Home Personen Nederlands Adriaan Dijxhoorn: minister van Defensie 1939-1941

Adriaan Dijxhoorn: minister van Defensie 1939-1941

Portret van Adriaan Dijxhoorn (1889-1953), Nederlands militair en politicus en voormalig minister van Defensie.
Adriaan Dijxhoorn (1889-1953), Nederlands militair, politicus en minister van Defensie tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Adriaan Quirinus Hendrik Dijxhoorn was een Nederlandse beroepsofficier, militair docent, stafofficier en partijloos minister van Defensie. Hij werd op 10 september 1889 in Rotterdam geboren en overleed op 22 januari 1953 in De Steeg. Zijn belangrijkste politieke werkzaamheden vielen samen met de mobilisatie van 1939, de Duitse inval van mei 1940 en de vestiging van de Nederlandse regering in Londen. Na zijn aftreden bleef hij actief binnen de geallieerde militaire samenwerking en bereikte hij de rang van luitenant-generaal. Zijn loopbaan verbond militaire planning, defensiebeleid en crisisbestuur tijdens twee wereldoorlogen.

Vroege leven en opleiding

Jeugd en officiersopleiding

Dijxhoorn groeide op in een Rotterdams fabrikantengezin. Zijn vader, Adriaan Carel Dijxhoorn, was verffabrikant en zijn moeder heette Maria Elisabeth van Voorthuijsen. Na de lagere school volgde hij de Hogere Burgerschool in Rotterdam. Vervolgens koos hij voor een loopbaan als beroepsofficier. Op 16 september 1908 begon hij aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda, waar hij voor de infanterie werd opgeleid. De opleiding omvatte algemene vorming, tactiek, militaire organisatie en leidinggeven. Op 29 juli 1911 voltooide hij de opleiding en werd hij benoemd tot tweede luitenant.

Zijn eerste jaren in actieve dienst stonden in het teken van de infanterie. Op 3 mei 1914 volgde zijn bevordering tot eerste luitenant. Daarmee maakte hij deel uit van het Nederlandse officierskorps in een periode waarin de internationale spanningen in Europa snel toenamen. Dijxhoorn ontwikkelde zich echter niet uitsluitend als troepenofficier. Zijn belangstelling verschoof geleidelijk naar militaire opleiding, stafwerk en de voorbereiding van grootschalige operaties. Die richting bepaalde later zijn functies bij militaire onderwijsinstellingen, de Generale Staf en het ministerie van Defensie.

Hogere militaire vorming

Na de Eerste Wereldoorlog vervolgde Dijxhoorn zijn opleiding aan de Hogere Krijgsschool in Den Haag. Hij studeerde daar van 1920 tot 1923 en werd voorbereid op functies binnen hogere staven en de militaire leiding. Vervolgens was hij onder meer adjudant van de commandant van het Veldleger. Tussen 1927 en 1929 volgde hij onderwijs aan de École Supérieure de Guerre in Parijs. Deze Franse opleiding legde nadruk op systematische voorbereiding, centrale bevelvoering, samenwerking tussen krijgsmachtonderdelen en het geconcentreerd inzetten van vuurkracht.

Deelname aan de Eerste Wereldoorlog

Nederland bleef tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal en nam niet als oorlogvoerende staat aan de strijd deel. Dijxhoorn diende in deze periode wel in de gemobiliseerde Nederlandse krijgsmacht. Zijn betrokkenheid bestond daarom niet uit gevechtsdienst aan een buitenlands front, maar uit militaire dienst binnen een leger dat langdurig paraat bleef. De mobilisatie moest de Nederlandse grenzen, kustgebieden en neutraliteit beschermen. Voor officieren betekende dit dat zij ervaring opdeden met personeelsbeheer, logistiek, opleiding en bevelvoering onder omstandigheden van langdurige militaire gereedheid.

Vanaf 1 juni 1916 werkte Dijxhoorn als docent aan de Koninklijke Militaire Academie. Hij bleef daar tot september 1919. Zijn werkzaamheden lagen daardoor tijdens het laatste deel van de oorlog vooral bij de opleiding van toekomstige officieren. De langdurige mobilisatie maakte duidelijk welke eisen een nationale crisis stelde aan een krijgsmacht die niet rechtstreeks deelnam aan de oorlog, maar voortdurend rekening moest houden met mogelijke schendingen van het grondgebied. Deze periode vormde een praktische achtergrond voor zijn latere werk als docent, stafofficier en bewindsman.

