Friedrich Schulz en zijn militaire loopbaan

Karl Friedrich “Fritz” Wilhelm Schulz was een Duitse officier die in de Tweede Wereldoorlog opklom tot General der Infanterie. Hij diende achtereenvolgens in het keizerlijke leger, de Reichswehr en de Wehrmacht, met functies in staven, legerkorpsen, legers en legergroepen. Zijn loopbaan eindigde rond de Duitse capitulaties van mei 1945 in Zuid-Duitsland.

Vroege leven en opleiding

Karl Friedrich Wilhelm Schulz werd op 15 oktober 1897 geboren in Polnisch Nettkow, in de Landkreis Grünberg in Silezië. Die plaats staat tegenwoordig bekend als Nietków in Polen. Over zijn jeugd zijn weinig details bekend. Zijn vader wordt aangeduid als goederenbeheerder. Schulz groeide op in een Duitse omgeving waarin het Pruisische leger en de bestuurlijke dienst vaste onderdelen van het openbare leven waren. Zijn latere militaire loopbaan begon al vroeg en sloot aan bij de officiersvorming binnen het Duitse Keizerrijk.

Schulz begon zijn militaire opleiding als jonge oorlogsvrijwilliger. In het Duitse leger verliep de opleiding van kandidaat-officieren via rangen als Fahnenjunker en Fähnrich. Deze stappen waren bedoeld om praktische frontdienst te verbinden met bevelvoering op lager niveau. Vervolgens kreeg hij ervaring als compagniesofficier, eerst tijdens de Eerste Wereldoorlog en later in de Reichswehr. Die combinatie van frontdienst, opleiding en administratieve vorming maakte hem geschikt voor functies waarin organisatie en stafwerk een grote rol speelden.

Deelname aan de Eerste Wereldoorlog

Schulz meldde zich in het najaar van 1914 als Kriegsfreiwilliger in het Pruisische leger. Zijn eerste plaatsing wordt verbonden met regiment nr. 54, waaronder het Neumärkische Feldartillerie-Regiment Nr. 54 en het 7. Pommersche Infanterie-Regiment “von der Goltz” Nr. 54 worden genoemd. Vanaf 1915 werd hij aan het front ingezet. In oktober 1915 volgde zijn overplaatsing als Fähnrich naar het 3. Posensche Infanterie-Regiment Nr. 58.

Op 26 juni 1916 werd Schulz binnen het 3. Posensche Infanterie-Regiment Nr. 58 bevorderd tot Leutnant. Die bevordering vond aanvankelijk zonder Patent plaats; de officiële benoemingsakte werd later vastgesteld op 9 augustus 1916. Als Leutnant diende hij als compagniesofficier. Tijdens de oorlog ontving hij beide klassen van het IJzeren Kruis van 1914 en het Verwundetenabzeichen in Schwarz. Daarmee werd zijn eerste militaire loopbaan gevormd door frontdienst, verwonding en voortzetting van de officiersroute.

Interbellum: Reichswehr en Generale Staf

Na de Eerste Wereldoorlog werd Schulz tijdelijk ingezet bij grensbewaking. In het voorjaar van 1919 slaagde hij voor zijn militaire districtsexamen, waarna hij werd opgenomen in de Reichswehr. Tijdens de overgang van het grotere voorlopige leger naar de beperkte Reichswehr kreeg hij een plaats in het Reichswehr-Infanterie-Regiment 9 en daarna in het 8. (Preußisches) Infanterie-Regiment. Binnen deze eenheid diende hij als compagniesofficier in Glogau, een garnizoensstad in Silezië.

Zijn persoonlijke leven liep in deze jaren naast de opbouw van zijn militaire loopbaan. De naam Klara Schulz, geboren Schoebel, wordt eveneens bij de familiegegevens vermeld. Op 10 juni 1922 trouwde Schulz met Margarete Teichmann. Uit dit huwelijk werden twee dochters geboren, in 1923 en 1930. Op 31 juli 1925 volgde zijn bevordering tot Oberleutnant, met een Rangdienstalter dat op 1 april 1925 werd vastgesteld. Vervolgens werd hij geplaatst bij de 9e compagnie van het 8. (Preußisches) Infanterie-Regiment in Görlitz.

