Anton Döbele (16 november 1910 tot 11 november 1943) was een Duitse jachtvlieger van de Luftwaffe. Hij vloog tijdens de Tweede Wereldoorlog 458 gevechtsmissies, hoofdzakelijk aan het Oostfront. Onderzoekers schrijven hem 93 of 94 luchtoverwinningen toe. Döbele kwam bij Vitebsk om door een botsing in de lucht en ontving postuum het Ridderkruis van het IJzeren Kruis.
Vroege leven en opleiding
Anton Döbele werd op 16 november 1910 geboren in Ehrensberg, dat tegenwoordig deel uitmaakt van Bad Waldsee in Baden-Württemberg. Zijn geboorteplaats lag destijds in het koninkrijk Württemberg, een deelstaat van het Duitse Keizerrijk. De geraadpleegde militaire literatuur bevat weinig gegevens over zijn gezin, jeugd en burgeropleiding. Daardoor zijn van zijn levensloop vóór zijn militaire dienst vooral zijn geboortedatum en geboorteplaats met zekerheid vastgelegd.
Döbele kreeg na zijn grondgebonden militaire ervaring een vliegopleiding binnen de Luftwaffe. De toenmalige opleiding verliep via de niveaus A1, A2, B1 en B2 en omvatte theorie, navigatie, kunstvluchten en langeafstandsvluchten. In de hogere opleidingsfasen kwamen onder meer instrumentvliegen, vliegen op grotere hoogte, nachtlandingen en het besturen van een toestel onder moeilijke omstandigheden aan bod. Welke vliegscholen hij bezocht en wanneer hij iedere opleidingsfase voltooide, wordt in de gebruikte literatuur niet nader vermeld.
Interbellum: dienst bij het Legioen Condor
Döbele meldde zich als Unteroffizier vrijwillig voor het Legioen Condor tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Deze Duitse formatie ondersteunde tussen 1936 en 1939 de nationalistische strijdkrachten van generaal Francisco Franco met luchtstrijdkrachten, luchtafweer en ondersteunend personeel. Döbele diende er bij het grondpersoneel en was in Spanje nog niet als jachtvlieger actief. Zijn werkzaamheden leverden hem wel ervaring op met de organisatie en dagelijkse inzet van een militaire luchtmachteenheid.
Het Legioen Condor bood de Duitse luchtmacht gelegenheid om personeel onder oorlogsomstandigheden ervaring te laten opdoen. Voor Döbele vormde deze periode de overgang van een loopbaan als onderofficier bij het grondpersoneel naar een latere functie als vlieger. De beschikbare bronnen vermelden niet wanneer hij precies naar Duitsland terugkeerde of op welke datum zijn vliegopleiding begon. Wel staat vast dat hij na die opleiding eind 1940 bij de aanvullende trainingsgroep van Jagdgeschwader 54 werd geplaatst.
Deelname aan de Tweede Wereldoorlog
Döbele kwam eind 1940 terecht bij de Ergänzungsgruppe van Jagdgeschwader 54, afgekort JG 54. Deze aanvullende groep leidde vliegers verder op voordat zij naar een gevechtseenheid werden overgeplaatst. Na de Duitse aanval op de Sovjet-Unie opereerde de formatie aan het Oostfront. Op 28 juli 1941 meldde Döbele ten westen van het eiland Ösel zijn eerste luchtoverwinning, waarbij de bronvermelding van het Sovjetvliegtuig uiteenloopt tussen een MBR-2 en een MDR-6.
De Ergänzungsgruppe van JG 54 werd op 9 maart 1942 opgeheven, waarna Döbele naar de I. Gruppe van het jachteskader ging. Hij werd ingedeeld bij de 1. Staffel, die onder leiding stond van Oberleutnant Heinz Lange. Hauptmann Hans Philipp voerde op dat moment het bevel over de gehele I. Gruppe. De eenheid opereerde vanaf Krasnogvardejsk bij het belegerde Leningrad, waar Döbele op 17 maart 1942 een Polikarpov I-16 als neergeschoten meldde.
Na een periode als instructeur keerde Döbele terug naar JG 54 en vloog hij samen met Walter Nowotny, Karl Schnörrer en Rudolf Rademacher. Hun formatie werd de Nowotny-Schwarm en ook wel de Teufelskette genoemd. In de Duitse registratie werden aan de vier vliegers gedurende de oorlog samen 524 luchtoverwinningen toegeschreven. Döbele meldde op 13 januari 1943 zijn achtste overwinning en ontving op 3 februari het IJzeren Kruis der Eerste Klasse.