Interbellum: militaire loopbaan en defensiebeleid

Docent, publicist en stafofficier

Dijxhoorn bouwde in het interbellum verder aan een loopbaan in het militaire onderwijs en de stafdienst. Van 1930 tot 1934 was hij docent aan de Hogere Krijgsschool. Daarnaast was hij bestuurslid van de Vereeniging ter Beoefening van de Krijgswetenschap en lid van een commissie die zich bezighield met technische reglementen. Tussen 1932 en 1938 maakte hij deel uit van de redactie van De Militaire Spectator. In deze functies hield hij zich bezig met tactiek, bewapening, opleiding en de organisatie van de Nederlandse krijgsmacht.

De Franse militaire school had merkbare invloed op zijn opvattingen. Daarbij stond een zorgvuldig voorbereid gevechtsplan centraal, uitgevoerd onder samenhangende leiding en ondersteund door geconcentreerde vuurkracht. Deze benadering sloot aan bij lessen die veel Europese officieren uit de Eerste Wereldoorlog trokken. Tegelijkertijd veranderde de oorlogvoering in de jaren dertig door de verdere ontwikkeling van tanks, vliegtuigen, radioverbindingen en mobiele operaties. Voor de Nederlandse krijgsmacht ontstond daardoor de vraag hoe bestaande verdedigingsplannen moesten worden aangepast aan een sneller en beweeglijker conflict.

Naar de militaire en politieke top

In de tweede helft van de jaren dertig vervulde Dijxhoorn functies bij het Veldleger en de Generale Staf. Na een periode als hoofdinstructeur bij het zesde regiment infanterie werd hij op 1 februari 1938 hoofd van afdeling IIB van de Generale Staf op het ministerie van Defensie. Hij adviseerde de politieke leiding over organisatorische en militaire vraagstukken. Zijn adviezen weken soms af van de opvattingen van hogere officieren. Daardoor ontstonden spanningen, maar zijn positie bracht hem ook dicht bij de centrale besluitvorming over mobilisatie, bewapening en verdedigingsvoorbereiding.

Op 10 augustus 1939 werd Dijxhoorn minister van Defensie in het tweede kabinet-De Geer. Hij was partijloos en bekleedde op dat moment de rang van luitenant-kolonel. Verschillende bevelhebbers voor wie hij politieke verantwoordelijkheid droeg, hadden een hogere militaire rang. Zijn gezag berustte daarom niet op zijn plaats in de militaire hiërarchie, maar op het ministeriële ambt en de verantwoordelijkheid van de regering tegenover het parlement. Enkele weken na zijn aantreden werd de Nederlandse krijgsmacht algemeen gemobiliseerd als gevolg van de snel verslechterende situatie in Europa.

Mobilisatie en neutraliteit

Duitsland viel op 1 september 1939 Polen binnen. Kort daarna verklaarden Groot-Brittannië en Frankrijk Duitsland de oorlog. Nederland probeerde, net als tijdens de Eerste Wereldoorlog, neutraal te blijven. Voor Dijxhoorn betekende dit dat hij leiding gaf aan het defensiebeleid van een gemobiliseerd land dat officieel buiten de oorlog stond, maar zich tegelijk op een mogelijke aanval moest voorbereiden. Openlijke militaire afspraken met België, Frankrijk en Groot-Brittannië pasten niet binnen de neutraliteitspolitiek. Achter de schermen werden wel mogelijkheden onderzocht voor contact en samenwerking wanneer Duitsland het Nederlandse grondgebied zou schenden.

De Nederlandse krijgsmacht kampte bij de mobilisatie met materiële en organisatorische beperkingen. Jaren van beperkte defensie-uitgaven konden niet in enkele maanden worden gecompenseerd. Er waren tekorten aan modern materieel, terwijl opleiding, mobilisatie en stellingbouw gelijktijdig moesten worden uitgevoerd. Bovendien bestond verschil van inzicht over de strategie. Vooral de verdediging van Zuid-Nederland en de betekenis van de Peel-Raamstelling leidden tot spanningen tussen Dijxhoorn en opperbevelhebber generaal Izaak Reijnders. Het geschil betrof zowel de militaire planning als de verdeling van bevoegdheden tussen regering en opperbevel.

Conflict met Izaak Reijnders

Reijnders wilde ruime bevoegdheden voor de opperbevelhebber en kende in zijn plannen een belangrijke plaats toe aan de Peel-Raamstelling. Daarmee hoopte hij onder meer aansluiting bij geallieerde troepen mogelijk te maken wanneer Nederland werd aangevallen. Dijxhoorn en het kabinet deelden niet alle strategische en bestuurlijke uitgangspunten van de opperbevelhebber. De regering bleef politiek verantwoordelijk voor het defensiebeleid, terwijl Reijnders voldoende vrijheid verlangde om de militaire uitvoering te bepalen. Door het aanhoudende verschil van inzicht raakte de samenwerking tussen minister en opperbevelhebber steeds verder verstoord.

