vlootmanoeuvres voor de kust van New England.

Op 2 november 1910 vertrok Michigan vanuit Boston voor een oefenreis naar Europa. Het schip bezocht Portland in Groot-Brittannië en bereikte Cherbourg op 8 december, waar het tot 30 december bleef. Via Guantánamo Bay keerde Michigan op 14 januari 1911 terug in Norfolk. In deze periode diende John Henry Towers aan boord als waarnemer voor het hoofdgeschut; zijn ervaring met schieten voorbij de zichtbare horizon versterkte zijn belangstelling voor vliegtuigen als observatiemiddel.

Patrouilles en Mexico

Michigan opereerde in 1911 en een groot deel van 1912 langs de Amerikaanse oostkust en in het Caribisch gebied. Op 15 november 1912 begon een reis via Pensacola, New Orleans en Galveston naar Veracruz, waar het schip op 12 december aankwam. Na een verblijf van twee dagen keerde het terug naar Hampton Roads. Deze reizen combineerden opleiding, vlootaanwezigheid en ondersteuning van Amerikaanse belangen in de regio.

De onrust tijdens de Mexicaanse Revolutie leidde in 1913 tot een langere inzet voor de Mexicaanse kust. Michigan vertrok op 6 juli uit Quincy, bereikte Tampico op 15 juli en bleef tot 13 januari 1914 in het gebied. Na terugkeer aan de oostkust volgde tussen februari en maart een korte reis naar Guacanayabo Bay op Cuba. Op 16 april vertrok het schip opnieuw naar Mexico vanwege de Amerikaanse operatie tegen Veracruz.

Michigan bereikte Veracruz op 22 april 1914 en zette een bataljon mariniers aan land voor de bezettingsmacht. Daarna patrouilleerde het slagschip langs de kust, zonder dat het hoofdgeschut in een zeeslag werd gebruikt. Op 20 juni begon de terugreis en zes dagen later bereikte Michigan de Delaware Capes. Vervolgens hervatte het schip de gebruikelijke oefeningen en reizen langs de Amerikaanse oostkust.

Schietproeven en het ongeval van 1916

Vanaf december 1914 testte de bemanning een centrale vuurleidingsdirecteur voor het richten van de zware kanonnen. Bij proeven begin 1915 verbeterde deze werkwijze de schietresultaten. In september 1916 gebruikte Michigan de oude monitor Miantonomoh als oefendoel, waaronder tijdens nachtelijke schietoefeningen op 18 september. Op 21 september ontplofte een granaat in het linkerkanon van de voorste verhoogde geschuttoren, waardoor de loop afbrak en brokstukken het voordek en de bovenbouw beschadigden.

Bij het ongeval raakte één bemanningslid gewond. Michigan voer voor herstel naar de Philadelphia Navy Yard en kwam daar op 23 september aan. Ook het smalste deel van de voorste vakwerkmast liep schade op en werd gerepareerd. Deze plaats bleef een zwak punt in de constructie en speelde later een rol bij het bezwijken van de mast tijdens zwaar weer.

Eerste Wereldoorlog

Na de Amerikaanse oorlogsverklaring aan Duitsland op 6 april 1917 werd Michigan ingedeeld bij Battleship Force 2. Het schip trainde personeel voor de snel groeiende oorlogsvloot, voerde schietoefeningen uit en kreeg escortetaken. Door de beperkte snelheid werd Michigan niet opgenomen in de Amerikaanse slagschipeenheden die vanuit Europese bases met de Britse Grand Fleet samenwerkten. Het slagschip bleef hoofdzakelijk actief in Amerikaanse en westelijke Atlantische wateren.

Op 15 januari 1918 voer Michigan tijdens een oefening voor Kaap Hatteras door een zware storm. Het schip helde eerst sterk naar bakboord en rolde daarna snel terug naar stuurboord, waarna de voorste vakwerkmast bij het eerder beschadigde gedeelte afbrak. Zes opvarenden kwamen om en dertien raakten gewond. Michigan bracht de gewonden in Norfolk over naar het hospitaalschip Solace en arriveerde op 22 januari in Philadelphia voor herstel.

