Karl Schnörrer in Duitsland 1919–1979 Luftwaffe

Karl “Quax” Schnörrer was een Duitse Luftwaffe-vlieger uit de Tweede Wereldoorlog. Aan hem werden 46 luchtoverwinningen in 536 gevechtsvluchten toegeschreven, waarvan elf met de Messerschmitt Me 262. Hij diende bij Jagdgeschwader 54 aan het Oostfront en later bij Jagdgeschwader 7 tijdens de Reichsverdediging. Zijn loopbaan eindigde na een zware verwonding op 30 maart 1945.

Vroege leven en opleiding

Karl Schnörrer werd geboren op 22 maart 1919 in Neurenberg, in Beieren. Voor zijn militaire dienst werkte hij als fotoverslaggever. Die burgerlijke achtergrond keerde na de oorlog terug in zijn loopbaan, maar vóór 1945 werd hij vooral gevormd door de opleiding tot jachtvlieger. Vanaf mei 1940 volgde hij zijn training aan Jagdfliegerschule 5 in Wien-Schwechat, waar hij Walter Nowotny leerde kennen. Deze opleiding viel binnen het Duitse systeem voor militaire vliegers, met aandacht voor navigatie, noodlandingen, instrumentvliegen en het omgaan met moeilijke vliegomstandigheden.

De opleiding tot jachtvlieger was gericht op technische beheersing en discipline in de lucht. Vliegers moesten niet alleen starten, landen en navigeren, maar ook hun toestel onder druk kunnen besturen. Bij de opleiding hoorden kunstvluchten, langere navigatievluchten, nachtlandingen en training met beperkte zichtbaarheid. Daardoor werd een jonge piloot stap voor stap voorbereid op luchtgevechten boven grote afstanden. Schnörrer kwam in deze omgeving terecht op het moment dat de Luftwaffe al in oorlog was en voortdurend nieuwe vliegers nodig had.

Tijdens zijn opleiding kreeg Schnörrer de bijnaam “Quax”. Die naam werd met hem verbonden nadat hij de lastig te beheersen Messerschmitt Bf 109 tijdens de training drie keer liet verongelukken. De bijnaam verwees naar een toenmalige Duitse film en een onhandig vliegerpersonage. Binnen de luchtvaartopleiding had zo’n bijnaam vooral een praktische groepsfunctie. De latere loopbaan van Schnörrer laat zien dat deze vroege trainingsincidenten niet verhinderden dat hij als operationeel jachtvlieger werd ingezet.

Interbellum: Jeugd in Neurenberg

Het interbellum was voor Schnörrer vooral de periode van jeugd, scholing en eerste werkervaring. Neurenberg lag in de Vrijstaat Beieren en kreeg in de jaren dertig een zichtbare plaats binnen de politieke cultuur van nazi-Duitsland. Over zijn persoonlijke jeugd buiten zijn geboorteplaats en beroep zijn weinig vaste gegevens overgeleverd. De bekende gegevens wijzen op een overgang van burgerlijk werk als fotoverslaggever naar militaire luchtvaartdienst. Daardoor ligt de nadruk in zijn biografie vooral op de jaren vanaf 1940.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog

Schnörrer kwam tijdens de oorlog in dienst van de Luftwaffe van nazi-Duitsland. Na zijn opleiding werd hij in 1941 geplaatst bij Jagdgeschwader 54, meestal afgekort als JG 54. Deze eenheid opereerde aan het Oostfront, kort na het begin van Operatie Barbarossa, de Duitse aanval op de Sovjet-Unie. Hij kwam eerst terecht bij een aanvullende trainingsgroep van JG 54 en werd daarna ingedeeld bij 1. Staffel. Op 13 december 1941 gaf hij zijn eerste luchtoverwinningsclaim op, maar die werd niet bevestigd. Tijdens die missie brak hij tegen orders in de formatie om een vijandelijk vliegtuig aan te vallen.

Binnen de Luftwaffe was een Jagdgeschwader opgebouwd uit groepen en Staffel-eenheden. Een Staffel was een eskader, terwijl een Schwarm meestal vier toestellen omvatte. Voor een jachtvlieger bepaalde deze structuur met wie hij vloog, wie leiding gaf en hoe bescherming in de lucht werd georganiseerd. De functie van wingman was daarin van groot belang, omdat deze vlieger de leider moest volgen, waarschuwen en de formatie moest afschermen. Schnörrers latere samenwerking met Walter Nowotny past binnen die tactische werkwijze.

