Generaal Izaäk Reijnders: strategie en ontslag in 1940

Izaäk Herman Reijnders was van 28 augustus 1939 tot 6 februari 1940 opperbevelhebber van de Nederlandse Land- en Zeemacht. Zijn conflict met de regering betrof de verdedigingsstrategie, de militaire bevoegdheden en de voorbereiding op een Duitse aanval. Zijn nadruk op Noord-Brabant kreeg in mei 1940 nieuwe betekenis. De uitvoerbaarheid van zijn volledige plan bleef echter onbewezen.

Vroege leven en opleiding

Izaäk Herman Reijnders werd op 27 maart 1879 geboren in Stadskanaal, dat destijds tot de gemeente Onstwedde behoorde. Zijn vader, eveneens Izaäk Herman Reijnders geheten, was burgemeester van Onstwedde en zijn moeder was Antje Meursinge. In burgerlijke bronnen komt vooral de schrijfwijze Reijnders voor, terwijl militaire publicaties en zijn eigen naoorlogse brochures vaak de naam Reynders gebruiken. Beide spellingen hebben daardoor een plaats gekregen in de geschiedschrijving over zijn loopbaan.

Reijnders volgde van 1896 tot 1899 de officiersopleiding aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Op 29 juli 1899 werd hij benoemd tot tweede luitenant bij de infanterie en op 29 juli 1903 volgde zijn bevordering tot eerste luitenant. Vanaf 1 november 1912 werd hij bij de Hogere Krijgsschool gedetacheerd voor de studie van de algemene krijgskunde. Deze opleiding bereidde officieren voor op stafwerk, operationele planning en hogere bevelvoering.

Op 14 juli 1908 trouwde Reijnders in Meppel met Maria Willemina Nijsingh, ook bekend onder de naam Nysingh. Haar vader, Anthonij Ewoud Jan Nijsingh, was advocaat, kantonrechter in Meppel en lid van de Eerste Kamer. Reijnders woonde ten tijde van het huwelijk in Assen en stond in de huwelijksakte vermeld als eerste luitenant. Hun enige dochter Hermina werd op 9 december 1911 in Assen geboren.

Deelname aan de Eerste Wereldoorlog

Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende Reijnders als kapitein in de Nederlandse landmacht en vervolgde hij zijn opleiding aan de Hogere Krijgsschool. Nederland bleef neutraal, maar mobiliseerde zijn strijdkrachten om de grenzen te bewaken en schending van het grondgebied te voorkomen. Reijnders nam niet deel aan gevechten buiten Nederland en verwierf geen operationele oorlogservaring aan een buitenlands front. In 1918 voerde hij korte tijd een infanteriecompagnie aan en werd hij daarna bij de Generale Staf geplaatst.

De mobilisatie bracht hem wel in aanraking met de bestuurlijke verhouding tussen regering, legerleiding en opperbevel. Tijdens zijn verhoren in 1948 verwees hij naar de positie van opperbevelhebber Cornelis Snijders en naar de militaire onrust van 1918. Ook zijn latere afwijzing van partijpolitieke mobilisatieclubs hield verband met zijn opvattingen over krijgstucht en de gebeurtenissen aan het einde van de oorlog. De Eerste Wereldoorlog bleef voor hem daardoor vooral een militair-bestuurlijk referentiepunt.

Interbellum: van stafofficier tot opperbevelhebber

Loopbaan binnen de legerleiding

Na de Eerste Wereldoorlog doorliep Reijnders achtereenvolgens hogere staf- en bevelsfuncties. Hij werd op 1 december 1925 majoor en op 1 augustus 1928 luitenant-kolonel en chef-staf van de 1e Divisie. Na zijn bevordering tot kolonel op 1 november 1931 werkte hij bij de Generale Staf en vanaf 1 november 1932 als inspecteur der infanterie. Op 1 november 1933 werd hij generaal-majoor en op 1 mei 1934 chef van de Generale Staf.