Begin april 1918 was het schip weer beschikbaar en leidde het vooral kanonniers op in Chesapeake Bay. Op 30 september vertrok Michigan met een konvooi, maar tijdens de reis ging de bakboordschroef verloren. Het slagschip moest het konvooi op 8 oktober verlaten en voor reparatie terugkeren. Hierdoor bleef het gedurende de laatste weken van de oorlog buiten operationele dienst.

Repatriëring van militairen

Na de wapenstilstand van 11 november 1918 kreeg Michigan eind december een plaats in de Cruiser and Transport Force. Deze eenheid bracht Amerikaanse militairen vanuit Europa terug naar de Verenigde Staten. Michigan maakte twee retourreizen, de eerste van 18 januari tot 3 maart 1919 en de tweede van 18 maart tot 16 april. Tijdens deze reizen vervoerde het schip in totaal 1.062 militairen naar huis.

Na de oorlog

Michigan onderging in mei en juni 1919 een onderhoudsbeurt in Philadelphia en keerde daarna terug naar de opleidingsdienst. Op 6 augustus werd het schip in beperkte dienst geplaatst bij de Philadelphia Navy Yard. Vanaf 19 mei 1920 vervoerde het adelborsten van Annapolis via het Panamakanaal naar Honolulu, waar het op 3 juli aankwam. Daarna bezocht Michigan Seattle, San Francisco, San Pedro en San Diego, voordat het op 2 september naar Annapolis terugkeerde.

Na een tijdelijke uitdienststelling in Philadelphia werd Michigan in 1921 opnieuw geactiveerd. Een reis naar het Caribisch gebied duurde van 4 tot 23 april. Commandant Clark Daniel Stearns stelde op 3 mei commissies van matrozen in om spanningen tussen officieren en bemanning te verminderen. Hogere commandanten beschouwden deze commissies als een bedreiging voor de discipline en als een teken van marxistische invloed, waarna minister van Marine Edwin Denby Stearns van zijn commando onthief.

Op 28 mei 1921 nam Michigan opnieuw adelborsten aan boord voor een reis naar Europa. Het schip bezocht onder meer Christiania, het huidige Oslo, Lissabon en Gibraltar en bereikte op 22 augustus via Guantánamo Bay weer Hampton Roads. Op 31 augustus begon de laatste vaart over de Delaware naar Philadelphia, waar Michigan op 1 september aankwam. De actieve loopbaan was daarmee feitelijk beëindigd.

Het Washingtonse vlootverdrag van 6 februari 1922 legde grenzen op aan de slagschipvloten van de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Japan, Frankrijk en Italië. Michigan en South Carolina stonden op de lijst van Amerikaanse schepen die moesten worden afgestoten. Michigan werd op 11 februari 1922 uit dienst gesteld en op 10 november 1923 uit het Naval Vessel Register geschrapt. De ontmanteling en sloop waren in 1924 voltooid.

Conclusie

USS Michigan vertegenwoordigde de overgang van het Amerikaanse slagschip met meerdere zware kalibers naar de dreadnought met een uniforme hoofdbatterij. De opstelling van vier dubbeltorens in twee verhoogde paren werd later bij veel slagschepen toegepast. Tegelijk beperkten de lage snelheid, de oudere voortstuwing en het pantserconcept de bruikbaarheid naast nieuwere schepen. De loopbaan bestond daarom vooral uit vloottraining, aanwezigheid in Amerikaanse en Caribische wateren, ondersteuning bij Veracruz, opleiding tijdens de Eerste Wereldoorlog en repatriëring van militairen.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: National Archives at College Park, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Friedman, Norman (1986). United States of America. In Gardiner, Robert en Gray, Randal (red.), Conway’s All the World’s Fighting Ships 1906–1921. Londen: Conway Maritime Press. ISBN 978-0-85177-245-5.
  3. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946
Previous articleUSS Utah: van slagschip tot oorlogsgraf
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in geschiedenis, militaire geschiedenis en de Tweede Wereldoorlog. Sommige redacteuren hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring, operationeel inzicht en kennis van commandostructuren mee. Andere redacteuren houden zich bezig met historisch onderzoek, educatieve content en kennisprojecten. Door deze combinatie van achtergronden ontstaan goed gedocumenteerde artikelen waarin feitelijke nauwkeurigheid, bronnenkritiek, context en analyse centraal staan. De redactie streeft naar objectieve en zorgvuldig onderbouwde publicaties die bijdragen aan een beter begrip van deze belangrijke periode in de geschiedenis.