Home Schepen Slagschepen en Slagkruisers USS Wyoming (BB-32): slagschip als opleidingsschip

USS Wyoming (BB-32): slagschip als opleidingsschip

Wyoming (BB-32), een Amerikaans slagschip dat in 1935 als opleidingsschip AG-17 in dienst was.
USS Wyoming, oorspronkelijk BB-32, rond 1935 in dienst als Amerikaans opleidingsschip AG-17.

USS Wyoming (BB-32) was een Amerikaans dreadnoughtslagschip uit 1912 dat tijdens de Eerste Wereldoorlog bij de Britse Grand Fleet diende. Na demilitarisering werd het schip AG-17, een opleidings- en artillerietrainingsschip. Tijdens de Tweede Wereldoorlog trainde het ongeveer 35.000 kanonniers en testte het radarondersteunde vuurleiding, zonder als frontlinieslagschip te worden ingezet.

Ontwerp en constructie

USS Wyoming was het eerste van twee slagschepen van de Wyoming-klasse en werd op 9 februari 1910 bij William Cramp & Sons in Philadelphia op stapel gezet. Het was het derde Amerikaanse marineschip met de naam Wyoming en het tweede dat naar de staat was vernoemd. De tewaterlating volgde op 25 mei 1911 en de indienststelling op 25 september 1912. Het schip was 171,3 meter lang, 28,4 meter breed en had een diepgang van ongeveer 8,7 meter. De ontwerpwaterverplaatsing bedroeg 26.000 long ton en liep bij volle belading op tot 27.243 long ton.

De voortstuwing bestond oorspronkelijk uit twaalf kolengestookte Babcock & Wilcox-waterpijpketels, vier Parsons-stoomturbines en vier schroefassen. Het machinevermogen van 28.000 aspaardenkrachten leverde een ontwerpsnelheid van 20,5 knopen, ongeveer 38 kilometer per uur. Bij 10 knopen bedroeg het vaarbereik ongeveer 8.000 zeemijl. De bemanning telde in de oorspronkelijke uitvoering 1.063 officieren en manschappen, maar bezetting en accommodatie veranderden later door de opleidingstaak.

Bewapening

De oorspronkelijke hoofdbewapening bestond uit twaalf 305mm-kanonnen van het type 12-inch/50 Mark 7 in zes dubbele Mark 9-geschuttorens op de middenlijn. Twee torens stonden voor de bovenbouw en vier erachter, verdeeld over drie boven elkaar vurende paren. De secundaire batterij omvatte 21 kanonnen van 127 mm van het type 5-inch/51 in kazematten. Daarnaast waren vier 3-ponder saluutkanonnen en twee onderwater geplaatste torpedobuizen van 533 mm aanwezig.

Na de demilitarisering van 1931 bleven zes 305mm-kanonnen in drie dubbele torens over. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verschoof de bewapening naar opleiding met 5-inch/38-, 3-inch/50-, 40mm-, 20mm- en mitrailleursystemen. In 1945 droeg Wyoming vier dubbele en zes enkele 5-inch-opstellingen, vier enkele 3-inch-kanonnen, elf 40mm-lopen en negentien 20mm-lopen. Deze wisselende opstellingen waren bedoeld om kanonniers met meerdere wapentypen te leren werken.

Bepantsering

Bij oplevering had Wyoming een hoofdgordel van maximaal 279 mm en geschuttorens met frontplaten van 305 mm. De barbettes waren tot 279 mm dik, terwijl de commandotoren zijden van ongeveer 292 mm had. Tijdens de modernisering van de jaren twintig werd de dekbescherming boven munitieruimten en machine-installaties versterkt. De demilitarisering van 1931 verwijderde een groot deel van het zijpantser en de torpedobulten. Daardoor bleef de romp bruikbaar voor opleiding, maar nam de bescherming tegen granaten en onderwaterexplosies af.

