USS Texas (BB-35) was een Amerikaans slagschip van de New York-klasse, gebouwd als dreadnought en in dienst van 1914 tot 1948. Het schip opereerde tijdens beide wereldoorlogen. Het ondersteunde vijf geallieerde landingsoperaties en bleef daarna als museumschip behouden. Door opeenvolgende moderniseringen beschikte het oude ontwerp tijdens de Tweede Wereldoorlog over radar, vuurleiding en een Combat Information Center.
Ontwerp en constructie
Het Amerikaanse Congres keurde de bouw op 24 juni 1910 goed. Newport News Shipbuilding kreeg de opdracht voor 5.830.000 dollar, zonder de kosten van bepantsering en bewapening. De kiel werd op 17 april 1911 gelegd, waarna de tewaterlating op 18 mei 1912 volgde. Texas werd op 12 maart 1914 onder bevel van kapitein Albert W. Grant in dienst gesteld.
Het schip was 174,7 meter lang en had oorspronkelijk een breedte van ongeveer 29,1 meter. De standaardwaterverplaatsing bedroeg rond 27.000 long ton. Veertien kolengestookte Babcock & Wilcox-ketels leverden stoom aan twee verticale drievoudige-expansiemachines, die twee schroefassen aandreven. Het ontworpen vermogen van ongeveer 28.100 as-pk maakte een maximumsnelheid van circa 21 knopen mogelijk.
Texas behoorde tot de laatste Amerikaanse slagschepen met drievoudige-expansiemachines in plaats van turbines. De bemanning telde bij de bouw ongeveer 1.042 officieren en manschappen. Door extra luchtafweer, sensoren en ondersteunende functies groeide zij tot ongeveer 1.810 personen in 1945. De romp, geschutsopstelling en beperkte snelheid weerspiegelden de Amerikaanse slagliniedoctrine van vóór de Eerste Wereldoorlog.
Bewapening
De hoofdbewapening bestond uit tien 356mm-kanonnen van het type 14-inch/45 Mark 1, ondergebracht in vijf dubbele geschuttorens op de hartlijn. Een pantserdoorborende granaat woog ongeveer 635 kilogram en kon onder de oorspronkelijke omstandigheden doelen op circa 21 kilometer bereiken. Texas was het eerste slagschip dat met 14-inch-kanonnen in dienst kwam. De oorspronkelijke secundaire batterij omvatte 21 kanonnen van 127 mm, opgesteld in kazematten langs de romp.
Bij de bouw waren ook vier onderwaterbuizen van 533 mm aanwezig voor Bliss-Leavitt Mark 8-torpedo’s. Deze buizen verdwenen tijdens de modernisering van 1925 en 1926. In 1945 bestond de bewapening naast de tien hoofdkanonnen uit zes 127mm-kanonnen, tien 76mm-kanonnen, tien viervoudige 40mm-Boforsopstellingen en 44 enkele 20mm-Oerlikonkanonnen. Deze uitbreiding was vooral bedoeld voor verdediging tegen vliegtuigen en kamikazeaanvallen.
Bepantsering
De hoofdgordel was 152 tot 305 mm dik, terwijl de gepantserde dwarsschotten 254 tot 279 mm bereikten. De barbettes varieerden van 127 tot 305 mm en de voorzijde van de geschuttorens was 356 mm dik. De commandotoren had 305 mm pantser en de horizontale dekbescherming bedroeg ongeveer 38 tot 76 mm. Deze verdeling bood vooral bescherming tegen vlak invallend geschutvuur, zoals verwacht bij zeeslagen rond 1910. Tegen moderne vliegtuigbommen en steil invallende granaten bood het ontwerp minder bescherming dan latere slagschepen.
Sensoren en dataverwerking
Bij haar indienststelling vertrouwde Texas op optische waarneming, afstandsmeters, geschutsdirecteurs en mechanische rekenapparatuur. In 1916 kreeg het schip een centraal vuurleidingssysteem met directors en range-keepers. Waarnemers bepaalden richting en afstand, waarna de rekeninstallaties onder meer de eigen koers, de beweging van het doel, wind en ballistische gegevens verwerkten. De berekende richthoeken gingen elektrisch naar de geschuttorens, waardoor meerdere kanonnen als één batterij konden vuren.
