USS New York (BB-34) was het naamgevende schip van de New York-klasse en diende van 1914 tot 1946. Het slagschip nam deel aan beide wereldoorlogen. Vanaf 1943 was het technisch verouderd voor moderne vlootgevechten, maar het bleef bruikbaar voor opleiding, konvooibegeleiding en kustbombardementen. Voor de dienst in de Tweede Wereldoorlog ontving het drie battle stars.
Ontwerp en constructie
New York werd gebouwd bij de New York Navy Yard in Brooklyn. De kiellegging vond plaats op 11 september 1911, de tewaterlating op 30 oktober 1912 en de indienststelling op 15 april 1914. Elsie Calder, dochter van politicus William M. Calder, trad op als doopster. Hoewel New York het naamgevende schip van de klasse was, begon en voltooide zusterschip Texas de bouw eerder.
Het schip had oorspronkelijk een standaardwaterverplaatsing van 27.000 long tons en een waterverplaatsing van 28.367 long tons bij volledige belading. De totale lengte bedroeg 175 meter, de breedte 29,11 meter en de diepgang 8,69 meter. Veertien kolengestookte Babcock & Wilcox-ketels leverden stoom aan twee verticale drievoudige-expansiemachines met samen 28.000 shaft horsepower. De maximumsnelheid was 21 knopen en het bereik bedroeg 7.060 zeemijl bij 10 knopen. De oorspronkelijke bemanning telde 1.042 officieren en manschappen.
Bewapening
De hoofdbatterij bestond uit tien 14-inch/45 caliber kanonnen in vijf dubbele geschutkoepels. Twee koepels stonden voor, twee achter en één midscheeps. De kanonnen konden aanvankelijk tot 15 graden worden geheven. De New York-klasse was de eerste Amerikaanse slagschipklasse die vanaf het ontwerp 14-inch/45 caliber kanonnen droeg. Het was tevens de laatste Amerikaanse slagschipklasse met een hoofdgeschutkoepel midden op het schip.
De secundaire batterij telde bij oplevering 21 kanonnen van 5-inch/51 caliber. Veel stukken stonden laag in open kazematten en waren bij ruwe zee beperkt inzetbaar. In 1918 bleven daarom zestien stukken over en kwamen twee 3-inch/50 caliber luchtafweerkanonnen aan boord. Verder beschikte het schip over vier onderwater geplaatste torpedobuizen van 533 millimeter, twaalf Bliss-Leavitt Mark 3-torpedo’s en twaalf zeemijnen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de luchtafweer uitgebreid; de samenstelling veranderde per werfperiode.
Bepantsering
De hoofdgordel was 254 tot 305 millimeter dik. De onderste kazematten hadden 229 tot 279 millimeter pantser en de bovenste kazematten 152 millimeter. Het pantserdek was oorspronkelijk 51 millimeter dik. De hoofdkoepels hadden frontplaten van 356 millimeter, terwijl de barbettes 254 tot 305 millimeter bescherming kregen. De commandotoren had zijden van 305 millimeter en een dak van 102 millimeter.
Sensoren en dataverwerking
Bij de indienststelling beschikte New York uitsluitend over optische waarnemingsmiddelen voor doelopsporing en vuurleiding. Afstandsmeters, uitkijkposten en geschutdirecteurs leverden gegevens aan de centrale vuurleidingsplot. Daar verwerkten mechanische rekenapparaten de gemeten afstand, koers, vaart, wind en eigen scheepsbeweging tot richtgegevens voor de hoofdbatterij. Telefoonverbindingen, spreekbuizen en wijzerinstrumenten brachten deze gegevens naar de koepels. Het systeem kon nauwkeurig werken, maar zicht, opleiding en snelle menselijke gegevensoverdracht bepaalden de prestaties.
Het Naval Research Laboratory installeerde eind 1938 de experimentele XAF-radar op New York. Deze installatie gebruikte een duplexer, waardoor één antenne zowel kon zenden als ontvangen. Tijdens Fleet Problem XX in 1939 werd de radar gebruikt voor het opsporen van schepen en vliegtuigen. De proeven bewezen de waarde van elektronische vroegwaarschuwing en droegen bij aan de ontwikkeling van Amerikaanse scheepsradars zoals de CXAM. De XAF was een proefinstallatie en vormde niet de volledige radarbezetting waarmee New York later in de oorlog opereerde.
De radaruitrusting veranderde tijdens opeenvolgende werfbeurten. In 1942 worden SC- en SRa-search radars voor het schip genoemd. Foto’s en configuratiegegevens uit 1944 en 1945 tonen een SK air-search radar, een SG surface-search radar en een FC Mark 3 Fire Control Radar voor de zware artillerie. Deze installaties vormden samen de late oorlogsuitrusting voor zoeken en richten.