In het voorjaar van 1943 nam Döbele deel aan luchtgevechten rond Leningrad, Staraja Roessa, Mga en het Ladogameer. Zijn meldingen betroffen verschillende Sovjettypen, waaronder de Lavotsjkin La-5, de LaGG-3, de Jakovlev Jak-1 en het gepantserde Iljoesjin Il-2-aanvalsvliegtuig. De registraties tonen dat zijn totaal tussen maart en juni snel opliep. Een toegekende luchtoverwinning was een door de Luftwaffe behandelde claim en vormde niet automatisch een onafhankelijke bevestiging van een werkelijk verloren Sovjettoestel.
Begin juli 1943 werd de I. Gruppe naar het gebied rond Orjol verplaatst voor Operatie Citadel, de Duitse aanval op de saillant van Koersk. De eenheid vertrok op 2 juli en bereikte op 4 juli het geïmproviseerde vliegveld Panikovo. Onder Luftflotte 6 ondersteunde zij vanaf 5 juli de aanval van het 9e Leger op het noordelijke deel van de saillant. Daarbij begeleidde JG 54 bommenwerpers van Kampfgeschwader 4, 51 en 53 en Junkers Ju 87’s van Sturzkampfgeschwader 1.
Op 5 juli meldde Döbele bij Maloarchangelsk de vernietiging van een Curtiss P-40. Een dag later schreef de Duitse registratie hem drie La-5-jagers en twee LaGG-3-jagers toe. Daarmee gold hij volgens de gebruikelijke luchtmachtterm als een vlieger met vijf overwinningen op één dag. Op 7 juli volgden meldingen van een Jak-7 en een LaGG-3, waarna zijn totaal tijdens de gevechten rond Koersk verder opliep.
De I. Gruppe kreeg op 9 augustus opdracht om ongeveer 400 kilometer zuidwaarts naar Poltava te verplaatsen. De verplaatsing hield verband met het Sovjetoffensief richting Belgorod en Charkiv na de gevechten bij Koersk. De groep kwam onder Luftflotte 4 te staan en voerde luchtpatrouilles en escortevluchten voor duikbommenwerpers uit. Op 12 augustus meldde Döbele ten westen van Charkiv een La-5 en een Jak-1 als neergeschoten.
Tijdens de daaropvolgende operaties vloog Döbele boven gebieden rond Jelnja, Smolensk en Nevel. Op 11 september 1943 werd hij voorgedragen voor het Ridderkruis van het IJzeren Kruis. Walter Nowotny diende vijf dagen later een rapport in waarin hij om bevordering van Döbele tot Leutnant verzocht. Volgens dit rapport had Döbele toen 418 gevechtsmissies gevlogen en stonden er tachtig luchtoverwinningen op zijn naam.
Geschwaderkommodore Hubertus von Bonin ondersteunde het bevorderingsverzoek op 22 september 1943. Hij beschreef Döbele als een ervaren jachtvlieger en leider binnen de eenheid. De I. Gruppe verhuisde op 23 oktober naar een vliegveld bij Vitebsk om Heeresgruppe Mitte tijdens de gevechten rond Nevel te ondersteunen. Döbele bleef daar missies uitvoeren en diende in november nog meerdere claims voor Sovjetvliegtuigen in.
Op 11 november 1943 vloog Döbele met een Focke-Wulf Fw 190 A-4 met werknummer 7082 ten oosten van Vitebsk. Om 10.42 uur kwam zijn toestel tijdens een luchtgevecht in botsing met een ander vliegtuig, waarna hij om het leven kwam. In het vaakst vermelde relaas betrof het andere toestel een Iljoesjin Il-2, maar een publicatie van John Weal noemt ook een mogelijke botsing met een Duitse jager. Het bronmateriaal geeft daardoor geen volledig eensluidende lezing van de toedracht.
Bij de begrafenis bestond de erewacht uit Rudolf Rademacher, Karl Schnörrer, Fritz Tegtmeier en Otto Kittel. Walter Nowotny en Hubertus von Bonin spraken tijdens de plechtigheid. Döbele werd postuum bevorderd tot Leutnant en kreeg op 26 maart 1944 het Ridderkruis van het IJzeren Kruis toegekend. Zijn graf bevindt zich op de Duitse militaire begraafplaats Vilnius-Vingio in Litouwen.
De aantallen luchtoverwinningen verschillen door de gebruikte bronnen en de behandeling van betwiste meldingen. Mike Spick vermeldt 94 overwinningen tijdens meer dan 458 gevechtsmissies. Andrew Johannes Mathews en John Foreman vonden in het Duitse Bundesarchiv documenten voor 93 claims, die allemaal betrekking hadden op het Oostfront. Het verschil betekent dat het totaal als een historische registratiewaarde moet worden gelezen en niet als een exact aantal onafhankelijk vastgestelde vijandelijke verliezen.