In december 1938 ontving Texas de experimentele RCA CXZ, een vroege scheepsradar die op ongeveer 385 MHz werkte. Daarmee nam het schip deel aan de Amerikaanse beproeving van radar op zee. In 1941 volgde de productie-uitvoering CXAM-1 voor luchtwaarschuwing. Tijdens de oorlog werd deze uitrusting verder vervangen en uitgebreid, omdat een enkel waarschuwingssysteem niet meer voldeed voor navigatie, doelopsporing en vuurleiding onder uiteenlopende omstandigheden.
De uitrusting van 1945 omvatte één SK-luchtzoekradar en twee SG-oppervlaktezoekradars. De SK gaf vroegtijdige waarschuwing voor naderende vliegtuigen, terwijl de nauwkeuriger SG-installaties schepen, kustlijnen en navigatiepunten konden waarnemen. Tijdens Operatie Dragoon gebruikte Texas een SG-radar om bij slecht zicht haar positie en koers vast te stellen en het kustbombardement te ondersteunen. Twee Mark 3-vuurleidingsradars hielpen de hoofdartillerie bij afstandsmeting, terwijl twee Mark 10-installaties waren verbonden met directeurs voor de 40mm-luchtafweer.
Radar verving de optische vuurleiding niet, maar leverde een extra meetmethode bij duisternis, bewolking, rook of slecht zicht. De Mark 3 bepaalde vooral de afstand tot een doel en kon onder geschikte omstandigheden ook granaatinslagen waarnemen, terwijl de geschutsdirecteurs en afstandsmeters nodig bleven voor controle en vergelijking. Bij kustbombardementen combineerde de vuurleiding radargegevens met zeekaarten, bekende doelcoördinaten en waarnemingen van vliegtuigen of vooruitgeschoven eenheden aan land. IFF-apparatuur hielp bij het onderscheiden van eigen en onbekende vliegtuigen, waarna telefonie, spreekbuizen en interne radionetten de informatie naar commandoposten en wapenbedieningen doorgaven. Deze gelaagde werkwijze beperkte de gevolgen van storingen of onnauwkeurige metingen en liet de bemanning gegevens uit verschillende bronnen onderling controleren.
Texas beschikte uiterlijk in 1944 over een Combat Information Center, aangeduid als CIC. Daar werden radarwaarnemingen, meldingen van uitkijkposten, radioverkeer en koersgegevens op kaarten en plottafels samengebracht. Het CIC leverde de commandovoering een gezamenlijk beeld van lucht- en oppervlaktedoelen, maar was geen digitaal gevechtssysteem zoals op latere oorlogsschepen. Voor 1945 wordt geen eigen operationele sonar in de uitrustingsopgaven genoemd; bij konvooidienst kwam onderzeebootdetectie vooral van gespecialiseerde escorteschepen. De combinatie van radar, analoge vuurleiding, radioverbindingen en het CIC hield Texas bruikbaar voor konvooibescherming en kustbombardementen.
Modificaties
De eerste aanpassingen volgden al in 1916, toen twee 76mm-luchtafweerkanonnen en centrale vuurleiding werden geplaatst. De verbouwing van 1925 en 1926 wijzigde de voortstuwing, romp en bovenbouw. De vakwerkmasten maakten plaats voor driepootmasten, zes oliegestookte Bureau Express-ketels vervingen de veertien kolenketels en torpedobulges verbreedden de romp tot ongeveer 32,3 meter. Ook werden de torpedobuizen verwijderd, de vuurleiding vernieuwd en enkele 127mm-kanonnen verplaatst.
In 1919 werd vanaf Texas een Sopwith Camel gelanceerd. Later kreeg het schip een katapult en verkenningswatervliegtuigen, waaronder twee OS2U Kingfishers. Voor de landing in Normandië werden de katapult en vliegtuigen tijdelijk verwijderd; de vliegers voerden waarnemingsvluchten uit met Spitfires. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwamen achtereenvolgens radar, extra radioapparatuur, 40mm-Boforskanonnen en 20mm-Oerlikonkanonnen aan boord. Eind 1944 werden alle tien lopen van de hoofdbatterij vervangen.