Als chef van de Generale Staf hield Reijnders zich bezig met mobilisatieplannen, verdedigingsstellingen, bewapening, inlichtingen en de organisatie van de landmacht. In 1934 waarschuwde hij binnen de legerleiding dat de ontwikkelingen in Duitsland en Italië de Nederlandse veiligheid bedreigden en dat neutraliteit geen afdoende bescherming bood. Zijn uitgangspunt bleef gewapende neutraliteit, waarbij Nederland iedere schending van zijn grondgebied naar vermogen moest bestrijden. Op 1 november 1935 werd hij bevorderd tot luitenant-generaal.

Benoeming tijdens de mobilisatie

De Nederlandse regering kondigde op 28 augustus 1939 de algemene mobilisatie af. Bij Koninklijk Besluit nr. 35 werd Reijnders op dezelfde dag benoemd tot opperbevelhebber van Land- en Zeemacht. Op 30 augustus volgde zijn bevordering tot generaal, de hoogste generaalsrang binnen de landmacht. Reijnders verklaarde later dat zijn formele benoeming pas bij de mobilisatie kwam, waardoor hij voordien niet tegenover alle betrokken commandanten over de bevoegdheden van een opperbevelhebber had beschikt.

De vooroorlogse bevelsstructuur was verdeeld over de chef van de Generale Staf, de commandant van het Veldleger, de commandant van Vesting Holland en andere zelfstandige bevelhebbers. Daardoor konden strategische voorbereiding en bevelvoering niet volledig vanuit één gezagslijn worden aangestuurd. Na zijn benoeming wilde Reijnders een ruime operationele bevoegdheid binnen de politieke uitgangspunten van de regering. Het kabinet en minister van Defensie Adriaan Dijxhoorn benadrukten daartegenover de ministeriële verantwoordelijkheid voor besluiten met militaire, binnenlandse en buitenlandse gevolgen.

Verdediging van Noord-Brabant en Vesting Holland

Het verdedigingsconcept van Reijnders bestond uit opeenvolgende fasen. Grensdetachementen moesten waarschuwen en vernielingen uitvoeren, terwijl de Peel-Raamstelling in Noord-Brabant en de Grebbelinie in het midden van het land weerstand moesten bieden. Wanneer verdere verdediging daar niet mogelijk was, moesten eenheden teruggaan naar de oostelijke verdediging van Vesting Holland, die grotendeels op de Nieuwe Hollandse Waterlinie steunde. Reijnders wilde de buitenste stellingen dus niet allemaal onbeperkt vasthouden, maar gebruiken om ruimte en tijd te winnen.

Noord-Brabant vormde in zijn planning een samenhangende strategische ruimte met Breda, Antwerpen, Moerdijk, Dordrecht en Rotterdam. Een verdediging van de Peel-Raamstelling moest een Duitse opmars vertragen, de zuidflank van de Grebbelinie beschermen en tijd scheppen voor contact met Belgische en Franse strijdkrachten. Reijnders begreep dat Franse hulp alleen militair bruikbaar kon worden wanneer het gebied voor de aansluiting niet vroegtijdig werd opgegeven. Hij wilde daarom verder oostelijk en zuidelijk weerstand bieden dan later onder Winkelman werd voorzien.

Deze opzet kende een zwakke basis, omdat Nederland geen bindende operationele afspraken met België en Frankrijk had gemaakt. De Franse Breda-variant van het Dijleplan voorzag in een opmars van het Franse Zevende Leger via Antwerpen naar Breda, maar niet in een bezetting van de Peel-Raamstelling. De Fransen vonden deze stelling te ver oostelijk en gaven de voorkeur aan een front bij Tilburg en Breda, terwijl België evenmin op de Peel wilde aansluiten. De neutraliteitspolitiek beperkte het voorafgaande overleg over bevelvoering, verbindingen en vuursteun.