De SK leverde waarschuwing voor naderende vliegtuigen, maar bepaalde hun hoogte niet rechtstreeks. De SG gaf nauwkeuriger afstand en richting van oppervlaktedoelen en hielp bij navigatie in duisternis of beperkt zicht. De Mark 3 leverde radargegevens aan de vuurleiding van de 14-inch kanonnen. Twee Mark 19-radars ondersteunden de luchtafweervuurleiding.
Een radarcontact was nog geen volledige vuuroplossing. Plotters tekenden opeenvolgende posities op kaarten om richting en snelheid van een doel vast te stellen. Daarna moesten commandoposten het contact identificeren en aan een geschutdirecteur toewijzen. De mechanische vuurleidingsrekenaar combineerde de ontvangen afstand en peiling met ballistische correcties. Zo vormden radar, menselijke beoordeling en analoge rekenapparatuur samen één werkproces.
De verwerking bleef analoog. Radaroperators, waarnemers, kaartplotters en vuurleidingsteams verzamelden en vergeleken meldingen, waarna doelgegevens via interne verbindingen naar brug en geschut gingen. Een speciaal gebouwd, volledig geïntegreerd Combat Information Center zoals op nieuwere Amerikaanse slagschepen is voor New York niet gedocumenteerd. Het schip had wel een centrale vuurleidingsplot en afzonderlijke radar- en commandoposten die een deel van de CIC-taken uitvoerden.
Dat was minder samenhangend dan de gecentraliseerde gevechtsinformatie van latere schepen. Een Aircraft Information Center (AIC) was niet van toepassing en eigen operationele sonar wordt in de technische gegevens niet genoemd. Escorterende torpedobootjagers verzorgden de onderzeebootopsporing. Hierdoor bleef onderzeebootbestrijding buiten de eigen gevechtsinformatieketen.
Modificaties
De grootste modernisering begon in 1926. Zes oliegestookte Bureau Express-ketels vervingen de veertien kolengestookte ketels, twee schoorstenen maakten plaats voor één en driepootmasten vervingen de vakwerkmasten. Extra dekpantser en torpedobulges verhoogden de waterverplaatsing en verbreedden de romp tot ongeveer 32,3 meter. De torpedobuizen verdwenen, geschutposities werden verplaatst en op koepel nummer 3 kwam een vliegtuigkatapult voor verkenningswatervliegtuigen. Na de werfbeurt van 1943 bedroeg de waterverplaatsing 29.340 long tons standaard en 34.000 long tons bij volledige belading.
In 1937 kwamen acht 1.1-inch luchtafweerkanonnen in twee viervoudige opstellingen aan boord. Na de Amerikaanse oorlogsdeelname werd de secundaire batterij teruggebracht tot zes 5-inch kanonnen. In 1942 bestond de luchtafweer uit tien 3-inch kanonnen, 24 40 mm Bofors-kanonnen en 42 20 mm Oerlikon-kanonnen. Na de werfbeurt van 1943 worden tien 3-inch, veertig 40 mm en 36 20 mm kanonnen genoemd. In 1944 kreeg het schip nieuwe Mark 50-directeurs voor de 3-inch luchtafweer en verdere verbeteringen aan radar, communicatie en vuurleiding.
Status schip tijdens de oorlog
Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog was New York een onderhouden maar oud slagschip. De snelheid van 21 knopen was onvoldoende voor samenwerking met snelle vliegdekschipgroepen. De indeling met vijf hoofdkoepels, laag geplaatste kazematten en verticale drievoudige-expansiemachines stamde uit de periode vóór de Amerikaanse standard-type battleships. Ook ontbraken moderne 5-inch/38 dual-purpose kanonnen en een volledig geïntegreerd Combat Information Center.
De opeenvolgende moderniseringen hielden het schip wel inzetbaar. De hoofdbatterij bleef geschikt voor kustbombardementen, terwijl radar en extra luchtafweer de overlevingskansen vergrootten. New York was daardoor minder geschikt voor een modern artilleriegevecht tegen snelle slagschepen, maar bruikbaar als konvooiescorte, opleidingsschip en vuursteunschip. De Amerikaanse marine zette het schip overeenkomstig deze beperkingen in.
Operationele geschiedenis
Veracruz en de Eerste Wereldoorlog
Kort na de indienststelling vertrok New York naar Veracruz. In juli 1914 werd zij vlaggenschip van schout-bij-nacht Frank Friday Fletcher tijdens de Amerikaanse bezetting en blokkade van de haven. Daarna volgden proefvaarten en oefeningen langs de oostkust. Een kerstdiner voor honderden wezen in december 1915 bezorgde het schip de bijnaam Christmas Ship.