Status schip tijdens de oorlog
Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog was Texas naar ontwerp, snelheid en horizontale bescherming een oud slagschip. Met ongeveer 21 knopen kon zij geen snelle vliegdekscheepformaties volgen en haar 127mm-kazematkanonnen waren minder geschikt voor luchtafweer dan moderne dubbelfunctiekanonnen. Het schip bleef echter onderhouden en kreeg nieuwe luchtafweer, radar, communicatieapparatuur en een CIC. Daardoor was Texas niet geschikt voor elk type vlootoperatie, maar wel inzetbaar als konvooiescorte, commandoplatform en zwaar artilleriesteunschip bij amfibische landingen.
Operationele geschiedenis
Mexico en de Eerste Wereldoorlog
Kort na haar indienststelling voer Texas in mei 1914 naar Veracruz tijdens de spanningen na het Tampico-incident. Het schip ondersteunde Amerikaanse troepen in Mexicaanse wateren, maar nam daar niet aan een zeeslag deel. In mei 1915 hielp de bemanning bij de redding van 230 passagiers van het beschadigde passagiersschip Ryndam. Daarna volgden oefeningen langs de Amerikaanse oostkust en in het Caribisch gebied.
Na de Amerikaanse oorlogsverklaring van 6 april 1917 leidde Texas kanonniers op voor bewapende koopvaardijschepen. In september liep het slagschip bij Block Island aan de grond, waardoor herstelwerkzaamheden de overtocht naar Europa vertraagden. Op 11 februari 1918 bereikte het Scapa Flow en sloot het zich aan bij het 6th Battle Squadron van de Britse Grand Fleet. Texas escorteerde konvooien en ondersteunde de blokkade in de Noordzee, maar raakte niet met Duitse oppervlakteschepen in gevecht. Op 21 november begeleidde het schip de Duitse Hochseeflotte naar de internering.
Interbellum en vroege oorlogsjaren
In 1919 werd Texas het eerste Amerikaanse slagschip waarvan een vliegtuig opsteeg. Proeven met luchtwaarneming maakten duidelijk dat vliegers de inslagen van granaten nauwkeuriger konden doorgeven dan waarnemers aan boord. Na dienst in de Pacific Fleet onderging het schip tussen 1925 en 1926 een grote verbouwing. Van 1927 tot 1931 diende Texas als vlaggenschip van de United States Fleet, waarna vooral oefeningen en opleidingstaken volgden.
Na het uitbreken van de oorlog in Europa nam Texas vanaf 1939 deel aan de Neutrality Patrol. Vervolgens escorteerde het schip transporten met Amerikaans materieel naar de Britse eilanden. Op 7 december 1941 lag het in Casco Bay in Maine. In 1942 beschermde Texas meerdere Atlantische konvooien en werd de luchtafweer verder uitgebreid. De combinatie van relatief groot bereik, zware artillerie en voldoende zeewaardigheid maakte het schip bruikbaar op routes waar hoge snelheid minder noodzakelijk was.
Noord-Afrika en West-Europa
Op 8 november 1942 verleende Texas tijdens Operatie Torch vuursteun bij Port Lyautey in Frans-Marokko. Het schip beschoot onder meer een munitieopslagplaats en vuurde tijdens deze operatie 273 granaten van 356 mm af. In 1943 volgden opnieuw konvooireizen naar Casablanca, Gibraltar en Britse havens. Vanaf april 1944 oefende de bemanning voor de landing in Normandië.
Voor Operatie Overlord werd Texas aangewezen als vlaggenschip van de Bombardment Force voor het westelijke deel van Omaha Beach. De waarnemingsvliegers en hun OS2U Kingfishers gingen tijdelijk van boord, omdat Duitse jagers een risico vormden voor langzame watervliegtuigen. De vliegers werden bij VOS-7 ingedeeld en gebruikten tijdens de landing Britse Spitfires voor artilleriewaarneming. Extra radioapparatuur maakte verbinding met andere schepen, waarnemers en eenheden aan land mogelijk.