Begin februari 1940 leidde het conflict tot het vertrek van Reijnders. De gepensioneerde generaal Henri Winkelman nam op 6 februari het opperbevel over. De vervanging vond plaats met steun van koningin Wilhelmina en de overige ministers. Onder Winkelman werd het verdedigingsplan aangepast en kwam meer nadruk te liggen op het zo lang mogelijk handhaven van de Vesting Holland. De verhouding tussen de politieke en militaire leiding werd hierdoor werkbaarder. Toch resteerden slechts enkele maanden voor de Duitse aanval, waardoor bestaande tekorten aan bewapening, opleiding en organisatie niet volledig konden worden hersteld.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog

De Duitse inval

Op 10 mei 1940 viel Duitsland Nederland binnen. De aanval bestond uit grondoperaties, luchtbombardementen en de inzet van luchtlandingstroepen bij vliegvelden en bruggen. Voor Dijxhoorn veranderde de situatie onmiddellijk van militaire voorbereiding in daadwerkelijk crisisbestuur. De Nederlandse strijdkrachten boden op verschillende plaatsen weerstand, maar stonden tegenover een tegenstander met een grotere luchtmacht en meer ervaring met gecombineerde, mobiele operaties. Na het bombardement op Rotterdam en de dreiging tegen andere steden capituleerden de Nederlandse strijdkrachten op 15 mei in het grootste deel van het land. In Zeeland duurden de gevechten langer voort.

Op 13 mei kwam binnen de regering de vraag aan de orde of het kabinet in Nederland moest blijven of naar Groot-Brittannië moest vertrekken. Dijxhoorn drong aan op vertrek, omdat de regering vanuit onbezet gebied haar werkzaamheden kon voortzetten. Hij bracht dit standpunt ook tegenover koningin Wilhelmina naar voren. De ministers verlieten Nederland diezelfde dag en de regeringszetel werd op 14 mei formeel in Londen gevestigd. Hierdoor bleef een internationaal erkende Nederlandse regering bestaan die de oorlog aan geallieerde zijde kon voortzetten en de overzeese gebiedsdelen kon blijven vertegenwoordigen.

Het ministerie van Defensie in Londen

In Londen moest Dijxhoorn een ministerie organiseren zonder het bestuurlijke en militaire apparaat dat in Nederland was achtergebleven. Het departement behandelde onder meer personeel, dienstplicht, rekrutering, materieel, luchtvaart, militaire operaties, juridische zaken, inlichtingen en de geneeskundige dienst. De beschikbare Nederlandse landstrijdkrachten in Groot-Brittannië waren beperkt en bestonden uit militairen en uitgewekenen met uiteenlopende achtergronden. Daardoor was de omvang van zijn formele verantwoordelijkheid groter dan de feitelijke militaire middelen waarover hij rechtstreeks kon beschikken.

Ook de verhouding met de Koninklijke Marine leverde bestuurlijke problemen op. De marine beschikte buiten bezet Nederland over operationele eenheden en een eigen commandostructuur. Hoewel de marine formeel binnen het ministerie van Defensie viel, had Dijxhoorn weinig invloed op de dagelijkse leiding ervan. Daarnaast voerde hij dienstplicht in voor Nederlanders die in het buitenland verbleven. Deze maatregel leverde minder nieuwe militairen op dan verwacht. De opbouw van een bruikbare Nederlandse strijdmacht in ballingschap verliep daardoor langzaam en bleef afhankelijk van Britse ondersteuning, beschikbare schepen, opleidingsmogelijkheden en personeel.

Politieke conflicten en aftreden

Dijxhoorns positie verzwakte door meningsverschillen met koningin Wilhelmina, premier Pieter Sjoerds Gerbrandy en personen rond het hof. De conflicten betroffen de beoordeling van de militaire situatie, personeelsbesluiten, benoemingen en de organisatie van inlichtingendiensten. Dijxhoorn beoordeelde de Britse militaire mogelijkheden terughoudender dan Wilhelmina wenselijk vond. Daarnaast verzette hij zich tegen enkele benoemingen en overplaatsingen. Daardoor nam het politieke vertrouwen in hem af. Zijn directe en weinig flexibele optreden maakte het bovendien moeilijker om binnen de uitzonderlijke verhoudingen van de Londense regering steun te behouden.