Sensoren en dataverwerking

Bij de indienststelling bezat Wyoming geen radar of sonar. De vuurleiding berustte op optische afstandsmeters, waarnemers in de masten, richttoestellen en een centrale reken- en plotorganisatie. Afstanden en richtingen werden telefonisch of via interne aanwijssystemen naar de geschuttorens doorgegeven. Dit systeem paste bij slagschipgevechten uit de jaren voor de Eerste Wereldoorlog, maar kon geen doelen buiten het zicht of laag naderende vliegtuigen zelfstandig ontdekken. Bij slecht zicht of duisternis verminderde de bruikbaarheid van deze methode.

De verbouwing van 1944 gaf het schip een SG-oppervlaktezoekradar op een nieuwe paalmast en meerdere radarondersteunde vuurleidingssystemen. De uitrusting omvatte twee Mark 37-systemen, één Mark 34, één Mark 50, acht Mark 51-richttoestellen, één Mark 57 en één Mark 63. De Mark 37-installaties bestuurden vooral het 5-inch/38-geschut en combineerden optische waarneming met radar voor afstands- en richtingsgegevens. De verschillende systemen stonden bewust naast elkaar, zodat leerlingen konden oefenen met apparatuur die op uiteenlopende Amerikaanse oorlogsschepen voorkwam. De SG-set kon schepen en kustobjecten bij duisternis zonder optisch zicht waarnemen.

Niet elk genoemd systeem was zelf een radar. De Mark 51 was vooral een optisch richttoestel voor 40mm-Boforsgeschut en leverde handmatig gevolgde doelhoeken aan de opstelling. De Mark 57 en Mark 63 boden radarondersteunde luchtafweervuurleiding, terwijl Mark 34 en Mark 37 zwaardere kanonnen aanstuurden. Door deze combinatie konden cursisten leren hoe waarneming, doelvolging, berekening en geschutbediening als één keten werkten. De opstellingen waren niet bedoeld als één vaste gevechtsconfiguratie, maar als een verzameling lesmiddelen voor bediening, onderhoud en storingsdiagnose.

Radarwaarnemingen kwamen binnen in een afzonderlijke radar room en werden gekoppeld aan richttoestellen, plotruimten, vuurleidingskamers en de brug. Analoge vuurleidingscomputers berekenden onder meer voorhoudhoek, doelbeweging en ballistische correcties, waarna elektrische aanwijzingen naar de geschutopstellingen gingen. De algemene plannen van april 1945 tonen geen ruimte die als Combat Information Center (CIC) is aangeduid. Wyoming bezat daardoor tijdens de oorlog wel radar, plotting en centrale vuurleiding, maar geen aantoonbaar geïntegreerd CIC waarin luchtbeeld, oppervlaktebeeld, communicatie en tactische besluitvorming volledig werden samengebracht.

Een sonarinstallatie wordt in de uitrustingsstaten en algemene plannen van de oorlogsuitvoering niet genoemd. Dat past bij de taak als artillerieopleidingsschip, want onderzeebootbestrijding behoorde niet tot haar opdracht. Ook een afzonderlijke langeafstands-luchtzoekradar is voor de configuratie van april 1945 niet gedocumenteerd; de nadruk lag op oppervlaktewaarneming en radarvuurleiding. Als opleidingsplatform bood het schip actuele vuurleidingsapparatuur, maar als zelfstandig oorlogsschip miste het de geïntegreerde sensorverwerking en onderwaterdetectie van modernere eenheden. Daarom was Wyoming voor onderzeebootdetectie afhankelijk van daarvoor uitgeruste begeleidende schepen.

Modificaties

In 1919 werd de secundaire batterij teruggebracht tot zestien 5-inch-kanonnen. Een grote modernisering in 1925-1926 verving de kolenketels door vier oliegestookte White-Forster-ketels, voegde torpedobulten en extra dekpantser toe en bracht luchtafweergeschut en een vliegtuigkatapult aan. Bij de demilitarisering van 1931 verdwenen drie geschuttorens, het zijpantser, de torpedobulten en de katapult. Het schip kreeg toen de classificatie AG-17 en werd voor opleiding ingericht.