Op 6 juni 1944 opende Texas bij Pointe du Hoc en westelijk Omaha Beach het vuur. In 34 minuten werden 255 granaten van 356 mm afgevuurd. Later naderde het slagschip de kust tot ongeveer 2.700 meter om Duitse stellingen bij Vierville te bestrijden. Op 7 juni brachten landingsvaartuigen munitie naar geïsoleerde Rangers en namen zij gewonden mee terug. Toen doelen buiten het normale schootsveld kwamen, liet de bemanning aan stuurboord water innemen om het schip twee graden te laten overhellen en zo de elevatie van de kanonnen te vergroten.
Bij Cherbourg raakte Texas op 25 juni verwikkeld in een artillerieduel met Batterie Hamburg. Een Duitse granaat van 24 cm trof de commandostructuur, verwondde meerdere opvarenden en veroorzaakte één dodelijk slachtoffer. Een tweede granaat doorboorde de romp, maar ontplofte niet. Texas bleef vuren en gebruikte 206 granaten van 356 mm tegen de batterij. Na herstel ondersteunde het schip op 15 augustus Operatie Dragoon aan de Franse zuidkust, waarbij de SG-radar voor navigatie en positiebepaling werd gebruikt.
Iwo Jima, Okinawa en het oorlogseinde
Na vervanging van de hoofdlopen vertrok Texas eind 1944 via het Panamakanaal naar de Stille Oceaan. Vanaf 16 februari 1945 beschoot het schip Japanse verdedigingswerken op Iwo Jima. Na de landing op 19 februari leverde het op aanvraag vuursteun aan eenheden van het United States Marine Corps. Texas verliet het gebied op 7 maart en ging daarna naar Ulithi ter voorbereiding op Okinawa.
Op 26 maart begon het voorbombardement van Okinawa. Texas bleef tot 14 mei in het gebied, ondersteunde grondtroepen en verdedigde zich tegen Japanse luchtaanvallen. Tijdens deze campagne vuurde het schip 2.019 granaten van 356 mm en 2.643 granaten van 127 mm af, naast munitie van de luchtafweerkanonnen. Kamikazeaanvallen veroorzaakten geen schade aan Texas.
Door de voortdurende dreiging bleef de bemanning meer dan vijftig dagen op gevechtswacht. De luchtafweer meldde één neergehaald kamikazetoestel en medewerking bij drie andere neergehaalde Japanse vliegtuigen. Na de Japanse capitulatie vervoerde het slagschip militairen naar de Verenigde Staten tijdens Operation Magic Carpet. In juni 1946 ging het in reserve, waarna de definitieve buitendienststelling op 21 april 1948 volgde.
Na de oorlog
Na een loopbaan waarin het vijf battle stars voor de Tweede Wereldoorlog ontving, nam de staat Texas het schip in april 1948 over als museum en gedenkteken bij San Jacinto. Het was het eerste Amerikaanse slagschip dat blijvend als museumschip werd ingericht. Achterstallig onderhoud leidde later tot lekkages en aantasting van de romp, waarna tussen 1988 en 1990 een restauratie plaatsvond. In 1976 kreeg het schip de status van National Historic Landmark. Texas geldt als het laatste overgebleven dreadnought-slagschip ter wereld.
Op 31 augustus 2022 werd Texas naar een drijvend droogdok in Galveston gesleept. Tijdens de restauratie werden honderden tonnen staal vervangen, de torpedobulges herbouwd en delen van de dekken, bovenbouw, bewapening en radarinstallaties hersteld. Sinds maart 2024 ligt het schip weer in het water bij Gulf Copper Shipyard. Pier 15 in Galveston is vastgelegd als de toekomstige permanente ligplaats. Reguliere bezoeken zijn tijdens de werkzaamheden niet mogelijk; de heropening is voorzien voor 2027.