Vanaf 1 oktober 1926 diende Schulz als adjudant van het 3e bataljon van het 8. (Preußisches) Infanterie-Regiment in Görlitz. In maart 1929 slaagde hij opnieuw voor een militair districtsexamen. Op 1 oktober 1930 begon hij aan een tweejarige Führergehilfenausbildung, de opleiding die in de Reichswehr bedoeld was als vervanging voor openlijke Generale-Stafopleiding. Daardoor werd hij overgeplaatst naar de staf van de 4e Divisie in Dresden. Op 1 november 1931 werd hij bevorderd tot Hauptmann.

Na voltooiing van zijn opleiding bleef Schulz werkzaam in de staf van de 4e Divisie. Op 1 september 1933 volgde een overplaatsing naar het Reichswehrministerium in Berlijn. Door de uitbreiding van de Duitse landmacht werd hij op 1 oktober 1934 compagniescommandant van het Infanterie-Regiment Görlitz. Op 15 oktober 1935 kreeg hij een stafpost als 1e Generale Stafofficier, aangeduid als Ia, bij de 23e Infanteriedivisie. Op 1 januari 1936 werd hij bevorderd tot Major i.G.

Vanaf 12 oktober 1937 diende Schulz in de Generale Staf van het Oberkommando der Wehrmacht. Op 1 februari 1939 volgde zijn bevordering tot Oberstleutnant i.G., met een Rangdienstalter van 1 februari 1938. Binnen het Wehrmachtführungsamt werkte hij als Gruppenleiter II voor organisatiezaken in afdeling L. Deze functie plaatste hem bij de bestuurlijke en operationele voorbereiding van de Duitse strijdkrachten kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog diende Schulz in het Oberkommando der Wehrmacht. In april 1940 werd hij als Ia en chef van de Generale Staf verbonden aan het Generalkommando XXXXIII. Armeekorps. In die functie nam hij deel aan de Slag om Frankrijk. Na deze campagne ontving hij beide klassen van het Herhalingsgesp bij het IJzeren Kruis 1939. Zijn werkzaamheden lagen vooral bij planning, verbinding tussen bevelsniveaus en ondersteuning van de korpscommandant.

Tijdens Operatie Barbarossa bleef Schulz verbonden aan het XXXXIII. Armeekorps. Dit korps werd ingezet bij de Duitse aanval op de Sovjet-Unie en bij operaties richting Centraal-Rusland. Voor zijn rol bij het tegenhouden van een Sovjetaanval bij Kaloega werd hem op 29 maart 1942 het Ridderkruis van het IJzeren Kruis toegekend. Op 24 april 1942 werd hij in de Führerreserve van het Oberkommando des Heeres geplaatst, waarna een nieuwe stafplaatsing volgde.

Vanaf 12 mei 1942 was Schulz stafchef van de Generale Staf van het 11e Leger. Op 1 juli 1942 werd hij bevorderd tot Generalmajor. Later dat jaar, op 27 november 1942, werd hij stafchef van Heeresgruppe Don. Deze legergroep was actief in de zuidelijke sector van het oostfront, in een periode waarin de Duitse positie rond Stalingrad en de Don sterk onder druk stond. Op 12 februari 1943 werd Heeresgruppe Don hernoemd tot Heeresgruppe Süd.

Op 1 maart 1943 droeg Schulz zijn stafpost over aan Generalmajor Theodor Busse en werd hij opnieuw in de Führerreserve geplaatst. Op 1 mei 1943 nam hij het bevel over de 28. Jäger-Division in Noord-Rusland. Op 1 juli 1943 volgde zijn bevordering tot Generalleutnant. Vanaf 25 november 1943 werd hij belast met de plaatsvervangende leiding van het III. Panzerkorps. Begin januari 1944 droeg hij dat commando weer over aan General der Panzertruppe Hermann Breith.

Op 8 februari 1944 kreeg Schulz het bevel over het LIX. Armeekorps. Op 14 maart 1944 werd hij eenmaal genoemd in het Wehrmachtsbericht, in verband met de inzet van troepen van dit korps. Op 20 maart 1944 kreeg hij het Eikenloof bij het Ridderkruis van het IJzeren Kruis. Vanaf 22 maart 1944 werd hij belast met het commando over het Generalkommando XXXXVI. Panzerkorps. Op 1 april 1944 werd hij bevorderd tot General der Infanterie.