Zijn eerste bevestigde luchtoverwinning volgde op 12 mei 1942, toen hij een Jakovlev Jak-1 neerhaalde. Op 13 augustus 1942 volgde een Petljakov Pe-2 bommenwerper. In dezelfde periode stond 1. Staffel onder bevel van Oberleutnant Heinz Lange en viel deze onder I. Gruppe van JG 54. In oktober 1942 nam Walter Nowotny het bevel over 1. Staffel over en koos Schnörrer als zijn wingman. De band tussen beide vliegers werd daardoor ook operationeel belangrijk, omdat de wingman in luchtgevechten bescherming en ondersteuning moest bieden.

Vanaf begin 1943 maakte Schnörrer deel uit van de groep rond Nowotny, samen met Anton Döbele en Rudolf Rademacher. Deze formatie werd aangeduid als de Nowotny Schwarm en ook als Teufelskette. De combinatie vloog in een periode waarin JG 54 overstapte op de Focke-Wulf Fw 190 A-4. In februari 1943 opereerde I. Gruppe rond Leningrad, waar Sovjettroepen na Operatie Iskra een corridor naar de stad hadden geopend. Schnörrer claimde daar een Iljoesjin Il-2 bij Mga, gevolgd door een nieuwe claim bij Staraja Roessa in maart 1943.

In juni 1943 vloog I. Gruppe missies boven het gebied rond Volkhov en Novaja Ladoga. Schnörrer claimde daar onder meer een MiG-3 en een LaGG-3. De luchtstrijd bestond uit jachtpatrouilles, escorte van Duitse bommenwerpers en aanvallen op Sovjetvliegtuigen. Op 15 juni 1943 nam hij deel aan een missie naar het kustgebied bij Kronstadt, waar hij opnieuw een LaGG-3 claimde. Deze fase toont het patroon van zijn inzet aan het Oostfront: korte gevechtsvluchten, wisselende frontgebieden en nauwe samenwerking binnen kleine jachtformaties.

In juli 1943 werd I. Gruppe naar de sector rond Orel verplaatst voor Operatie Citadel, het Duitse offensief bij Koersk. De eenheid ondersteunde de aanval van het 9e Leger op het noordelijke deel van de saillant. Schnörrer claimde tijdens deze gevechten verschillende Sovjetvliegtuigen, waaronder LaGG-3-jagers, een Douglas A-20 Boston en een Curtiss P-40. Nadat het Duitse offensief was vastgelopen en de Sovjetoperatie Koetoezov begon, verschoof de Duitse inzet naar terugtocht en verdediging. Op 7 augustus 1943 claimde hij twee Il-2 grondaanvalsvliegtuigen bij Karatsjev.

Na de gevechten bij Koersk werd I. Gruppe naar Poltava verplaatst in reactie op de Sovjetopmars richting Belgorod en Charkiv. Schnörrer vloog in augustus 1943 escortes voor Ju 87-duikbommenwerpers en Heinkel He 111-bommenwerpers. In die periode claimde hij onder meer La-5-jagers, een MiG-3, een Pe-2 en Il-2-toestellen. Later die maand werd de eenheid opnieuw naar het noorden verplaatst vanwege de druk op de Duitse posities rond Smolensk. In september en oktober 1943 opereerde hij rond Vitebsk, Velizj en Nevel.

Op 12 november 1943 werd Schnörrer zelf neergeschoten in zijn Focke-Wulf Fw 190 A-5 ten zuiden van Nevel. De schade werd veroorzaakt door Duits luchtafweergeschut. Hij sprong op lage hoogte uit het toestel, maar zijn parachute kon niet volledig openen voordat hij de grond raakte. Daardoor brak hij beide benen en liep hij een zware hersenschudding op. Duitse infanterie bracht hem in veiligheid, waarna hij per Junkers Ju 52 naar een Luftwaffe-hospitaal in Dölau werd gevlogen. Deze verwonding onderbrak zijn frontdienst voor meerdere maanden.

