Gerhard Tappen en de Duitse legerleiding 1914

Dietrich Gerhard Emil Theodor Tappen (3 juli 1866 – 28 mei 1953) was een Duitse beroepsofficier en generaal van de artillerie. Hij diende in de Pruisische en Duitse legerstructuur en werkte tijdens de Eerste Wereldoorlog bij de Oberste Heeresleitung, waar operationele planning en legerstrategie samenkwamen. Later voerde hij divisies aan binnen het Duitse leger.

Vroege leven en opleiding

Gerhard Tappen werd geboren op 3 juli 1866 in Esens, een plaats in Oost-Friesland. Op 1 april 1885 trad hij als Fahnenjunker toe tot het Feldartillerie-Regiment Nr. 15 van de Pruisische Armee in Saarburg. Daarmee begon hij een loopbaan binnen de artillerie, het onderdeel dat nauw verbonden was met techniek, berekening en vuursteun. In september 1886 werd hij bevorderd tot Sekondeleutnant, waarmee zijn status als officier binnen de Pruisische krijgsmacht werd bevestigd.

Tappen volgde in 1888 en 1889 onderwijs aan de Vereinigte Artillerie- und Ingenieurschule. Deze opleiding sloot aan bij de eisen die aan artillerieofficieren werden gesteld, omdat zij zowel wapentechniek als praktische inzet moesten beheersen. Vanaf 1893 studeerde hij drie jaar aan de Kriegsakademie, de instelling waar officieren werden voorbereid op stafdienst. Op 14 september 1893 werd hij Premierleutnant. In 1897 werd hij vervolgens naar de Große Generalstab gecommandeerd, een stap die zijn verdere loopbaan richting planning en stafwerk bepaalde.

Aan het begin van de twintigste eeuw kreeg Tappen functies waarin troepenleiding en stafdienst elkaar afwisselden. In 1901 was hij batterijchef bij het Feldartillerie-Regiment „von Holtzendorff“ (1. Rheinisches) Nr. 8 in Saarbrücken. In 1904 werd hij adjudant in de generale staf van de 16. Division in Trier. Op 27 januari 1906 volgde zijn bevordering tot Major. Daarna werkte hij als docent aan de Kriegsakademie, werd hij in 1909 Generalstabschef van het XVII. Armee-Korps en in 1910 afdelingschef in de Große Generalstab.

Op 1 oktober 1912 werd Tappen bevorderd tot Oberstleutnant. Deze rang plaatste hem kort voor de Eerste Wereldoorlog in de hogere laag van ervaren stafofficieren. Zijn loopbaan tot dan toe had zich ontwikkeld binnen een patroon dat kenmerkend was voor Pruisische beroepsmilitairen met stafaanleg: regimentsdienst, specialistische opleiding, academische vorming en plaatsing bij grotere commandoniveaus. Daardoor beschikte hij in 1914 over ervaring met artillerie, opleiding, staforganisatie en operationele voorbereiding.

Deelname aan de Eerste Wereldoorlog

Functie bij de Oberste Heeresleitung

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog diende Tappen als kolonel bij de Oberste Heeresleitung in Koblenz. De Oberste Heeresleitung, meestal afgekort tot OHL, was de hoogste Duitse legerleiding voor de veldoperaties. Tappen stond daar aan het hoofd van de Operationsabteilung van de generale staf van het veldleger. Deze afdeling hield zich bezig met de coördinatie van militaire plannen, de beweging van legers en de afstemming van strategie op de situatie aan het front.

De Operationsabteilung vormde geen zelfstandig opperbevel, maar werkte binnen de hiërarchie van de Duitse generale staf. Daardoor lag Tappens invloed vooral in voorbereiding, beoordeling en uitwerking van militaire plannen. Besluiten werden genomen binnen de bredere bevelsstructuur van de OHL, waarin de chef van de generale staf en andere afdelingen een rol hadden. Zijn functie moet daarom worden gezien als hoge stafverantwoordelijkheid, niet als onafhankelijk bevel over alle Duitse legers.

Zijn positie bij de OHL maakte Tappen betrokken bij de Duitse oorlogsvoering in de openingsfase van 1914. In september van dat jaar rapporteerde hij na een inspectiereis aan het front over de toestand na de Slag aan de Marne. Hij beoordeelde de Franse strijdkrachten als uitgeput en meende dat een laatste Duitse druk beslissend kon zijn. Ook waarschuwde hij dat verdere Duitse terugtochten het moreel van de troepen konden schaden. Dit rapport past binnen de spanning tussen voortzetten, hergroeperen en terugnemen na de Duitse tegenslag aan de Marne.

Stafdienst en frontfuncties

In maart 1915 werd Tappen korte tijd verbonden aan de 7. Armee onder Generaloberst Josias von Heeringen. Hij diende daar in de stafleiding en keerde daarna terug naar de OHL. Op 26 juni 1915 volgde zijn bevordering tot Generalmajor. In hetzelfde jaar ontving hij de Pour le Mérite, een hoge Pruisische militaire onderscheiding. In januari 1916 kwamen daar de eikenbladeren bij, die als aanvullende onderscheiding bij deze orde golden.

