USS Florida (BB-30) was het eerste slagschip van de Florida-klasse en diende van 1911 tot 1931 bij de Amerikaanse marine. Het dreadnought type slagschip nam deel aan de bezetting van Veracruz. Tijdens de Eerste Wereldoorlog opereerde het met de Britse Grand Fleet. Het kwam nooit in gevecht met de Duitse Hochseeflotte.
Ontwerp en constructie
De Florida-klasse bestond uit USS Florida en het zusterschip USS Utah en volgde op de Delaware-klasse. Het ontwerp behield tien kanonnen van 305 mm, maar kreeg een bredere romp, grotere machineruimten en een aangepaste bovenbouw. De kiel van Florida werd op 9 maart 1909 gelegd bij de New York Navy Yard. Het schip liep op 12 mei 1910 van stapel en werd op 15 september 1911 in dienst gesteld.
Florida was over alles gemeten 158,95 meter lang, 26,90 meter breed en had aanvankelijk een diepgang van ongeveer 8,69 meter. De ontworpen waterverplaatsing bedroeg 21.825 long ton, overeenkomend met ongeveer 22.175 metrieke ton. Volgeladen liep dit op tot 23.033 long ton, of ongeveer 23.403 metrieke ton. De normale bemanning bestond uit circa 1.001 officieren en overige bemanningsleden, al kon het aantal tijdens oefeningen en oorlogsdienst veranderen.
De oorspronkelijke voortstuwing bestond uit vier Parsons-stoomturbines die elk een schroefas aandreven. Twaalf kolengestookte waterpijpketels van Babcock & Wilcox leverden stoom voor een ontworpen vermogen van 28.000 aspaardenkracht, gelijk aan ongeveer 20.880 kilowatt. Daarmee bedroeg de opgegeven maximumsnelheid 20,75 knopen, ongeveer 38,4 kilometer per uur. Bij een vaart van 10 knopen kon het schip circa 5.776 zeemijl afleggen, wat neerkomt op ongeveer 10.700 kilometer.
De grotere breedte gaf de Florida-klasse meer stabiliteit dan de voorafgaande Delaware-klasse. Door de grotere turbine-installatie moest de indeling van de ketelruimten en machineruimten worden aangepast, waardoor ook de twee schoorstenen dichter bij elkaar stonden. Twee hoge vakwerkmasten droegen uitkijkposten, vuurleidingsvoorzieningen en seinmiddelen. De vijf geschuttorens stonden allemaal op de lengteas, zodat de zware batterij als een volledige breedzij kon worden ingezet.
Bewapening
De hoofdbewapening bestond uit tien 12-inch/45 Mark 5-kanonnen van 305 mm in vijf dubbele Mark 8-geschuttorens. Twee torens stonden voor de bovenbouw, waarbij de achterste hoger was geplaatst en over de voorste heen kon vuren. De overige drie torens bevonden zich achter de bovenbouw. De aanduiding 45 betekende dat de looplengte 45 maal de diameter van het kanon bedroeg, terwijl de centrale opstelling het aantal zware kanonnen aan beide zijden gelijk hield.
De secundaire batterij telde oorspronkelijk zestien 5-inch/51-kanonnen van 127 mm in kazematten langs de romp. Deze snelvurende wapens waren bedoeld voor de bestrijding van torpedoboten, torpedobootjagers en andere kleinere doelen. Verder droeg Florida enkele lichtere 6-ponder- en 1-ponderkanonnen en twee onder water geplaatste torpedobuizen van 533 mm, één aan iedere zijde. In 1917 kwamen twee 3-inch-luchtafweerkanonnen aan boord; tijdens de jaren twintig werd de luchtafweer verder uitgebreid.