Conflict met de regering

Commandant van het Veldleger Godfried van Voorst tot Voorst betwijfelde of de beschikbare troepen zowel de Grebbelinie als de oostzijde van Vesting Holland voldoende konden voorbereiden en verdedigen. Hij achtte bovendien een ordelijke terugtocht van de Grebbelinie naar Vesting Holland onder Duitse druk moeilijk uitvoerbaar. Dijxhoorn en het kabinet deelden deze bezwaren en wilden niet dat de eindverdediging afhankelijk werd van een geslaagde terugtocht uit de voorste linie. Reijnders vond de regeringsopdracht tegenstrijdig, omdat zij weerstand in beide gebieden verlangde zonder hem zijn gefaseerde inzet als uitgangspunt te laten gebruiken.

Naast de strategie ontstonden geschillen over persrichtlijnen, luchtverdediging, partijpolitieke mobilisatieclubs en de toepassing van de Oorlogswet. Reijnders wilde de staat van beleg invoeren om bevoegdheden rond censuur, verkeer, communicatie en veiligheid onder militair gezag te brengen. De regering koos aanvankelijk voor de beperktere staat van oorlog en wees zijn ruime uitleg van de positie van de opperbevelhebber af. De combinatie van deze meningsverschillen en het afgenomen vertrouwen maakte verdere samenwerking volgens het kabinet niet werkbaar.

Reijnders kreeg formeel op 6 februari 1940 eervol ontslag, nadat de beslissing op 5 februari aan hem was meegedeeld. Hij werd opgevolgd door de gepensioneerde generaal Henri Gerard Winkelman. Het ontslag was geen degradatie, disciplinaire straf of strafrechtelijke maatregel, maar een regeringsbesluit over het opperbevel. Winkelman vereenvoudigde vervolgens het verdedigingsplan, maakte de Grebbelinie tot hoofdverdediging en legde meer nadruk op de bescherming van Vesting Holland.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog

Geen operationeel bevel in mei 1940

Reijnders bekleedde bij de Duitse inval van 10 mei 1940 geen militaire functie en nam niet deel aan de operationele bevelvoering. Zijn rol in de voorbereiding van de verdediging eindigde drie maanden voor de aanval. Winkelman bepaalde dat het IIIe Legerkorps en de Lichte Divisie zich bij een inval uit Noord-Brabant moesten terugtrekken in de richting van de grote rivieren en Vesting Holland. De Peel-Raamstelling bleef daardoor achter met de Peeldivisie, die over minder eenheden en minder slagkracht beschikte dan Reijnders voor zijn bredere verdediging had gewenst.

De Duitse 254e en 256e Infanteriedivisie doorbraken de Maaslinie en de Peel-Raamstelling, mede nadat Duitse troepen via de spoorbrug bij Gennep achter de verdediging waren gekomen. De Nederlandse legerleiding liet de Peel-Raamstelling in de nacht van 10 op 11 mei ontruimen. Franse voorhoeden bereikten Breda en Tilburg vóór de Duitse pantsertroepen, maar konden geen duurzaam front met de Nederlandse verdediging vormen. De Nederlandse terugtocht, gebrekkige afspraken en de ontwikkelingen aan het Belgische front bepaalden samen hun beperkte inzetbaarheid.

Moerdijk, Dordrecht en Rotterdam

De Duitse 9. Panzer-Division rukte door Noord-Brabant naar de Moerdijkbruggen op en bereikte op 12 mei de daar ingezette luchtlandingstroepen. Daarmee ontstond een grondverbinding via Moerdijk en Dordrecht in de richting van Rotterdam. Deze verbinding maakte het mogelijk om de Duitse luchtlandingseenheden te versterken en verkleinde de beschikbare tijd voor Nederlandse en Franse tegenmaatregelen. De as Moerdijk-Dordrecht-Rotterdam werd daardoor een centraal onderdeel van de Duitse operatie tegen het westen van Nederland.

De gebeurtenissen bevestigden het strategische belang van Noord-Brabant en de bruggen over de grote rivieren. Zij bewijzen echter niet dat het volledige plan van Reijnders de Duitse opmars had gestopt, omdat zijn opzet afhankelijk bleef van Franse steun, voldoende bezetting en een ordelijke terugtocht naar Vesting Holland. De beschikbare Nederlandse eenheden hadden tekorten aan moderne verbindingen, antitankmiddelen, artilleriesteun en geoefende reserves. Zijn nadruk op de geografische samenhang was onderbouwd, maar de vereiste middelen en afspraken waren niet verzekerd.