Een foto uit Paraćin van 6 november 1915 toont Tappen in de omgeving van hoge Duitse en bondgenootschappelijke militairen. Op de afbeelding staan onder anderen Erich von Falkenhayn, kroonprins Boris, Hans von Seeckt, Oberst Gantschew, generaal Nikola Schekow en August von Mackensen. De foto past bij de staf- en bondgenootschappelijke contacten waarin Tappen tijdens de oorlog functioneerde. Zij toont geen veldcommando, maar wel zijn plaats binnen de hogere militaire overlegwereld.

Een afzonderlijk gegeven uit zijn oorlogsperiode betreft een broer van Tappen die in verband wordt gebracht met contacten tussen de generale staf en proeven met chemische wapens. De voornaam wordt in bronnen niet eenduidig weergegeven als Hans of Karl Tappen. Hij was doctor in de chemie en werkte aan het Kaiser-Wilhelm-Institut in Berlijn. Deze vermelding plaatst de militaire stafomgeving van Gerhard Tappen naast de wetenschappelijke ontwikkelingen die tijdens de oorlog voor militaire doeleinden werden benut.

Eind augustus 1916 verliet Tappen de OHL en werd hij chef van de staf van Heeresgruppe Mackensen aan het Roemeense front. Deze legergroep stond onder bevel van August von Mackensen en was betrokken bij de Duitse en bondgenootschappelijke operaties tegen Roemenië. Voor Tappen betekende deze functie een overgang van centrale planning in de OHL naar stafwerk bij een groot frontcommando. De functie vroeg om afstemming tussen bevelvoering, marsroutes, bevoorrading en de inzet van verschillende formaties.

In december 1916 kreeg Tappen het commando over de 5. Ersatz-Division. Vanaf september 1917 tot aan de wapenstilstand voerde hij het bevel over de 15. Infanterie-Division. Daarmee eindigde zijn oorlogsdienst niet alleen in een stafrol, maar ook als divisiecommandant. De laatste fase van zijn loopbaan tijdens de Eerste Wereldoorlog toont de overgang van planning op hoog niveau naar directe verantwoordelijkheid voor een grote gevechtsformatie binnen het Duitse leger.

Interbellum: publicatie en eretitel

Na de Eerste Wereldoorlog bleef Tappen vooral verbonden met zijn terugblik op de Duitse campagne van 1914. In 1920 publiceerde hij Bis zur Marne 1914: Beiträge zur Beurteilung der Kriegführung bis zum Abschluss der Marne-Schlacht. In dit werk behandelde hij de Duitse oorlogsvoering tot en met de afsluiting van de Marne-slag. De titel maakt duidelijk dat het boek gericht was op beoordeling van militaire besluitvorming, niet op een volledig overzicht van de hele oorlog.

Tappens publicatie past binnen de bredere militaire discussie die na 1918 in Duitsland ontstond. Voormalige officieren schreven over bevelvoering, marsplanning, commandostructuren en de redenen voor het mislukken van de snelle Duitse overwinning in het westen. Zijn positie in de Operationsabteilung gaf hem toegang tot de besluitvormingswereld van de OHL. Daardoor werd zijn terugblik vooral gebruikt als bijdrage aan de beoordeling van planning, stafwerk en de Duitse keuzes tijdens de openingscampagne.

Zijn oorlogsdagenboek en verdere correspondentie zijn bewaard in het Bundesarchiv. Zulke documenten ondersteunen de bestudering van militaire besluitvorming, omdat zij naast gepubliceerde werken ook persoonlijke notities, briefwisseling en administratieve sporen kunnen bevatten. Bij Tappen gaat het vooral om de verbinding tussen loopbaan, stafdienst en commandovoering. De bewaarde nalatenschap ondersteunt daarom de reconstructie van zijn rol binnen de Duitse militaire elite van het keizerrijk.

Op 27 augustus 1939, tijdens de zogenoemde Tannenbergtag, kreeg Tappen het Charakter als General der Artillerie verleend. Deze eretitel betekende dat hij de rangbenaming van generaal van de artillerie mocht dragen. De toekenning vond plaats kort voor het begin van de Tweede Wereldoorlog, maar zij vormde geen bewijs voor een nieuw veldcommando. Tappen wordt daarom niet beschreven als deelnemer aan de Tweede Wereldoorlog, maar als voormalig officier die in 1939 een rangkarakter ontving.

Na de oorlog

Na 1945 leefde Tappen in Duitsland. Zijn militaire loopbaan bevat geen afzonderlijke commandopost na de Tweede Wereldoorlog. Zijn naam bleef vooral verbonden met de Eerste Wereldoorlog, de OHL, de Marne-campagne en zijn publicatie uit 1920. Gerhard Tappen overleed op 28 mei 1953 in Goslar. Hij werd 86 jaar oud.