Van januari tot april 1944 verdwenen de laatste 305mm-torens en kwamen uiteenlopende 5-inch-, 3-inch- en lichte luchtafweeropstellingen aan boord. De vakwerkmast voorop maakte plaats voor een paalmast met zoekradar, terwijl nieuwe richttoestellen en vuurleidingsradars werden geplaatst. Achterop kwam een kleine katapult voor doelvliegtuigen. In juli 1945 volgden aanpassingen voor proeven met luchtafweer, radar en vuurleiding.

Status schip tijdens de oorlog

Bij de Amerikaanse deelname aan de Tweede Wereldoorlog was Wyoming geen inzetbaar frontlinieslagschip meer. De beperkte snelheid, verwijderde hoofdbewapening, verminderde bepantsering en het ontbreken van een volledig geïntegreerd CIC maakten inzet tegen moderne slagschepen of luchtaanvallen ongeschikt. De marine hield de voortstuwing, accommodatie en opleidingsinstallaties wel operationeel. Regelmatige werfbeurten en de verbouwing van 1944 zorgden dat het schip bruikbaar bleef voor schietopleiding.

De militaire waarde lag daarom niet in directe gevechtskracht, maar in opleiding en beproeving. Wyoming kon grote aantallen cursisten tegelijk laten werken met wapens, richttoestellen en vuurleidingsradars die zij later op operationele schepen gebruikten. De romp bood ruimte voor meerdere systemen en lesgroepen. Het schip was technisch verouderd als slagschip, maar onderhouden en aangepast voor een ondersteunende taak.

Operationele geschiedenis

Vroege dienst, 1912-1917

Na de afbouw in New York sloot Wyoming zich eind december 1912 bij de Atlantic Fleet aan. Het schip werd vlaggenschip van schout-bij-nacht Charles J. Badger en voer begin 1913 naar het Caribisch gebied, langs het Panamakanaal in aanbouw en naar oefengebieden bij Cuba. Het voorjaar bracht artillerieoefeningen, manoeuvres bij Block Island en machinereparaties. Later dat jaar bracht Wyoming adelborsten van Annapolis op oefenreis en bezocht het Malta, Napels en Villefranche tijdens een Europese goodwillreis.

In 1914 oefende Wyoming vanuit Guantánamo Bay en in Tangier Sound. In mei vervoerde het Amerikaanse troepen naar Veracruz, waar de Verenigde Staten de haven bezetten. Wyoming bleef tot de herfst voor de Mexicaanse kust en keerde daarna terug voor reparaties en vlootoefeningen. De jaren 1915 en 1916 bestonden uit manoeuvres bij Cuba, Puerto Rico en de Amerikaanse oostkust. Toen de Verenigde Staten op 6 april 1917 Duitsland de oorlog verklaarden, voer Wyoming bij Yorktown.

Eerste Wereldoorlog, 1917-1918

Zeven maanden lang leidde Wyoming in Chesapeake Bay machinekamerpersoneel op. Op 25 november 1917 vertrok Wyoming met Battleship Division Nine naar Groot-Brittannië, samen met New York, Delaware en Florida. De divisie bereikte Scapa Flow op 7 december en vormde daar het 6th Battle Squadron van de Grand Fleet. Amerikaanse en Britse bemanningen oefenden gezamenlijk, zodat procedures, signalen en formaties op elkaar aansloten. Wyoming kwam niet in een artilleriegevecht met de Duitse Hochseeflotte.

Op 6 februari 1918 begeleidde het eskader zijn eerste konvooi naar Stavanger; daarna volgden patrouilles en dekking van mijnenlegoperaties. Gemelde onderzeebootaanvallen bleken onjuiste waarnemingen; Wyoming schoot op vermeende doelen. Na schade aan de schroeven van New York verhuisde de admiraalsvlag tijdelijk naar Wyoming. Op 21 november escorteerde de geallieerde vloot de Duitse oorlogsschepen naar internering bij Scapa Flow. In december begeleidde Wyoming bij Brest het transportschip George Washington met president Woodrow Wilson en keerde op eerste kerstdag terug in New York.