De Luftwaffe legde gemelde overwinningen vast met kaartcoördinaten uit het Jägermeldenetz, aangeduid als Planquadrat. Het raster bestreek Europa, het westen van Rusland en Noord-Afrika en verdeelde het gebied in vakken van vijftien breedteminuten en dertig lengteminuten. Zo’n hoofdvak besloeg ongeveer 930 vierkante kilometer en werd vervolgens in 36 kleinere eenheden verdeeld. Daardoor kon een locatie in de registraties tot een gebied van ongeveer drie bij vier kilometer worden beperkt.
Na de oorlog
Na 1945 zijn Döbeles loopbaan en gevechtsclaims gereconstrueerd aan de hand van eenheidsboeken, personeelsdocumenten, onderscheidingsdossiers en meldingen uit het Bundesarchiv. Vooral de studies van Mathews, Foreman, Prien en hun mede-auteurs brachten afzonderlijke claims, data, tijden en kaartvakken bijeen. Daarbij bleven enkele vermeldingen betwist of ontbraken zij in een deel van de registraties. Dit verklaart waarom latere publicaties geen gelijk totaal noemen.
De naoorlogse documentatie maakt tevens onderscheid tussen persoonlijke claims en aangetoonde verliezen van de Sovjetluchtmacht. Duitse goedkeuring binnen het toenmalige registratiesysteem bewijst niet zonder meer welk Sovjettoestel verloren ging of waardoor dat gebeurde. Döbeles aantal wordt daarom in historische publicaties als een toegekend of geregistreerd claimtotaal omschreven. Bij vergelijking met Sovjetarchieven moeten datum, plaats, toesteltype en verliesoorzaak voor iedere melding afzonderlijk worden onderzocht.
Militaire Rangen
Döbele wordt tijdens zijn inzet bij het Legioen Condor vermeld als Unteroffizier, een rang binnen het onderofficierskorps. Tijdens zijn latere loopbaan bij JG 54 bereikte hij de rang van Oberfeldwebel, een hogere onderofficiersrang met meer ervaring en verantwoordelijkheid. In die rang werd hij in 1943 voorgedragen voor verdere bevordering en voor het Ridderkruis. Het verzoek om hem tot Leutnant te bevorderen werd opgesteld toen hij Oberfeldwebel was.
De bevordering tot Leutnant vond postuum plaats nadat Döbele in november 1943 was omgekomen. Leutnant was de laagste officiersrang in de toenmalige Luftwaffe en volgde in zijn geval op een loopbaan binnen het onderofficierskorps. De voordracht was al op 16 september 1943 door Walter Nowotny onderbouwd en later door Hubertus von Bonin gesteund. Döbele heeft de bijbehorende officiersfunctie door zijn overlijden niet meer kunnen vervullen.
Onderscheidingen
Döbele ontving in maart 1942 het IJzeren Kruis der Tweede Klasse. Na zijn achtste gemelde luchtoverwinning volgde op 3 februari 1943 het IJzeren Kruis der Eerste Klasse. Op 31 augustus 1943 kreeg hij als Oberfeldwebel van de I. Gruppe van JG 54 het Duitse Kruis in Goud. De Erebeker voor bijzondere prestaties in de luchtoorlog werd hem op 13 september 1943 als vlieger en Oberfeldwebel toegekend.
Het Ridderkruis van het IJzeren Kruis behoorde tot de hoogste militaire onderscheidingen van nazi-Duitsland. Döbeles voordracht dateerde van 11 september 1943, maar de toekenning volgde pas op 26 maart 1944 en was daardoor postuum. De bronnen plaatsen hem bij deze toekenning niet steeds in dezelfde Staffel van JG 54. De meeste vermeldingen noemen de 3. Staffel, terwijl Veit Scherzer de 1. Staffel vermeldt.
Conclusie
Anton Döbele doorliep een militaire loopbaan van grondpersoneelslid bij het Legioen Condor tot jachtvlieger en postuum bevorderd officier van de Luftwaffe. Hij voerde 458 gevechtsmissies uit en was vooral actief boven het noordelijke en centrale deel van het Oostfront. De vakliteratuur schrijft hem 93 of 94 luchtoverwinningen toe, maar deze cijfers betreffen geregistreerde claims en geen optelsom van onafhankelijk bevestigde Sovjetverliezen. Zijn overlijden bij Vitebsk in november 1943 beëindigde zijn inzet, waarna in maart 1944 zijn bevordering en toekenning van het Ridderkruis volgden.