Zijn nalatenschap behoort vooral tot het terrein van militaire geschiedenis en stafstudie. Tappen was geen frontcommandant die uitsluitend door veldslagen werd herinnerd, maar een officier wiens loopbaan nauw verbonden was met planning, bevelvoering en de Duitse generale staf. Daarom komt zijn naam vooral voor in studies over de Duitse strategie van 1914, de weg naar Verdun, de OHL en de hogere officieren van het Duitse keizerrijk.

Militaire Rangen

Tappens rangontwikkeling begon met zijn toelating als Fahnenjunker op 1 april 1885. In september 1886 werd hij Sekondeleutnant en op 14 september 1893 volgde de rang van Premierleutnant. Op 27 januari 1906 werd hij Major. Deze vroege rangen tonen een loopbaan die zich stap voor stap ontwikkelde binnen het Pruisische officierskorps, met artilleriedienst als basis en stafopleiding als verdere richting.

Op 1 oktober 1912 werd Tappen Oberstleutnant. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog diende hij als Oberst bij de OHL. Op 26 juni 1915 werd hij Generalmajor. Op 27 augustus 1939 ontving hij het Charakter als General der Artillerie. In Duitse militaire traditie duidde een rangkarakter op het recht om een hogere rangtitel te voeren, zonder dat dit automatisch een actief bevel of een nieuwe functie in oorlogstijd betekende.

Zijn rangverloop laat zien hoe sterk opleiding en stafdienst in zijn carrière samenhingen. De overstap van artillerieofficier naar de Große Generalstab vergrootte zijn loopbaanmogelijkheden en bracht hem in posities waar operationele kennis werd gevraagd. De latere bevordering tot Generalmajor viel samen met zijn werkzaamheden tijdens de Eerste Wereldoorlog. De eretitel van 1939 sloot zijn formele rangontwikkeling af.

Onderscheidingen

Tappen ontving meerdere onderscheidingen uit Duitse en met Duitsland verbonden monarchale orden. Tot de genoemde onderscheidingen behoren de Roter Adlerorden III. Klasse mit der Schleife, de Kronen-Orden III. Klasse en het Preußische Dienstauszeichnungskreuz. Verder werd hij onderscheiden met de Bayerischer Militärverdienstorden IV. Klasse mit der Krone en het Ritterkreuz I. Klasse des Albrechts-Ordens mit der Krone. Deze orden weerspiegelen diensttijd, rang en erkenning binnen de militaire ordewereld van het Duitse keizerrijk.

Ook ontving Tappen de Orden der Eisernen Krone II. Klasse en het Eisernes Kreuz van 1914 in zowel de tweede als de eerste klasse. De meest genoemde onderscheiding in verband met zijn oorlogsdienst is de Pour le Mérite. Hij ontving deze orde op 11 september 1915. Op 27 januari 1916 kreeg hij daarbij het eikenloof. Deze combinatie gold binnen het Pruisische decoratiestelsel als een hogere erkenning voor militaire verdiensten.

De reeks onderscheidingen wordt doorgaans niet als volledig beschouwd. Toch geeft zij een duidelijk beeld van Tappens positie binnen het militaire waarderingssysteem van zijn tijd. Zijn onderscheidingen omvatten zowel dienst- en ridderorden als oorlogsonderscheidingen. Daardoor sluiten zij aan bij zijn loopbaan als artillerieofficier, stafofficier, Generalmajor en latere drager van het Charakter als General der Artillerie.

Conclusie

Gerhard Tappen was een Duitse beroepsofficier die zijn loopbaan begon in de Pruisische artillerie en uitgroeide tot Generalmajor in de Eerste Wereldoorlog. Zijn naam is vooral verbonden met de Operationsabteilung van de OHL, de Duitse besluitvorming in 1914 en latere functies aan het Roemeense front en bij divisies. Na de oorlog schreef hij een militair werk over de campagne tot aan de Marne. Zijn verdere betekenis ligt in de studie van Duitse stafcultuur, commandovoering en militaire loopbanen binnen het keizerrijk.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: B. Taube, Gosslar (Life time: 1915), Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Foley, R. T. (2007) [2005]. German Strategy and the Path to Verdun: Erich von Falkenhayn and the Development of Attrition, 1870–1916. Cambridge: Cambridge University Press. ISBN 978-0-521-04436-3.
  3. Bonenkamp, Daniel R. (2020). General der Artillerie Gerhard Tappen. In: Grawe, Lukas (Hrsg.). Die militärische Elite des Kaiserreichs. 24 Lebensläufe. Darmstadt: wbg Theiss. ISBN 978-3-8062-4018-4.
  4. Hildebrand, Karl-Friedrich; Zweng, Christian (2011). Die Ritter des Ordens Pour le Mérite des I. Weltkriegs. Band 3: P–Z. Bissendorf: Biblio Verlag. ISBN 3-7648-2586-3.
  5. Szöllösi-Janze, Margit (1998). Fritz Haber 1868–1934. Eine Biographie. München: C. H. Beck. ISBN 3-406-43548-3.
  6. Hildebrand, Karl-Friedrich; Zweng, Christian (1998). Die Ritter des Ordens Pour le Mérite 1740–1918. Bissendorf: Biblio Verlag. ISBN 3-7648-2473-5.
  7. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946