De vergelijking met Winkelman betreft daarom meer dan de keuze tussen twee afzonderlijke linies. Reijnders wilde langer in Noord-Brabant blijven om tijd en aansluitingsruimte voor geallieerde troepen te behouden. Winkelman concentreerde een groter deel van de Nederlandse gevechtskracht rond de Grebbelinie en Vesting Holland, omdat hij een langdurige verdediging van Noord-Brabant met de beschikbare middelen niet haalbaar achtte. De vroege ontruiming van de Peel-Raamstelling beperkte de Franse mogelijkheden, maar was niet de enige oorzaak van het mislukken van de Franse operatie in Zuid-Nederland.

Effecten Peel-Raamstelling volgens het plan van Reijnders

Een krachtiger bezetting van de Peel-Raamstelling volgens het plan van Reijnders zou de opmars van de Duitse 9. Panzer-Division door Noord-Brabant naar Moerdijk en Rotterdam ten minste hebben vertraagd. Die tijdwinst had het Franse Zevende Leger, dat over sterke mobiele eenheden beschikte, meer gelegenheid gegeven zich volgens de Breda-variant bij Breda en Tilburg te ontplooien. Vanuit Midden-Brabant hadden de Franse troepen de flank en aanvoerlijnen van de Duitse eenheden richting Moerdijk en Rotterdam kunnen bedreigen. Daardoor zou ook de Duitse grondverbinding met de luchtlandingstroepen bij Moerdijk, Dordrecht en Rotterdam onder grotere druk zijn gekomen.

Bezettingsjaren en de Binnenlandse Strijdkrachten

Over de dagelijkse bezigheden van Reijnders tijdens de Duitse bezetting is weinig concreets gedocumenteerd. Hij kreeg na zijn ontslag geen nieuw Nederlands operationeel commando en vervulde geen aangetoonde functie binnen het bezettingsbestuur. Het soms aan hem toegeschreven adviseurschap bij Philips kan niet met betrouwbare biografische of militair-historische gegevens worden onderbouwd. Ook de bewering dat hij daar gevoelige bedrijfsinformatie tegen Duitse inbeslagname beschermde, behoort daarom niet tot zijn vastgestelde loopbaan.

In het najaar van 1944 benaderden vertegenwoordigers van het verzet Reijnders voor het bevel over de Binnenlandse Strijdkrachten in bezet Nederland. Hij stelde zich alleen beschikbaar wanneer koningin Wilhelmina hem persoonlijk voor deze militaire functie zou vragen. Omdat een dergelijk verzoek uitbleef, nam hij het bevel niet op zich. Kolonel Henri Koot werd vervolgens commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten en Reijnders vervulde binnen deze organisatie geen verdere leidinggevende taak.

Na de oorlog

Reijnders publiceerde in 1945 de brochure De wisseling in het Opperbevel van Land- en Zeemacht in februari 1940. Daarin verdedigde hij zijn strategie en zijn opvatting over de verhouding tussen regering en opperbevel. In 1946 volgde Nogmaals: De wisseling in het Opperbevel van Land- en Zeemacht in februari 1940, nadat Dijxhoorn schriftelijk had gereageerd. Beide publicaties leidden niet tot formeel eerherstel, maar legden documenten en argumenten vast die later in het historische debat werden gebruikt.

De Parlementaire Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 hoorde Reijnders op 17 februari en 23 juni 1948. Hij werd ondervraagd over de wisseling van het opperbevel, zijn strategie, de Oorlogswet, de mobilisatieclubs en de gevechten van mei 1940. Tijdens deze verhoren erkende hij dat hij de waarschuwingen van militair attaché Gijsbertus Jacobus Sas over de Duitse bron Hans Oster aanvankelijk te wantrouwend had beoordeeld. De commissie onderzocht bestuurlijke en politieke verantwoordelijkheid en behandelde geen strafzaak tegen Reijnders.