Bepantsering
De voornaamste pantsergordel langs de waterlijn was maximaal 279 mm dik. De frontplaten van de geschuttorens bereikten 305 mm, terwijl de zijkanten van de commandotoren door 292 mm pantser werden beschermd. Het oorspronkelijke pantserdek was ongeveer 38 mm dik en diende vooral om granaatscherven en inslagen boven de vitale ruimten tegen te houden. Ook de barbettes, kazematten en dwarsschotten kregen pantser, waarbij de dikte per plaats en functie verschilde.
De bescherming was verdeeld over de waterlijn, geschutsopstellingen, commandoposten en secundaire batterij. Dit stelsel hoorde bij de Amerikaanse slagschipontwerpen van vóór het latere alles-of-niets-principe, waarbij de zwaarste bescherming sterker rond vitale ruimten werd geconcentreerd. Gevechtservaringen uit de Eerste Wereldoorlog toonden dat dun dekpantser minder bescherming bood tegen granaten die onder een steile hoek insloegen. De oorspronkelijke romp had bovendien geen uitwendige anti-torpedobulten, zodat die bescherming pas bij de modernisering werd toegevoegd.
Sensoren
Florida beschikte tijdens de Eerste Wereldoorlog niet over radar en had geen moderne sonarinstallatie. Waarneming berustte op uitkijkposten, zoeklichten en optische afstandsmeters bij de vuurleidingsposten en geschuttorens. Afstand, koers en waargenomen inslagen werden doorgegeven aan de vuurleiding, waarna richtgegevens naar de kanonnen gingen. Dit systeem functioneerde alleen bij voldoende zicht en verklaart waarom mist, duisternis en onrustige zee de opsporing en identificatie van doelen sterk beperkten.
Draadloze telegrafie, seinvlaggen en lampseinen verzorgden de verbinding met andere schepen, maar waren zelf geen middelen voor doelopsporing. Meldingen van vermeende onderzeeboten waren daarom meestal gebaseerd op periscopen, kielzog of andere sporen die uitkijkers dachten te zien. Tijdens de latere dienst kon een watervliegtuig vanaf een katapult op een geschuttoren worden gelanceerd voor verkenning en waarneming van granaatinslagen. Het toestel vergrootte het waarnemingsbereik, maar vormde geen permanent elektronisch detectiesysteem.
Modificaties
De eerste aanpassingen waren gericht op oorlogservaring en veranderende dreigingen. In 1917 kreeg Florida twee 3-inchkanonnen voor luchtafweer, omdat vliegtuigen inmiddels deel uitmaakten van de oorlogvoering op zee. Vuurleiding, communicatie en waarnemingsposten werden tijdens de actieve loopbaan onderhouden en aangepast, zonder dat vóór 1919 een volledige reconstructie plaatsvond. De hoofdbatterij van tien kanonnen bleef gedurende de gehele diensttijd behouden.
Florida werd in juni 1924 uit de actieve dienst genomen voor een omvangrijke modernisering bij de Boston Navy Yard. De eigenlijke reconstructie liep van 1 april 1925 tot 1 november 1926. De twaalf kolengestookte ketels maakten plaats voor vier oliegestookte White-Forsterketels die beschikbaar waren gekomen door het schrappen van andere Amerikaanse kapitaalschepen na het Verdrag van Washington. Ook werden de direct aangedreven Parsons-turbines vervangen door Curtis-turbines met tandwieloverbrenging, waardoor de machine-installatie doelmatiger kon werken.
De bescherming tegen treffers van boven en onder de waterlijn werd eveneens aangepast. Het dekpantser werd versterkt en langs beide zijden kwamen brede anti-torpedobulten, die de romp verbreedden en de uitwerking van een onderwaterexplosie moesten beperken. Vier 127mm-kanonnen verdwenen, terwijl andere kanonnen op bruikbaardere plaatsen werden opgesteld. De twee onderwater-torpedobuizen werden verwijderd, omdat hun militaire waarde voor een slagschip inmiddels beperkt was.