Interbellum, 1919-1930

In mei 1919 ondersteunde Wyoming Curtiss NC-vliegboten tijdens de eerste trans-Atlantische vlucht. Na een werfbeurt ging het via het Panamakanaal naar de Pacific Fleet, met oefeningen bij Californië en Hawaï en een reis naar Valparaíso. Vanaf augustus 1921 diende Wyoming opnieuw bij de Atlantic Fleet. Wintermanoeuvres bij Cuba werden afgewisseld met zomeroefeningen, opleidingsreizen en bezoeken aan Europese havens. Tijdens Fleet Problems II, III en IV vervulde het schip rollen in gesimuleerde vlootgevechten.

Na oefeningen in de Stille Oceaan onderging Wyoming vanaf 1925 een uitgebreide modernisering in Philadelphia. William F. Halsey was van 1926 tot begin 1927 eerste officier aan boord. Daarna verzorgde Wyoming reizen voor cadetten van Yale, Harvard, Georgia Tech en Northwestern. In november 1928 redde Wyoming acht overlevenden van Vestris en bracht hen naar Norfolk. Op 19 september 1930 ging het schip naar Battleship Division Two; in november verliet het de frontlijndienst en werd het vlaggenschip van het Training Squadron.

Opleidingsschip, 1931-1941

Het Londense vlootverdrag van 1930 verplichtte tot demilitarisering van Wyoming. Na verwijdering van drie hoofdgeschuttorens, zijpantser en torpedobulten kwam Wyoming in mei 1931 terug als AG-17. Tijdens een Europese opleidingsreis sleepte Wyoming onderzeeboot O-12 naar Queenstown in Ierland. Reizen naar Europese, Caribische en Amerikaanse havens volgden voor adelborsten en reservisten. In januari 1935 vervoerde het schip mariniers naar Puerto Rico voor oefeningen in amfibische operaties.

Bij San Clemente Island ontplofte op 18 februari 1937 een 5-inch-granaat tijdens het laden. Zes mariniers kwamen om en elf raakten gewond; Wyoming bracht de gewonden naar het hospitaalschip Relief. Later dat jaar bezocht Wyoming Kiel, Torbay en Funchal; vanaf september 1939 diende Wyoming in de Atlantische reserve. In november 1941 werd Wyoming artillerieopleidingsschip. Tijdens een oefenreis bij Platt’s Bank ontving de bemanning op 7 december het bericht van de aanval op Pearl Harbor.

Tweede Wereldoorlog, 1941-1945

Vanaf februari 1942 werkte Wyoming voor het Operational Training Command van de Atlantic Fleet. Het schip opereerde hoofdzakelijk in Chesapeake Bay en kreeg door zijn aanwezigheid de bijnaam Chesapeake Raider. Duizenden cursisten oefenden met zeven boordwapentypen, van 5-inch-kanonnen tot mitrailleurs van .30 inch. De marine onderzocht herstel als slagschip, maar zag daarvan af. Na de verbouwing van 1944 kon Wyoming kanonniers opleiden met moderne luchtafweerwapens, radar en verschillende vuurleidingssystemen.

Tijdens de oorlog leidde Wyoming naar schatting 35.000 kanonniers op; volgens de marine verschoot het meer munitie dan enig ander Amerikaans marineschip. De training in Chesapeake Bay eindigde op 30 juni 1945. Na aanpassingen in New York ging Wyoming naar Casco Bay als onderdeel van Composite Task Force 69 onder viceadmiraal Willis A. Lee. Daar werden methoden tegen Japanse kamikazeaanvallen beproefd met gesleepte doelen, onbemande doelvliegtuigen en radiografisch bestuurde doelen. Op 31 augustus kreeg de formatie de naam Operational Development Force en zette Wyoming de vuurleidingsproeven voort.