Op 12 juni 1941 trad Dijxhoorn af als minister van Defensie. In oudere geschiedschrijving werd zijn houding in Londen geregeld als besluiteloos of defaitistisch beschreven. Later biografisch onderzoek plaatste deze beoordeling in een bredere context. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen zijn terughoudende militaire analyse en zijn verwachting dat de geallieerden uiteindelijk konden winnen, mits Groot-Brittannië steun kreeg van een sterke bondgenoot. Tegelijkertijd blijft er aandacht voor zijn beperkte politieke soepelheid en zijn moeizame omgang met persoonlijke conflicten binnen de regering in ballingschap.

Vertegenwoordiger bij de geallieerde leiding

Na zijn aftreden keerde Dijxhoorn terug in actieve militaire dienst. Op 31 december 1941 werd hij bevorderd tot generaal-majoor. Vanaf 1 januari 1942 vertegenwoordigde hij de Nederlandse regering bij de Combined Chiefs of Staff in Washington. Dit Brits-Amerikaanse overlegorgaan coördineerde de gezamenlijke militaire strategie van de westerse geallieerden. Dijxhoorn bracht Nederlandse standpunten en informatie in, volgde de internationale militaire planning en onderhield contact met Nederlandse diplomatieke en militaire instanties in de Verenigde Staten.

Zijn werkzaamheden in Washington betroffen ook werving, informatievoorziening en plannen voor de naoorlogse Nederlandse krijgsmacht. Samen met schout-bij-nacht G.W. Stoeve stelde hij rapporten op over de geallieerde militaire samenwerking. Bovendien gebruikte hij zijn contacten om Amerikaanse medewerking te verkrijgen voor de opleiding van een Nederlandse mariniersbrigade. Nederland had slechts beperkte invloed op de algemene geallieerde strategie, maar de vertegenwoordiging bood de regering toegang tot informatie en overleg op hoog niveau. In oktober 1944 keerde Dijxhoorn terug naar Londen.

Na zijn terugkeer kreeg Dijxhoorn verschillende bijzondere opdrachten. Van 5 november tot 14 december 1944 was hij gedetacheerd bij de staf van veldmaarschalk Bernard Montgomery. Daarna werkte hij aan voorstellen voor de toekomstige organisatie van de Nederlandse krijgsmacht. Van 26 april tot 9 mei 1945 was hij verbonden aan SHAEF, het geallieerde opperbevel in West-Europa. In deze periode was hij betrokken bij militair overleg rond Operatie Manna, de geallieerde voedseldroppings boven West-Nederland in de laatste fase van de oorlog.

Na de oorlog

Op 9 mei 1945 werd Dijxhoorn waarnemend chef van de Generale Staf. Hij vervulde deze functie tot 1 november van dat jaar. In deze overgangsperiode moest de Nederlandse krijgsmacht opnieuw worden georganiseerd na vijf jaar bezetting en oorlog. Een definitieve benoeming tot chef van de Generale Staf volgde niet. De eerdere spanningen met koningin Wilhelmina bleven volgens de biografische literatuur van invloed op zijn positie. Op 9 november 1945 werd hij wel bevorderd tot luitenant-generaal der infanterie, de hoogste rang die hij tijdens zijn loopbaan bereikte.

Vanaf 1 juli 1946 was Dijxhoorn lid van het Hoog Militair Gerechtshof, destijds de hoogste militaire rechterlijke instantie in Nederland. Hij bleef deze functie vervullen tot zijn overlijden. In 1948 werd hij bovendien gehoord door de parlementaire enquêtecommissie die het regeringsbeleid tussen 1940 en 1945 onderzocht. Daarbij legde hij verklaringen af over de mobilisatie, het conflict met Reijnders, de waarschuwingen voorafgaand aan de Duitse inval en de besluitvorming tijdens de meidagen van 1940. Zijn verklaringen vormen een bron voor onderzoek naar het Nederlandse defensiebeleid in deze periode.

Dijxhoorn overleed op 22 januari 1953 in De Steeg, in de gemeente Rheden. Hij was 63 jaar oud. Zijn reputatie bleef lange tijd vooral verbonden aan de militaire nederlaag van mei 1940 en zijn conflict met Wilhelmina. Later onderzoek besteedde meer aandacht aan de structurele beperkingen van de Nederlandse krijgsmacht, zijn rol bij de vervanging van Reijnders en zijn aandeel in het vertrek van de regering naar Groot-Brittannië. Daardoor wordt zijn loopbaan zowel vanuit militair als vanuit bestuurlijk en constitutioneel perspectief bestudeerd.