Vanaf juli 1944 volgden commandoposten op hoger niveau. Begin juli werd Schulz opnieuw uit zijn functie gehaald en in de Führerreserve geplaatst. Op 25 juli 1944 kreeg hij het bevel over het 17e Leger. In deze functie was hij betrokken bij de gevechten in Opper-Silezië. Op 26 februari 1945 ontving hij de Zwaarden bij het Ridderkruis met Eikenloof. Rond dezelfde periode raakte hij bij Lauban gewond door een bomsplinter, waardoor hij tijdelijk aan bed was gebonden.

In het voorjaar van 1945 kreeg Schulz nog meerdere bevelen in de laatste fase van de oorlog. Op 25 maart 1945 gaf hij het bevel over het 17e Leger af en kwam hij opnieuw in de Führerreserve. Op 5 april 1945 werd hij opperbevelhebber van Heeresgruppe G. Eind april werd hij door Generalfeldmarschall Albert Kesselring afgelost en naar Italië gestuurd. Op 30 april 1945 werd hij benoemd tot opperbevelhebber van Heeresgruppe C en tegelijk tot Oberbefehlshaber Süd.

Bij het hoofdkwartier van Heeresgruppe C in Recoaro Terme werd Schulz op 1 mei 1945 aangehouden door General der Panzertruppen Hans Röttiger, die zelf het commando tot de capitulatie van 2 mei 1945 overnam. Schulz werd daarna vrijgelaten. Op 3 mei 1945 kreeg hij opnieuw het bevel over Heeresgruppe G. In zijn naam capituleerde General der Infanterie Hermann Foertsch op 5 mei 1945 in de omgeving van Haar en Baldham bij München tegenover Amerikaanse strijdkrachten. De capitulatie ging op 6 mei 1945 in.

Na de oorlog

Na de Duitse capitulatie kwam Schulz in Amerikaanse krijgsgevangenschap. Voor deze periode worden 1946 en 30 maart 1948 als eindpunt genoemd. Zijn eerste echtgenote was in 1945 overleden. Op 16 oktober 1948 trouwde hij met Luitgard Kohlrausch. Over zijn verdere leven na de krijgsgevangenschap is weinig bekend. Schulz overleed op 30 november 1976 in Freudenstadt, in Baden-Württemberg.

Militaire Rangen

De militaire rangen van Schulz tonen een loopbaan die begon bij kandidaat-officiersvorming en eindigde op het niveau van leger- en legergroepbevel. De Duitse aanduidingen zijn behouden, omdat zij horen bij de historische rangstructuur van het keizerlijke leger, de Reichswehr en de Wehrmacht. Waar een Rangdienstalter bekend is, gaat het om de administratieve anciënniteit die voor rangorde en loopbaanberekening werd gebruikt.

Kriegsfreiwilliger: 19 september 1914. Fahnenjunker: 1915. Fähnrich: oktober 1915. Leutnant: 26 juni 1916, met Patent later vastgesteld op 9 augustus 1916 en Rangdienstalter van 1 oktober 1915. Oberleutnant: 31 juli 1925, met Rangdienstalter vanaf 1 april 1925. Hauptmann: 1 november 1931. Major i.G.: 1 januari 1936. Oberstleutnant i.G.: 1 februari 1939, met Rangdienstalter van 1 februari 1938.

Oberst i.G.: 1 januari 1942, met Rangdienstalter van 1 november 1940. Generalmajor: 1 juli 1942, met Rangdienstalter van 1 september 1942. Generalleutnant: 1 juli 1943. General der Infanterie: 1 april 1944. Deze laatste rang was een hoge generaalsrang binnen de Duitse landmacht. Schulz droeg deze rang tijdens zijn bevel over het XXXXVI. Panzerkorps, het 17e Leger en de legergroepcommando’s in 1945.