Na zijn herstel werd Schnörrer in juni 1944 overgeplaatst naar Erprobungskommando 262. Deze eenheid testte de Messerschmitt Me 262, de eerste operationele straaljager van Duitsland. In september 1944 werd de eenheid onder Walter Nowotny verder ingezet voor gevechtsproeven en kreeg zij de naam Kommando Nowotny. De inzet van de Me 262 vond plaats in een moeilijke fase voor de Luftwaffe, waarin geallieerde bommenwerpers en escortejagers steeds vaker Duitse doelen aanvielen. Nowotny kwam op 8 november 1944 om tijdens een inzet met de Me 262. Schnörrer maakte op 15 november deel uit van de erewacht bij zijn begrafenis in Wenen.

De Me 262 veranderde het werk van een jachtvlieger door zijn hoge snelheid en straalaandrijving. Het toestel kon geallieerde bommenwerpers snel naderen, maar het gebruik vroeg nauwkeurige planning, geschikte vliegvelden en ervaren grondpersoneel. Ook was de Duitse situatie in 1944 en 1945 ongunstig door brandstoftekorten, geallieerde aanvallen op vliegvelden en de druk op het luchtruim boven Duitsland. Schnörrers overstap naar de Me 262 betekende daardoor geen gewone plaatsing, maar inzet in een technisch nieuw en militair moeilijk wapensysteem.

Daarna werd Schnörrer geplaatst bij Jagdgeschwader 7 “Nowotny”, de eerste Duitse straaljagereenheid. Deze eenheid werd ingezet tijdens de Reichsverdediging tegen Amerikaanse bommenwerpers en escortejagers. Binnen III. Gruppe van JG 7 vloog hij met de Me 262 tegen formaties van B-17 Flying Fortress-bommenwerpers en P-51 Mustang-jagers. In de literatuur worden voor zijn Staffel binnen JG 7 verschillende aanduidingen gegeven, vooral 9. Staffel en 11. Staffel. Vast staat dat hij in 1945 tot de Me 262-vliegers behoorde aan wie meerdere overwinningen werden toegeschreven.

In februari en maart 1945 claimde Schnörrer elf luchtoverwinningen met de Me 262. Op 3 februari 1945 claimde hij een B-17 tijdens een Amerikaanse aanval op doelen bij Magdeburg. Op 9 februari volgde een P-51 in de omgeving van Berlijn en op 3 maart een B-17 bij Braunschweig. Op 18 maart 1945 gebruikte hij R4M-raketten tijdens een aanval op Amerikaanse bommenwerpers en claimde hij twee B-17’s. Kort daarna kreeg hij tijdelijk het bevel over 9. Staffel, nadat Günther Wegmann gewond raakte.

Op 22 maart 1945 werd Schnörrer onderscheiden met het Ridderkruis van het IJzeren Kruis. Op 30 maart 1945 claimde hij bij de verdediging tegen een Amerikaanse aanval op doelen bij Hamburg en Bremen nog twee B-17-bommenwerpers. Daarna werd zijn Me 262 geraakt door vuur uit een derde bommenwerper. Bij Uelzen verliet hij het beschadigde toestel, terwijl hij door P-51-jagers werd achtervolgd. Tijdens het uitspringen raakte zijn been het staartvlak. De verwonding was zo zwaar dat zijn been moest worden geamputeerd. Daarmee eindigde zijn gevechtsloopbaan.

Na de oorlog

Na 1945 keerde Schnörrer terug naar burgerlijk werk in de fotografie. Hij werkte als fotograaf voor de Deutsche Presse-Agentur, de Duitse persdienst. Daarmee sloot zijn naoorlogse beroep aan bij zijn eerdere ervaring als fotoverslaggever vóór zijn militaire loopbaan. Over zijn naoorlogse openbare optreden is in de bekende gegevens weinig vastgelegd. Karl Schnörrer overleed op 25 september 1979 in Neurenberg, de stad waar hij zestig jaar eerder was geboren.

Zijn naoorlogse leven wordt in de bekende gegevens veel korter behandeld dan zijn militaire dienst. Dat komt doordat zijn naam vooral voorkomt in studies over Luftwaffe-jachtvliegers, JG 54, JG 7 en de Me 262. Voor een historische beoordeling blijft daarom vooral zijn militaire loopbaan goed te reconstrueren. Zijn werk als fotograaf na 1945 vormt wel een duidelijke verbinding met zijn beroep van vóór de oorlog.