Conclusie
USS Texas was bij de bouw een dreadnought met zware artillerie, maar werd door de snelle ontwikkeling van slagschepen al vóór 1939 technisch ingehaald. Moderniseringen maakten het schip geschikt voor konvooidienst en artilleriesteun, terwijl de lage snelheid inzet bij snelle vlootverbanden beperkte. Volgens de militaire norm van 1943 was Texas niet volledig operationeel verouderd, omdat het schip over zoekradars, vuurleidingsradars en een Combat Information Center beschikte. De oorlogsinzet lag daarom vooral bij taken waarvoor snelheid minder zwaar woog dan vuurkracht, commandovoering en betrouwbare vuurleiding.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Official U.S. Navy Photograph, now in the collections of the National Archives., Public domain, via Wikimedia Commons
- Gregory, Henderson (1914). USS Texas: Description and Official Trials. Journal of the American Society of Naval Engineers, 26(1). DOI 10.1111/j.1559-3584.1914.tb04731.x.
- Breyer, Siegfried (1973). Battleships and Battle Cruisers, 1905–1970. Garden City: Doubleday. ISBN 978-0-385-07247-2.
- Cronkite, Walter (1996). A Reporter’s Life. New York: Knopf. ISBN 978-0-394-57879-8.
- Egan, Robert S., Lott, Arnold S. en Sumrall, Robert F. (1976). USS Texas (BB35). Annapolis: Leeward Publications. ISBN 0-915268-06-X.
- Ferguson, John C. (2007). Historic Battleship Texas: The Last Dreadnought. Abilene: State House Press. ISBN 978-1-933337-07-4.
- Friedman, Norman (1986). U.S. Battleships: An Illustrated Design History. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-715-9.
- Gardiner, Robert en Gray, Randal (1985). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1906–1921. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-0-85177-245-5.
- Harrison, Gordon (1951). United States Army in World War II: The European Theater of Operations, The Cross Channel Attack. Washington: United States Army Center of Military History. ISBN 978-0-16001-881-7.
- Hatch, Rosie (red.) (2022). Texas Almanac 2022–2023. Austin: Texas State Historical Association. ISBN 978-1-62511-066-4.
- Hone, Thomas C. en Hone, Trent (2006). Battleline: The United States Navy 1919–1939. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-378-9.
- Jones, Jerry W. (1998). Battleship Texas. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-55750-411-1.
- Kaufmann, J.E. (2002). Fortress Europe: European Fortifications of World War II. Cambridge: Da Capo Press. ISBN 978-0-30681-174-6.
- Love, Robert W. (1992). History of the U.S. Navy: 1775–1941. Harrisburg: Stackpole Books. ISBN 978-0-8117-1862-2.
- McManus, John C. (2004). The Americans at Normandy: The Summer of 1944, the American War from the Normandy Beaches to Falaise. New York: Forge. ISBN 978-0-76531-199-3.
- Morison, Samuel Eliot (2001). History of United States Naval Operations in World War II: The Invasion of France and Germany 1944–1945. Edison: Castle Books. ISBN 978-0-78581-312-5.
- Pater, Alan F. (1968). United States Battleships: The History of America’s Greatest Fighting Fleet. Beverly Hills: Monitor Book Company. ISBN 978-0-917734-07-6.
- Powers, Hugh (1993). Battleship Texas. College Station: Texas A&M University Press. ISBN 978-0-89096-519-1.
- Ryan, Cornelius (1959). The Longest Day: 6 June 1944. New York: Simon & Schuster. ISBN 978-0-67189-091-9.
- Sterne, Gary (2014). The Cover-Up at Omaha Beach: D-Day, the US Rangers, and the Untold Story of Maisy Battery. New York: Skyhorse Publishing. ISBN 978-1-62914-327-9.
- Westwood, J.N. (1975). The Battleship. Fighting Ships of World War II. London: Sidgwick & Jackson. ISBN 978-0-283-98287-3.
- Wiper, Steve en Flowers, Tom (2006). USS Texas BB-35. Warship Pictorial 4. Tucson: Classic Warships Publishing. ISBN 978-0-9654829-3-6.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