Onderscheidingen

Schulz ontving meerdere militaire onderscheidingen uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Uit de Eerste Wereldoorlog waren dat het IJzeren Kruis 1914, 2e Klasse op 2 juni 1916, en het IJzeren Kruis 1914, 1e Klasse op 27 januari 1918. Daarnaast werd hij onderscheiden met het Verwundetenabzeichen in Schwarz. In 1934 ontving hij het Erekruis voor Frontstrijders in de Wereldoorlog, een onderscheiding voor oud-frontsoldaten uit de jaren 1914-1918.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontving Schulz beide klassen van het Herhalingsgesp bij het IJzeren Kruis 1939. De 2e Klasse werd toegekend op 6 april 1940 en de 1e Klasse op 14 juni 1940. Op 29 maart 1942 ontving hij het Ridderkruis van het IJzeren Kruis als Oberst i.G. en stafchef van het XXXXIII. Armeekorps. Op 20 maart 1944 volgde het Eikenloof bij dit Ridderkruis als Generalleutnant en waarnemend commandant van het III. Panzerkorps.

Op 26 februari 1945 ontving Schulz de Zwaarden bij het Ridderkruis met Eikenloof als General der Infanterie en opperbevelhebber van het 17e Leger. Andere vermeldingen in zijn onderscheidingenlijst zijn de Orde van Michaël de Dappere, 3e Klasse, toegekend op 6 oktober 1942, het Krimschild en de Medaille Winterschlacht im Osten 1941/42. Daarnaast werd hij op 14 maart 1944 eenmaal genoemd in het Wehrmachtsbericht.

Conclusie

Karl Friedrich Wilhelm Schulz had een lange militaire loopbaan die begon in het Duitse Keizerrijk en eindigde met de neergang van de Wehrmacht in 1945. Hij ontwikkelde zich van oorlogsvrijwilliger en compagniesofficier tot stafchef, korpscommandant, legercommandant en tijdelijk bevelhebber van legergroepen. Zijn loopbaan laat vooral de overgang zien van frontdienst in de Eerste Wereldoorlog naar staf- en bevelsfuncties in de Tweede Wereldoorlog.

Schulz was geen politiek bestuurder, maar een beroepsmilitair binnen opeenvolgende Duitse legers. Zijn werkzaamheden lagen vooral bij organisatie, operatieplanning en bevelvoering over grote eenheden. De laatste weken van zijn dienst stonden in het teken van snelle commandowisselingen, interne spanningen binnen het Duitse opperbevel en plaatselijke capitulaties tegenover Amerikaanse strijdkrachten. Na zijn krijgsgevangenschap leefde hij buiten de openbare militaire rol en overleed hij in 1976 in Freudenstadt.

Bronnen en meer informatie

  1. Scherzer, Veit (2007). Die Ritterkreuzträger 1939–1945: Die Inhaber des Eisernen Kreuzes von Heer, Luftwaffe, Kriegsmarine, Waffen-SS, Volkssturm sowie mit Deutschland verbündeter Streitkräfte nach den Unterlagen des Bundesarchivs. Ranis/Jena: Scherzers Militaer-Verlag. ISBN 978-3-938845-17-2.
  2. Thomas, Franz (1998). Die Eichenlaubträger 1939–1945 Band 2: L–Z. Osnabrück: Biblio-Verlag. ISBN 978-3-7648-2300-9.
  3. Kursietis, Andris J. (1999). The Wehrmacht at War 1939–1945: The Units and Commanders of the Ground Forces during World War II. Soesterberg: Aspekt. ISBN 90-75323-38-7.
  4. Die Wehrmachtberichte 1939–1945; Band 3: 1. Januar 1944 bis 9. Mai 1945. Köln: Gesellschaft für Literatur und Bildung. ISBN 3-89340-004-4.
  5. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946
Previous articleOtto von Below en de Slag bij Caporetto 1917
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in geschiedenis, militaire geschiedenis en de Tweede Wereldoorlog. Sommige redacteuren hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring, operationeel inzicht en kennis van commandostructuren mee. Andere redacteuren houden zich bezig met historisch onderzoek, educatieve content en kennisprojecten. Door deze combinatie van achtergronden ontstaan goed gedocumenteerde artikelen waarin feitelijke nauwkeurigheid, bronnenkritiek, context en analyse centraal staan. De redactie streeft naar objectieve en zorgvuldig onderbouwde publicaties die bijdragen aan een beter begrip van deze belangrijke periode in de geschiedenis.