Bronnen en meer informatie
- Bergström, Christer, Vlad Antipov en Claes Sundin (2003). Graf & Grislawski: A Pair of Aces. Hamilton: Eagle Editions. ISBN 978-0-9721060-4-7.
- Bergström, Christer (2007). Kursk: The Air Battle, July 1943. Hersham: Classic Publications. ISBN 978-1-903223-88-8.
- Dixon, Jeremy (2023). Day Fighter Aces of the Luftwaffe: Knight’s Cross Holders 1943–1945. Barnsley: Pen and Sword Books. ISBN 978-1-39903-073-1.
- Fellgiebel, Walther-Peer (2000). Die Träger des Ritterkreuzes des Eisernen Kreuzes 1939–1945. Friedberg: Podzun-Pallas. ISBN 978-3-7909-0284-6.
- Held, Werner (1998). Der Jagdflieger Walter Nowotny: Bilder und Dokumente. Stuttgart: Motorbuch Verlag. ISBN 978-3-87943-979-9.
- MacLean, French L. (2007). Luftwaffe Efficiency & Promotion Reports: For the Knight’s Cross Winners, Volume 1. Atglen: Schiffer Military History. ISBN 978-0-7643-2657-8.
- Mathews, Andrew Johannes en John Foreman (2014). Luftwaffe Aces: Biographies and Victory Claims, Volume 1 A–F. Walton on Thames: Red Kite. ISBN 978-1-906592-18-9.
- Obermaier, Ernst (1989). Die Ritterkreuzträger der Luftwaffe Jagdflieger 1939–1945. Mainz: Verlag Dieter Hoffmann. ISBN 978-3-87341-065-7.
- Page, Neil (2020). Day Fighter Aces of the Luftwaffe 1943–45. Philadelphia: Casemate Publishers. ISBN 978-1-61200-879-0.
- Patzwall, Klaus D. en Veit Scherzer (2001). Das Deutsche Kreuz 1941–1945: Geschichte und Inhaber, Band II. Norderstedt: Verlag Klaus D. Patzwall. ISBN 978-3-931533-45-8.
- Patzwall, Klaus D. (2008). Der Ehrenpokal für besondere Leistung im Luftkrieg. Norderstedt: Verlag Klaus D. Patzwall. ISBN 978-3-931533-08-3.
- Prien, Jochen, Gerhard Stemmer, Peter Rodeike en Winfried Bock (2003). Die Jagdfliegerverbände der Deutschen Luftwaffe 1934 bis 1945, Teil 6/II. Eutin: Struve-Druck. ISBN 978-3-923457-70-0.
- Prien, Jochen, Gerhard Stemmer, Peter Rodeike en Winfried Bock (2005). Die Jagdfliegerverbände der Deutschen Luftwaffe 1934 bis 1945, Teil 9/I. Eutin: Struve-Druck. ISBN 978-3-923457-76-2.
- Prien, Jochen, Gerhard Stemmer, Peter Rodeike en Winfried Bock (2006). Die Jagdfliegerverbände der Deutschen Luftwaffe 1934 bis 1945, Teil 9/III. Eutin: Struve-Druck. ISBN 978-3-923457-78-6.
- Prien, Jochen, Gerhard Stemmer, Peter Rodeike en Winfried Bock (2012). Die Jagdfliegerverbände der Deutschen Luftwaffe 1934 bis 1945, Teil 12/III. Eutin: Buchverlag Rogge. ISBN 978-3-942943-07-9.
- Scherzer, Veit (2007). Die Ritterkreuzträger 1939–1945. Jena: Scherzers Militaer-Verlag. ISBN 978-3-938845-17-2.
- Scutts, Jerry (1992). JG 54: Jagdgeschwader 54 Grünherz, Aces of the Eastern Front. Osceola: Motorbooks International. ISBN 978-0-87938-718-1.
- Spick, Mike (1996). Luftwaffe Fighter Aces. New York: Ivy Books. ISBN 978-0-8041-1696-1.
- Weal, John (1998). Focke-Wulf Fw 190 Aces of the Russian Front. Londen: Osprey Publishing. ISBN 978-1-85532-518-0.
- Weal, John (2001). Jagdgeschwader 54 “Grünherz”. Oxford: Osprey Publishing. ISBN 978-1-84176-286-9.
- Weal, John (2007). More Bf 109 Aces of the Russian Front. Oxford: Osprey Publishing. ISBN 978-1-84603-177-9.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946