In zijn latere levensjaren bekleedde Reijnders geen nieuwe openbare militaire functie. Zijn naam bleef verbonden met de discussie over de Nederlandse verdedigingsvoorbereiding, de verhouding tussen regering en legerleiding en de keuze voor Noord-Brabant. Hij overleed op 31 december 1966 in Den Haag, 87 jaar oud. Zijn betekenis wordt beoordeeld aan de hand van zijn plannen, zijn eigen verdediging daarvan en de bestuurlijke beperkingen waaronder de krijgsmacht voor mei 1940 werkte.

Militaire Rangen

  • Tweede luitenant: 29 juli 1899
  • Eerste luitenant: 29 juli 1903
  • Kapitein: 1 september 1913
  • Majoor: 1 december 1925
  • Luitenant-kolonel: 1 augustus 1928
  • Kolonel: 1 november 1931
  • Generaal-majoor: 1 november 1933
  • Luitenant-generaal: 1 november 1935
  • Generaal: 30 augustus 1939

Onderscheidingen

Reijnders ontving gedurende zijn loopbaan Nederlandse en Belgische onderscheidingen. Op 6 december 1914 kreeg hij het Ereteken voor Langdurige Dienst als Officier met het cijfer XV en op 20 augustus 1925 werd hij Ridder in de Orde van Oranje-Nassau met de zwaarden. Op 17 augustus 1935 volgde zijn benoeming tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Op 21 januari 1939 ontving hij het Grootkruis in de Belgische Kroonorde.

Conclusie

Izaäk Herman Reijnders was een ervaren stafofficier die tijdens de mobilisatie van 1939 een gefaseerde verdediging van Nederland voorbereidde. Hij wilde de Peel-Raamstelling en de Grebbelinie gebruiken om tijd te winnen voordat de verdediging zich op Vesting Holland concentreerde. Zijn aandacht voor Noord-Brabant, Moerdijk, Dordrecht en Rotterdam sloot aan bij de route die de Duitse 9. Panzer-Division in mei 1940 gebruikte. De gebeurtenissen ondersteunden zijn inschatting van het strategische gevaar, maar leverden geen bewijs dat zijn gehele verdedigingsplan uitvoerbaar was.

De zwakte van zijn opzet lag in de afhankelijkheid van geallieerde samenwerking, terwijl bindende afspraken met Frankrijk en België ontbraken. Ook waren de bezetting, verbindingen, vuursteun en voorbereiding van een terugtocht onvoldoende verzekerd. Zijn ontslag volgde uit een combinatie van strategische verschillen, botsende bevoegdheidsopvattingen en afgenomen vertrouwen tussen opperbevel en regering. Reijnders kreeg eervol ontslag en bleef na de oorlog zonder formeel eerherstel, maar zijn waarschuwing voor de samenhang van Noord-Brabant en de westelijke rivierbruggen behield een vaste plaats in de beoordeling van mei 1940.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: computer, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Brongers, E.H. (2007). Generaal Reynders: een miskend bevelhebber 1939-1940. Soesterberg: Uitgeverij Aspekt. ISBN 978-90-5911-603-0.
  3. Hasselton, P.W.M. (1995). De wisseling van het opperbevel in februari 1940 getoetst aan de praktijk van de Oorlogswet in de periode 1887-1940. Venlo: Van Spijk. ISBN 978-90-6216-120-1.
  4. Van Gent, Tobias (2022). De minister en de majesteit: Adriaan Dijxhoorn, minister van Defensie in oorlogstijd. Amsterdam: Boom. ISBN 978-90-2444-678-0.
  5. Amersfoort, Herman en Kamphuis, Piet H. (red.) (2010). May 1940: The Battle for the Netherlands. Leiden en Boston: Brill. ISBN 978-90-04-18438-1. ISSN 1385-7827.
  6. Klinkert, Wim (2019). ‘In the interest of peace and quiet in Europe’: The military and strategic role of Dutch neutrality, 1890-1940. Journal of Modern European History, 17(1), 48-63. DOI 10.1177/1611894418820254. JSTOR 26832806.
  7. Bronnen voor historisch onderzoek 1800-1946.