Na de Amerikaanse oorlogsverklaring werd New York vlaggenschip van Battleship Division 9 onder schout-bij-nacht Hugh Rodman. De divisie bereikte Scapa Flow op 7 december 1917 en diende als Sixth Battle Squadron bij de Britse Grand Fleet. Het schip voerde blokkade-, escorte- en oefentaken uit. Bij een schietoefening behaalde het een score van 93,3 procent.
Op 14 oktober 1918 raakte New York in de Pentland Firth vermoedelijk een onderzeeboot, verloor twee schroefbladen en liep rompschade op. Duitse verliesgegevens bewijzen niet dat daarbij een U-boot zonk. Onderweg naar Rosyth misten drie torpedo’s het beschadigde schip. New York was op 21 november aanwezig bij de overgave van de Duitse Hochseeflotte en escorteerde George Washington met president Woodrow Wilson naar Frankrijk.
Oefeningen in het interbellum
Vanaf 1919 diende New York bij de Pacific Fleet en nam zij deel aan patrouilles, schietoefeningen en Fleet Problems. Tijdens Fleet Problem I in 1923 stelde het schip een vliegdekschip met vijftien vliegtuigen voor. Problems II en III onderzochten in 1924 een oversteek van de Pacific en de beveiliging van het Panamakanaal. Bij Problem III plaatste een medewerker van de tegenpartij ongezien een nagebootste bom in koepel nummer 3.
In Fleet Problem XIV van 1933 liep New York volgens de oefenleiding 34 procent schade op. Tijdens Problem XVI in 1935 hielp zij Midway verdedigen. Bij Problem XX in 1939 werd het schip door duikbommenwerpers en een onderzeeboot als gezonken beoordeeld. In 1937 vertegenwoordigde het de Amerikaanse marine bij de vlootschouw voor de kroning van koning George VI.
Neutraliteitspatrouilles en konvooien
In september 1939 sloot New York zich aan bij de Neutrality Patrol in de Noord-Atlantische Oceaan. Als vlaggenschip van het Atlantic Squadron bewaakte zij zeeroutes terwijl de Verenigde Staten nog buiten de oorlog bleven. In juli 1941 begeleidde het schip troepen naar IJsland. Tijdens de aanval op Pearl Harbor lag het voor onderhoud op de werf.
De werkzaamheden werden versneld en vier weken later was New York opnieuw beschikbaar. In 1942 begeleidde het vracht- en troepenschepen naar IJsland en Schotland. Torpedobootjagers verzorgden de onderzeebootbeveiliging, terwijl de zware artillerie bescherming bood tegen oppervlakteschepen. Deze inzet paste bij de lage snelheid en hield artillerie beschikbaar voor Atlantische konvooien. Na drie escortereizen werd de luchtafweer in Norfolk uitgebreid.
Operatie Torch en opleidingsdienst
Op 23 oktober 1942 vertrok New York onder kapitein Scott Umsted voor Operatie Torch. Zij behoorde bij de Southern Attack Group voor de landing bij Safi in Frans-Marokko. Op 8 november beschoot het schip met de kruiser Philadelphia kustbatterijen die de landingen bedreigden. Een 14-inch granaat schakelde de afstandsmeter en commandopost van een batterij bij Point de la Tour uit. New York gebruikte zestig granaten van het hoofdgeschut.
Na de beveiliging van Safi voer het slagschip naar Fedala en Casablanca. Het bleef tot 14 november voor de kust en hervatte daarna de konvooidienst naar Noord-Afrika. In 1943 werd New York een opleidingscentrum voor artillerie en luchtafweer. Tot juni 1944 kregen ongeveer 11.000 manschappen en 750 officieren er opleiding. Daarna vervoerde het tijdens drie reizen in totaal 1.800 adelborsten naar Trinidad.
Iwo Jima
New York vertrok eind november 1944 via het Panamakanaal naar de Pacific. Onderweg trad een storing op en ging bij slecht weer een verkenningsvliegtuig verloren. Na oefeningen bij Californië sloot het schip zich aan bij de vuursteungroep voor Iwo Jima. Kort voor de operatie verloor de bakboordschroef een blad, waarna tijdelijke reparaties bij Eniwetok volgden.
Op 16 februari 1945 begon New York de Japanse stellingen te beschieten. In drie dagen vuurde het 6.417 granaten af, waaronder 1.037 van 14 inch. Een salvo trof een grote munitieopslag. Na vertrek op 19 februari werd de schroef bij Manus hersteld.