Na de oorlog

Wyoming bleef na de Japanse capitulatie bij de Operational Development Force en diende als proef- en opleidingsplatform. In 1946 kwam vaandrig Jimmy Carter, de latere Amerikaanse president, bij de bemanning en werkte hij aan wapens, radar en Combat Information Center-taken. Op 11 juli 1947 voer het schip naar Norfolk, waar het op 1 augustus buiten dienst werd gesteld. De bemanning ging over naar het voormalige slagschip Mississippi, dat de opleidingstaak overnam. Wyoming werd in september uit het scheepsregister verwijderd, op 30 oktober voor sloop verkocht en vanaf december in New York ontmanteld.

Conclusie

USS Wyoming doorliep drie duidelijk verschillende functies: dreadnoughtslagschip, verdragsgebonden opleidingsschip en platform voor artillerie- en vuurleidingsproeven. De actieve inzet bij de Grand Fleet, de oefeningen in het interbellum en de opleiding van ongeveer 35.000 kanonniers geven de plaats van het schip binnen de Amerikaanse marine weer. Vanaf 1943 voldeed Wyoming zonder volledige bepantsering, zware hoofdbewapening en aantoonbaar geïntegreerd CIC niet aan de normen voor een frontlinieslagschip. De radar, uiteenlopende vuurleidingssystemen en ruime opleidingscapaciteit maakten het echter geschikt voor training en technische beproeving. De militaire waarde tijdens de Tweede Wereldoorlog lag daarom in ondersteuning van de vloot en niet in gevechtsinzet.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: US Navy, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Baker, A. D. III (1996). Historic Fleets. Naval History, 10(4). ISSN 1042-1920.
  3. Breyer, Siegfried (1973). Battleships and Battle Cruisers 1905-1970. Garden City: Doubleday and Company. ISBN 978-0-385-07247-2.
  4. Friedman, Norman (1980). United States of America. In Robert Gardiner en Roger Chesneau (red.), Conway’s All the World’s Fighting Ships 1922-1946. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-913-9.
  5. Friedman, Norman (1985). United States of America. In Robert Gardiner en Randal Gray (red.), Conway’s All the World’s Fighting Ships 1906-1921. Londen: Conway Maritime Press. ISBN 978-0-85177-245-5.
  6. Gherman, Beverly (2004). Jimmy Carter. Minneapolis: Lerner Publications Co. ISBN 978-0-8225-0816-8.
  7. Herwig, Holger H. (1987). “Luxury” Fleet: The Imperial German Navy 1888-1918. Amherst: Humanity Books. ISBN 978-1-57392-286-9.
  8. Jones, Jerry W. (1998). U.S. Battleship Operations in World War I. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-55750-411-1.
  9. Nofi, Albert A. (2010). To Train the Fleet for War: The U.S. Navy Fleet Problems, 1923-1940. Newport: Naval War College Press. ISBN 978-1-884733-87-1.
  10. Rohwer, Jürgen (2005). Chronology of the War at Sea, 1939-1945: The Naval History of World War Two. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-119-8.
  11. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946
Previous articleUSS Arkansas BB-33: Amerikaans slagschip
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in geschiedenis, militaire geschiedenis en de Tweede Wereldoorlog. Sommige redacteuren hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring, operationeel inzicht en kennis van commandostructuren mee. Andere redacteuren houden zich bezig met historisch onderzoek, educatieve content en kennisprojecten. Door deze combinatie van achtergronden ontstaan goed gedocumenteerde artikelen waarin feitelijke nauwkeurigheid, bronnenkritiek, context en analyse centraal staan. De redactie streeft naar objectieve en zorgvuldig onderbouwde publicaties die bijdragen aan een beter begrip van deze belangrijke periode in de geschiedenis.