Militaire Rangen

Schnörrer begon zijn operationele dienst aan het Oostfront als Unteroffizier. Die rang hoorde binnen de Luftwaffe bij de onderofficieren. Later werd hij vermeld als Feldwebel en vervolgens als Leutnant, nadat hij als officier was aangesteld. Bij het Ridderkruis werd hij aangeduid als Leutnant der Reserve en Staffelführer. Staffelführer was geen formele rang, maar een tijdelijke commandofunctie op Staffel-niveau. Zijn loopbaan laat daardoor een ontwikkeling zien van onderofficier-vlieger naar officier met leidinggevende verantwoordelijkheid binnen een jachteenheid.

De rangen zeggen ook iets over zijn plaats binnen de organisatie, maar niet alles over zijn dagelijkse taak. Als jachtvlieger werd hij beoordeeld op inzetbaarheid, vliegervaring, samenwerking in formatie en het uitvoeren van bevelen tijdens missies. De stap naar Staffelführer in 1945 hing samen met omstandigheden binnen de eenheid, waaronder het uitvallen van een andere Staffelcommandant. Daardoor combineerde hij aan het einde van zijn loopbaan operationele ervaring met tijdelijke leiding binnen JG 7.

Onderscheidingen

Schnörrer ontving tijdens zijn dienst meerdere Duitse en verbonden onderscheidingen. Op 6 mei 1941 kreeg hij het vliegerinsigne. Op 16 september 1942 volgde het IJzeren Kruis 2e Klasse en op 22 juni 1943 het IJzeren Kruis 1e Klasse. Daarnaast ontving hij de Oostfrontmedaille, de Frontflugspange in Goud voor jachtvliegers, de Finse Orde van het Vrijheidskruis 2e Klasse, het Verwundetenabzeichen in Zwart, de Ehrenpokal der Luftwaffe, het Duitse Kruis in Goud en op 22 maart 1945 het Ridderkruis van het IJzeren Kruis.

De onderscheidingen weerspiegelen de verschillende fasen van zijn dienst. Vroege onderscheidingen hielden verband met opleiding, frontdienst en gevechtsvluchten aan het Oostfront. Het Verwundetenabzeichen volgde na zijn zware verwonding in november 1943. Het Duitse Kruis in Goud werd toegekend in oktober 1943, toen hij nog verbonden was aan I. Gruppe van JG 54. Het Ridderkruis in maart 1945 viel in de periode waarin hij als Me 262-vlieger bij JG 7 werd ingezet.

Conclusie

Karl Schnörrer was een Duitse jachtvlieger wiens militaire loopbaan vrijwel geheel binnen de Tweede Wereldoorlog viel. Zijn dienst begon bij JG 54 aan het Oostfront en verplaatste zich later naar de Me 262-eenheden die werden ingezet bij de verdediging van Duitsland. De registratie van zijn luchtoverwinningen verschilt per bron: vaak worden 46 claims genoemd, terwijl archiefonderzoek 45 bevestigde claims en één niet-bevestigde claim vermeldt. Zijn verwondingen in november 1943 en maart 1945 bepaalden in sterke mate het verloop en het einde van zijn militaire loopbaan.