Militaire Rangen

Dijxhoorn doorliep tijdens zijn loopbaan de officiersrangen van tweede luitenant tot luitenant-generaal. Na zijn opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie werd hij in juli 1911 tweede luitenant bij de infanterie. In mei 1914 volgde zijn bevordering tot eerste luitenant. Daarna bereikte hij achtereenvolgens de rangen van kapitein, majoor en luitenant-kolonel. In die laatste rang trad hij in augustus 1939 aan als minister van Defensie. Tijdens zijn ministerschap werd hij bevorderd tot kolonel, terwijl zijn politieke gezag losstond van de militaire rangorde.

Op 31 december 1941 werd Dijxhoorn generaal-majoor. Hij behield deze rang tijdens zijn werkzaamheden in Washington, bij de staf van Montgomery, bij SHAEF en als waarnemend chef van de Generale Staf. Op 9 november 1945 volgde zijn bevordering tot luitenant-generaal der infanterie. Deze rang sloot aan bij de hoge militaire functies die hij tijdens de laatste oorlogsjaren had vervuld. De bevordering veranderde niet dat zijn politieke loopbaan in 1941 was geëindigd, maar bevestigde dat zijn militaire kennis en ervaring ook daarna binnen de Nederlandse krijgsmacht werden benut.

Onderscheidingen

Dijxhoorn ontving verschillende Nederlandse onderscheidingen voor zijn militaire en openbare dienst. Op 21 februari 1933 werd hij benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau met de zwaarden. Op 1 mei 1948 volgde zijn benoeming tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Daarnaast ontving hij het Ereteken voor Langdurige Dienst als Officier en het Oorlogsherinneringskruis. Deze onderscheidingen hadden betrekking op zijn langdurige loopbaan als beroepsofficier, zijn bestuurlijke werkzaamheden en zijn militaire inzet tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Ook buitenlandse regeringen onderscheidden Dijxhoorn. Frankrijk benoemde hem tot grootofficier in het Legioen van Eer. De Verenigde Staten kenden hem de Legion of Merit toe in de graad Commander. Deze Amerikaanse onderscheiding hield verband met zijn werkzaamheden voor de geallieerde militaire samenwerking tussen 1943 en 1945 en werd op 21 januari 1948 verleend. De buitenlandse onderscheidingen weerspiegelden vooral zijn functie als Nederlandse vertegenwoordiger bij geallieerde militaire organen en zijn bijdrage aan internationale samenwerking tijdens de laatste jaren van de oorlog.

Conclusie

Adriaan Dijxhoorns loopbaan verbond militaire opleiding, stafwerk, defensiebeleid en crisisbestuur. Als minister droeg hij verantwoordelijkheid voor een krijgsmacht die met materiële en organisatorische beperkingen aan de Tweede Wereldoorlog begon. Hij speelde een centrale rol in het conflict met opperbevelhebber Reijnders, werkte vervolgens met Winkelman en drong in mei 1940 aan op het vertrek van de regering naar Groot-Brittannië. In Londen verloor hij door beleidsverschillen en afnemend politiek vertrouwen zijn ministerspost. Zijn aftreden beëindigde echter niet zijn bijdrage aan de Nederlandse oorlogvoering.

Na 1941 vertegenwoordigde Dijxhoorn Nederland bij de geallieerde militaire leiding, werkte hij bij verschillende hoofdkwartieren en werd hij waarnemend chef van de Generale Staf. Zijn loopbaan eindigde als luitenant-generaal en lid van het Hoog Militair Gerechtshof. De beoordeling van zijn optreden omvat zowel zijn bestuurlijke beperkingen als zijn besluiten tijdens de mobilisatie, de meidagen van 1940 en de regering in ballingschap. Daardoor blijft hij relevant voor onderzoek naar de Nederlandse krijgsmacht, civiel-militaire verhoudingen, de positie van de monarchie en het functioneren van de regering tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: See page for author, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Van Gent, Tobias (2022). De minister en de majesteit: Adriaan Dijxhoorn, minister van Defensie in oorlogstijd. Amsterdam: Boom. ISBN 978-90-244-4678-0.
  3. Kamphuis, P.H. (2023). De minister en de majesteit. Militaire Spectator, jaargang 192, nummer 1. ISSN 0026-3869.
  4. Groen, P.M.H. (1989). Dijxhoorn, Adriaan Quirinus Hendrik (1889-1953). In: Biografisch Woordenboek van Nederland, deel 3. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff. ISBN 978-90-5216-006-1.
  5. De Jong, L. (1969). Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 1: Voorspel. ’s-Gravenhage: Staatsuitgeverij. ISBN 90-12-00015-7.
  6. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946