Het uiterlijk veranderde door het samenvoegen van de twee rookkanalen tot één schoorsteen. De achterste vakwerkmast werd vervangen door een paalmast die verder naar achteren stond, terwijl de vuurleiding en de voorzieningen voor luchtafweer werden aangepast. In de tweede helft van de jaren twintig beschikte Florida over maximaal acht 3-inch-luchtafweerkanonnen. Ook kreeg het schip een katapult voor een verkenningsvliegtuig, waaronder in de late jaren twintig typen als de Vought O2U Corsair en de Loening OL konden worden gebruikt.
Status schip tijdens de oorlog
Florida was tijdens de Amerikaanse oorlogsdienst niet operationeel afgeschreven, maar behoorde in 1917 ook niet meer tot de nieuwste generatie slagschepen. Nieuwere Amerikaanse en Britse schepen voerden kanonnen van 356 of 381 mm en hadden modernere beschermingsstelsels. De tien kanonnen van 305 mm, de maximumsnelheid van ruim 20 knopen en de bepantsering maakten Florida echter nog bruikbaar in de slaglinie van de Grand Fleet. De kolenstook was voor inzet in Groot-Brittannië praktisch, omdat daar wel steenkool beschikbaar was maar brandstofolie schaars bleef.
Het schip was voldoende onderhouden om in slecht weer de Atlantische Oceaan over te steken en in 1918 geregeld konvooi-, patrouille- en ondersteuningsdiensten uit te voeren. Tijdens de overtocht raakten mastdelen en radioverbindingen door zwaar weer beschadigd, waarna de eenheid na aankomst voor de Britse werkwijze werd gereedgemaakt. De eerste schietoefeningen van de Amerikaanse divisie voldeden niet aan de Britse normen, maar de nauwkeurigheid en vuursnelheid verbeterden door verdere training. Tijdens deze periode werd geen langdurige machine-uitval gemeld die Florida ongeschikt maakte voor inzet.
Operationele geschiedenis
Vroege vlootdienst
Na de indienststelling maakte Florida oefenreizen in het Caribisch gebied en voor de kust van Maine. Op 29 maart 1912 werd het bij Hampton Roads vlaggenschip van de 1e Slagschipdivisie van de Atlantic Fleet. Daarna volgden twee jaar met vlootmanoeuvres, schietoefeningen en bemanningsopleidingen. Florida nam tevens adelborsten van de United States Naval Academy mee op opleidingsreizen.
Bezetting van Veracruz
Florida en Utah arriveerden op 16 februari 1914 bij Veracruz tijdens de Mexicaanse Revolutie. Op 21 april landden meer dan duizend mariniers en matrozen van Florida, Utah en Prairie om de haven en de stad te bezetten. Kapitein William R. Rush van Florida voerde een deel van de landingsmacht aan. Na verscheidene dagen strijd kwam Veracruz onder Amerikaanse controle; Florida vertrok in juli en ging in oktober naar de 2e Slagschipdivisie.
De verliescijfers van Veracruz verschillen per telling. Marineoverzichten noemen voor 21 en 22 april 17 direct omgekomen en 63 gewonde marinemensen, waarna twee gewonden overleden; bredere opgaven komen uit op 94 Amerikaanse doden en gewonden. Ziekenhuisregisters vermeldden 126 Mexicaanse doden en 195 gewonden, maar niet ieder slachtoffer werd geregistreerd. Voor hun optreden ontvingen 25 bemanningsleden van Florida de Medal of Honor.
Naar de Britse Grand Fleet
Nadat de Verenigde Staten op 6 april 1917 Duitsland de oorlog hadden verklaard, werd Florida voor oorlogsdienst gereedgemaakt. Het schip vormde met New York, Wyoming en Delaware de Battleship Division 9. De vier kolengestookte slagschepen vertrokken op 25 november en bereikten Scapa Flow op 7 december. Binnen de Grand Fleet vormde de divisie het 6th Battle Squadron onder schout-bij-nacht Hugh Rodman.