Bronnen en meer informatie

  1. Bergström, Christer; Antipov, Vlad; Sundin, Claes (2003). Graf & Grislawski – A Pair of Aces. Hamilton MT: Eagle Editions. ISBN 978-0-9721060-4-7.
  2. Bergström, Christer (2007). Kursk—The Final Air Battle: July 1943. Hersham, Surrey: Classic Publications. ISBN 978-1-903223-88-8.
  3. Boehme, Manfred (1992). JG 7 The World’s First Jet Fighter Unit 1944/1945. Atglen, PA: Schiffer Publishing. ISBN 978-0-88740-395-8.
  4. Chapis, Stephen; Thomas, Andrew (2017). Allied Jet Killers of World War 2. Bloomsbury Publishing. ISBN 978-1-4728-2350-2.
  5. Fellgiebel, Walther-Peer (2000). Die Träger des Ritterkreuzes des Eisernen Kreuzes 1939–1945 — Die Inhaber der höchsten Auszeichnung des Zweiten Weltkrieges aller Wehrmachtteile. Friedberg: Podzun-Pallas. ISBN 978-3-7909-0284-6.
  6. Forsyth, Robert (2008). Jagdgeschwader 7 Nowotny. Oxford: Osprey Publishing. ISBN 978-1-84603-320-9.
  7. Harvey, James (2011). Sharks of the Air: Willy Messerschmitt and How He Built the World’s First Operational Jet Fighter. Havertown: Casemate Publishers. ISBN 978-1-61200-023-7.
  8. Heaton, Colin; Lewis, Anne-Marie (2012). The Me 262 Stormbird: From the Pilots Who Flew, Fought, and Survived It. Minneapolis: Zenith Imprint. ISBN 978-0-76034-263-3.
  9. Held, Werner (1998). Der Jagdflieger Walter Nowotny Bilder und Dokumente. Stuttgart: Motorbuch Verlag. ISBN 978-3-87943-979-9.
  10. Mathews, Andrew Johannes; Foreman, John (2015). Luftwaffe Aces — Biographies and Victory Claims — Volume 4 S–Z. Walton on Thames: Red Kite. ISBN 978-1-906592-21-9.
  11. Morgan, Hugh; Weal, John (1998). German Jet Aces of World War 2. London; New York: Osprey Publishing. ISBN 978-1-85532-634-7.
  12. Musciano, Walter (1989). Messerschmitt Aces. New York: Aero. ISBN 978-0-8306-8379-6.
  13. Obermaier, Ernst (1989). Die Ritterkreuzträger der Luftwaffe Jagdflieger 1939–1945. Mainz: Verlag Dieter Hoffmann. ISBN 978-3-87341-065-7.
  14. Patzwall, Klaus D.; Scherzer, Veit (2001). Das Deutsche Kreuz 1941–1945 Geschichte und Inhaber Band II. Norderstedt: Verlag Klaus D. Patzwall. ISBN 978-3-931533-45-8.
  15. Patzwall, Klaus D. (2008). Der Ehrenpokal für besondere Leistung im Luftkrieg. Norderstedt: Verlag Klaus D. Patzwall. ISBN 978-3-931533-08-3.
  16. Prien, Jochen; Stemmer, Gerhard; Rodeike, Peter; Bock, Winfried (2006). Die Jagdfliegerverbände der Deutschen Luftwaffe 1934 bis 1945—Teil 9/III—Vom Sommerfeldzug 1942 bis zur Niederlage von Stalingrad—1.5.1942 bis 3.2.1943. Eutin: Struve-Druck. ISBN 978-3-923457-78-6.
  17. Prien, Jochen; Stemmer, Gerhard; Rodeike, Peter; Bock, Winfried (2012). Die Jagdfliegerverbände der Deutschen Luftwaffe 1934 bis 1945—Teil 12/III—Einsatz im Osten—4.2. bis 31.12.1943. Eutin: Buchverlag Rogge. ISBN 978-3-942943-07-9.
  18. Scherzer, Veit (2007). Die Ritterkreuzträger 1939–1945 Die Inhaber des Ritterkreuzes des Eisernen Kreuzes 1939 von Heer, Luftwaffe, Kriegsmarine, Waffen-SS, Volkssturm sowie mit Deutschland verbündeter Streitkräfte nach den Unterlagen des Bundesarchives. Jena: Scherzers Militaer-Verlag. ISBN 978-3-938845-17-2.
  19. Smith, J. Richard; Creek, Edward J. (2000). Me 262. Vol. Three. Burgess Hill: Classic Publications. ISBN 978-1-903223-00-0.
  20. Spick, Mike (1996). Luftwaffe Fighter Aces. New York: Ivy Books. ISBN 978-0-8041-1696-1.
  21. Weal, John (2001). Jagdgeschwader 54 “Grünherz”. Oxford: Osprey Publishing. ISBN 978-1-84176-286-9.
  22. Ziegler, Mano (2014). Hitler’s Jet Plane: The Me 262 Story. Casemate Publishers. ISBN 978-1-84832-699-6.
  23. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946
Previous articleRijksverdediging Duitsland 1939-1945 (luchtverdediging)
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in geschiedenis, militaire geschiedenis en de Tweede Wereldoorlog. Sommige redacteuren hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring, operationeel inzicht en kennis van commandostructuren mee. Andere redacteuren houden zich bezig met historisch onderzoek, educatieve content en kennisprojecten. Door deze combinatie van achtergronden ontstaan goed gedocumenteerde artikelen waarin feitelijke nauwkeurigheid, bronnenkritiek, context en analyse centraal staan. De redactie streeft naar objectieve en zorgvuldig onderbouwde publicaties die bijdragen aan een beter begrip van deze belangrijke periode in de geschiedenis.