Okinawa
Op 22 maart 1945 sloot New York zich bij Ulithi aan bij Task Force 54. Het bombardement van Okinawa begon op 27 maart. Het slagschip bleef 76 dagen bij het eiland en leverde vuursteun aan eenheden aan land. Daarbij vuurde het 4.159 granaten van 14 inch en 7.001 granaten van 5 inch af.
Op 14 april stortte een kamikazevliegtuig ongeveer 46 meter van het schip in zee. De aanval vernietigde een verkenningsvliegtuig en verwondde twee bemanningsleden. Door het langdurige vuur waren de lopen van de hoofdbatterij versleten. New York vertrok op 11 juni naar Pearl Harbor om de lopen opnieuw te laten voeren. Het lag daar toen Japan op 15 augustus capituleerde.
Na de oorlog
In september 1945 bracht New York tijdens Operation Magic Carpet militairen van Pearl Harbor naar San Pedro. Daarna nam het schip deel aan de Navy Day-viering in New York. Het werd op 29 augustus 1946 buiten dienst gesteld, nadat het in juli de nucleaire proeven Able en Baker van Operation Crossroads bij Bikini had doorstaan. De marine onderzocht de schade en radioactieve besmetting vervolgens in Pearl Harbor. Op 8 juli 1948 werd het voormalige slagschip voor de kust van Hawaï door schepen en vliegtuigen als doel tot zinken gebracht; het wrak is niet gelokaliseerd.
Conclusie
USS New York combineerde een ontwerp uit het dreadnoughttijdperk met herhaalde technische aanpassingen. De 14-inch hoofdbatterij bleef bruikbaar voor kustbombardementen, maar snelheid, machine-installatie, luchtafweerorganisatie en gegevensverwerking bleven achter bij die van nieuwere slagschepen. Radar verbeterde doelopsporing en vuurleiding, zonder alle informatiestromen in een volwaardig Combat Information Center samen te brengen. De aanpassingen namen de beperkingen van de oorspronkelijke constructie niet volledig weg.
Volgens de militaire normen van 1943 was een oorlogsschip zonder volledig CIC voor moderne vlootgevechten verouderd. New York voldeed daardoor niet meer aan alle eisen van een eerstelijns slagschip. De inzet als konvooiescorte, opleidingsschip en vuursteunschip sloot wel aan bij de resterende mogelijkheden. In die rollen bleef het tot het einde van de oorlog operationeel bruikbaar.
Bronnen en meer informatie
- Banks, Herbert C. (red.) (2002). USS New York (BB-34): The Old Lady of the Sea. Paducah: Turner Publishing Company. ISBN 978-1-56311-809-8.
- Besch, Michael D. (2001). A Navy Second to None: The History of U.S. Naval Training in World War I. Westport: Praeger Publishers. ISBN 978-0-313-31909-9.
- Bonner, Kermit H. (1997). Final Voyages. Paducah: Turner Publishing Company. ISBN 978-1-56311-289-8.
- Breyer, Siegfried (1973). Battleships and Battle Cruisers 1905–1970. Garden City: Doubleday and Company. ISBN 0-385-07247-3.
- Davis, Charles W. (2010). Subic Bay Travel and Diving Guide. Morristown: Asiatype. ISBN 978-971-0321-18-6.
- Davis, J. H. (1982). “Question 24/81.” Warship International, 19(3), 303. ISSN 0043-0374.
- Friedman, Norman (1985). U.S. Battleships: An Illustrated Design History. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-715-9.
- Friedman, Norman (2008). Naval Firepower: Battleship Guns and Gunnery in the Dreadnought Era. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-555-4.
- Gardiner, Robert en Randal Gray (1985). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1906–1921. London: Conway Maritime Press. ISBN 0-87021-907-3.
- Macintyre, Donald (1967). Shipborne Radar. Annapolis: United States Naval Institute. ISBN 978-0-87021-025-9.
- Rodman, Hugh (2011). Yarns of a Kentucky Admiral. Literary Licensing. ISBN 978-1-258-18786-6.
- Stillwell, Paul (1991). Battleship Arizona: An Illustrated History. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-023-5.
- Wright, Christopher C. (1986). “The U.S. Fleet at the New York World’s Fair, 1939: Some Photographs from the Collection of the Late William H. Davis.” Warship International, 23(3), 273–285. ISSN 0043-0374.
- Wright, Christopher C. (2005). “Re: Questions on the Effectiveness of U.S. Navy Battleship Gunnery: Notes on the Origins of U.S. Navy Gun Fire Control System Range Keepers, Part III.” Warship International, 42(4), 351–355. ISSN 0043-0374.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