De integratie vereiste aanpassing aan Britse seinen, formaties, schietprocedures en voorschriften voor de Grand Fleet. Florida nam deel aan gezamenlijke oefeningen en bleef beschikbaar voor een mogelijk treffen met de Duitse Hochseeflotte. De eenheid versterkte de Britse slaglinie en kon daardoor ook worden ingezet om konvooien en mijnenleggers tegen Duitse oppervlakteschepen te beschermen. Het verwachte vlootgevecht bleef uit, zodat de inzet voornamelijk uit oefeningen, patrouilles, afscherming en konvooidiensten bestond.
Konvooien naar Noorwegen
Op 6 februari 1918 vertrok het 6th Battle Squadron met acht Britse torpedobootjagers als begeleiding van een koopvaardijkonvooi naar Noorwegen. Uitkijkers van Florida meldden tijdens de operatie een onderzeeboot, maar binnen de Amerikaanse eenheid bestond later twijfel over deze en vergelijkbare waarnemingen. Duitse gegevens plaatsen U-80 en U-82 in het gebied, zonder dat een van beide onderzeeboten contact met het konvooi maakte. De slagschepen keerden op 10 februari terug naar Scapa Flow zonder een gevecht te hebben geleverd.
Tijdens een volgende konvooioperatie in maart raakten Florida, Wyoming, Texas en vier torpedobootjagers door zware mist van het koopvaardijkonvooi gescheiden. De schepen vonden het konvooi pas de volgende ochtend terug, nadat het zicht was verbeterd. De formatie bereikte op 13 maart opnieuw Scapa Flow. De gebeurtenis liet zien dat zelfs een grote begeleidingsmacht zonder radar afhankelijk bleef van zicht, vaste koersen, seinen en nauwkeurige navigatie.
Operaties in de Noordzee
De Duitse Hochseeflotte voer op 22 april 1918 uit om een Scandinavisch konvooi en de begeleidende slagschepen te onderscheppen. Florida vertrok op 24 april met de Grand Fleet uit Scapa Flow nadat berichten over de Duitse beweging waren ontvangen. De Duitse vloot had de operatie toen al afgebroken en voer terug naar haar bases. Daardoor kwam het niet tot contact tussen Florida en Duitse oppervlakteschepen, hoewel beide slagvloten gedurende dezelfde operatie in de Noordzee actief waren.
Op 30 juni ondersteunde het 6th Battle Squadron mijnenleggers die werkten aan de Northern Mine Barrage tussen Schotland en Noorwegen. Florida en andere schepen meenden sporen van onderzeeboten te zien en openden het vuur op vermoedelijke periscopen of kielzog. Een bevestigde treffer volgde niet en latere beoordelingen beschouwden meerdere meldingen als onjuiste waarnemingen. De slagschepen bleven desondanks bescherming bieden, omdat Duitse kruisers of slagkruisers een mijnenlegformatie op open zee konden aanvallen.
In november 1918 bereikte de Spaanse griep ook de Grand Fleet. Florida was het enige Amerikaanse slagschip van het eskader dat vanwege de ziekte niet in quarantaine hoefde. Na de wapenstilstand voer het schip op 20 november met de geallieerde vloot uit; op 21 november begeleidde de Grand Fleet de Duitse Hochseeflotte naar de internering bij Scapa Flow. Daarmee eindigde de oorlogsdienst zonder dat Florida haar hoofdbatterij tegen een Duits oppervlakteschip had gebruikt.
Terugkeer naar de Verenigde Staten
Florida sloot zich op 12 december 1918 aan bij de escorte van het troepentransportschip USS George Washington, waarop president Woodrow Wilson naar Frankrijk reisde voor de vredesbesprekingen. De formatie bereikte Brest op 13 december, waarna het slagschip naar de Verenigde Staten terugkeerde. Op 26 december arriveerden de Amerikaanse oorlogsschepen in New York. Florida nam daar deel aan de overwinningsschouw op de North River, waarmee de inzet bij de Grand Fleet formeel werd afgesloten.
Na de oorlog
Florida hervatte in januari 1919 de vredesdienst en arriveerde op 4 januari in Norfolk. Later voer het schip naar de Azoren om weer- en zeegegevens door te seinen voor de vliegboten van de Amerikaanse marine die de eerste trans-Atlantische vlucht voorbereidden. Deze ondersteuning maakte deel uit van de keten van waarnemingsschepen langs de vliegroute. De NC-4 voltooide in mei 1919 als eerste vliegtuig de oversteek van de Atlantische Oceaan via tussenstops.
In augustus 1920 was Florida bij Provincetown aanwezig tijdens de herdenking van driehonderd jaar sinds de aankomst van de Pilgrims in de streek. In december volgde een diplomatieke reis naar Zuid-Amerika met minister van Buitenlandse Zaken Bainbridge Colby aan boord. Gedurende de volgende drie jaar oefende het schip met het United States Marine Corps in het Caribisch gebied op amfibische operaties. Daarnaast bleef Florida schietoefeningen en reizen met adelborsten uitvoeren en diende het als vlaggenschip van de Commander, Control Force van de Amerikaanse vloot.
Tijdens Fleet Problem III in 1924 traden Florida en Utah op als vervangers voor de nieuwe slagschepen van de Colorado-klasse. Na de daaropvolgende reconstructie keerde Florida eind 1926 terug in actieve dienst. In juni 1928 nam het schip deel aan gezamenlijke kustverdedigingsoefeningen van landmacht en marine. Opleidingsreizen bleven eveneens deel van de taken; tijdens een reis met adelborsten bezocht Florida in juli 1930 onder meer Kiel in Duitsland.
Het Londense Zeeverdrag van 1930 verplichtte de Verenigde Staten tot een verdere vermindering van het aantal slagschepen. Florida werd daarom op 16 februari 1931 bij de Philadelphia Navy Yard buiten dienst gesteld en op 6 april uit het scheepsregister geschrapt. Vervolgens begon in Philadelphia de sloop, die op 30 september 1932 was voltooid. Utah werd niet als gevechtsschip behouden, maar kreeg na demilitarisering een andere taak als radiografisch bestuurd doelschip.
De ongeveer één ton zware scheepsbel van Florida bleef bewaard en ging naar de University of Florida in Gainesville. Eerst hing de bel in een uurwerk op een onderwijsgebouw en vanaf 1960 bij de noordelijke tribune van Florida Field, waar zij na overwinningen van het universiteitsteam werd geluid. Door verbouwingen veranderde de plaats meerdere keren en in 1992 verdween de bel uit het stadion. Na restauratie werd zij ondergebracht bij het Museum of Florida History in Tallahassee.
Conclusie
USS Florida begon haar loopbaan als een bruikbaar Amerikaans dreadnoughtslagschip met tien kanonnen van 305 mm, turbinevoortstuwing en een bepantsering die bij de ontwerpfase paste. Het schip werd ingezet bij Veracruz en maakte tijdens de Eerste Wereldoorlog deel uit van de Britse Grand Fleet. De oorlogsdienst bestond uit konvooibescherming, patrouilles en ondersteuning van mijnenleggers. Een rechtstreeks gevecht met de Duitse Hochseeflotte vond niet plaats.
De reconstructie van 1925 en 1926 verbeterde de voortstuwing, dekbescherming, onderwaterbescherming, luchtafweer en luchtverkenning. Daardoor kon Florida nog enkele jaren voor oefeningen, opleidingen en representatieve reizen worden gebruikt. Het Londense Zeeverdrag beëindigde de actieve loopbaan in 1931 en leidde tot de sloop. Van het slagschip bleef de gerestaureerde scheepsbel als tastbaar onderdeel van de geschiedenis bewaard.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Naval History & Heritage Command, Public domain, via Wikimedia Commons
- Gardiner, Robert en Gray, Randal (red.) (1985). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1906–1921. London: Conway Maritime Press. ISBN 978-0-85177-245-5.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946










