Home Militaire organisatie Oberste Heeresleitung (OHL) in de Eerste Wereldoorlog

Oberste Heeresleitung (OHL) in de Eerste Wereldoorlog

Oberste Heeresleitung vergadert in het Grote Hoofdkwartier tijdens de Eerste Wereldoorlog met Duitse officieren
Duitse militaire leiding van de Oberste Heeresleitung tijdens overleg over operaties aan het front in de Eerste Wereldoorlog.

De Oberste Heeresleitung (OHL) was de hoogste militaire leiding van het Duitse veldleger tijdens de Eerste Wereldoorlog. Zij werkte namens de Duitse keizer, maar kreeg in de praktijk steeds meer zelfstandige macht binnen het Duitse Keizerrijk. Vooral vanaf 1916 beïnvloedde de OHL militaire operaties, politiek, economie, vredesonderhandelingen en de nasleep daarvan.

Oprichting en functioneren van de Oberste Heeresleitung

Militaire organisatie van het Duitse Keizerrijk

Na de oprichting van het Duitse Keizerrijk in 1871 bleef de militaire organisatie van de afzonderlijke koninkrijken grotendeels bestaan. Het Pruisische leger, het Beierse leger, het Saksische leger en het leger van Württemberg hadden in vredestijd eigen ministeries en generale staven. Deze instellingen verzorgden de administratie, opleiding en organisatie van de troepen. Daardoor was het Duitse leger vóór mobilisatie geen volledig centraal bestuurd apparaat, maar een samenstel van koninklijke legerstructuren.

Juridische positie en keizerlijk bevel

In oorlogstijd kwamen deze legers onder het opperbevel van de Duitse keizer te staan. De keizer droeg formeel de titel Oberster Kriegsherr en bezat de bevels- en commandobevoegdheid over de strijdkrachten. Toch lag de dagelijkse leiding bij de chef van de Generale Staf van het veldleger, die namens de keizer bevelen doorgaf. Wilhelm II liet deze praktijk vanaf 1914 grotendeels toe en bemoeide zich vooral met besluiten die hij zelf van groot gewicht achtte.

Structuur van de OHL

De OHL vormde de commandostaf die de Duitse operaties in oorlogstijd aanstuurde. Binnen de Generale Staf bestonden afdelingen voor interne organisatie, operaties, inlichtingen, spionage, contraspionage en juridische of politieke verbindingen. Tijdens de oorlog kwamen daar onderdelen bij voor de Macedonische en Turkse fronten en voor de oorlogseconomie. Naast deze staf maakten het militaire kabinet van de keizer, specialisten voor artillerie, genie, geneeskunde, telegrafie, munitie en spoorwegen, en vertegenwoordigers van de Duitse oorlogministeries deel uit van het grotere hoofdkwartier.

Samenwerking met andere militaire organen

De afstemming tussen de OHL en de marineleiding verliep aan het begin van de oorlog gebrekkig. De Kaiserliche Marine beschikte niet over dezelfde mate van voorbereiding op het Schlieffenplan als het leger. Dat plan ging uit van een snelle aanval op Frankrijk via België. Het beperkte overleg tussen land- en zeestrijdkrachten maakte duidelijk dat het Duitse oorlogsapparaat niet in alle onderdelen gelijk werd aangestuurd.

Hoofdkwartieren

Het Grote Hoofdkwartier verhuisde tijdens de oorlog meerdere keren met het verloop van de operaties mee. De OHL werkte achtereenvolgens vanuit plaatsen als Berlijn, Koblenz, Luxemburg, Charleville-Mézières, Schloss Pless, Bad Kreuznach en Spa. Na de wapenstilstand werd de staf naar Schloss Wilhelmshöhe bij Kassel verplaatst. Vanaf februari 1919 lag het zwaartepunt in Kolberg, waar de aandacht verschoof naar de oostgrens en de gevolgen van de Poolse staatsvorming.

Eerste OHL (1914)

Moltke en het Schlieffenplan

Bij de mobilisatie in augustus 1914 vormde de Grote Generale Staf de kern van de OHL. Helmuth von Moltke de Jongere bleef chef van de Generale Staf, een functie die hij sinds 1906 bekleedde. Zijn operationele planning bouwde voort op de denkbeelden van Alfred von Schlieffen. Het Duitse aanvalsplan richtte zich op een snelle nederlaag van Frankrijk door een opmars via België, waarna meer aandacht naar het oostfront kon gaan.

Delegatie binnen de staf

Moltke delegeerde veel uitvoerende verantwoordelijkheid aan ervaren officieren binnen de staf. Gerhard Tappen had een belangrijke plaats binnen de operatieafdeling, terwijl Richard Hentsch betrokken was bij de beoordeling van informatie en frontmeldingen. Daardoor konden stafleden namens de OHL optreden bij legerhoofdkwartieren. Deze werkwijze paste bij de Duitse staftraditie, maar maakte de besluitvorming kwetsbaar wanneer verbindingen met het front verstoord raakten.

Slag bij de Marne

In september 1914 kwam de Duitse opmars aan de Marne tot stilstand. De afstand tussen Duitse legers, de druk van Franse en Britse strijdkrachten en verstoorde communicatie maakten het voor de OHL moeilijk om het front nauwkeurig te sturen. Hentsch werd naar de hoofdkwartieren van het 1e en 2e Leger gestuurd en steunde een terugtocht naar de Aisne. Kort daarna raakte Moltke lichamelijk en geestelijk uitgeput, waarna Erich von Falkenhayn hem verving.

Tweede OHL (1914-1916)

Falkenhayn en centralisatie

Erich von Falkenhayn nam de leiding over na de mislukte Duitse opmars in het westen. Hij bleef aanvankelijk werken met delen van Moltkes staf, maar bracht ook eigen vertrouwelingen binnen, onder wie Hugo von Freytag-Loringhoven. Falkenhayn wilde de besluitvorming sterker centraliseren en hield zijn strategische overwegingen vaak besloten. Daardoor werd de OHL onder zijn leiding minder collegiaal en meer gericht op een beperkte kring rond de chef.

Race naar de Zee

Na de Marne probeerden beide coalities elkaar in het noorden te overvleugelen. Deze beweging staat bekend als de Race naar de Zee en leidde tot zware gevechten in Vlaanderen. De Eerste Slag om Ieper sloot deze fase af zonder Duitse doorbraak. Vervolgens stabiliseerde het westfront in een loopgravenoorlog, waarin terreinwinst meestal beperkt bleef en aanvallen hoge verliezen konden veroorzaken.

Oostfront en westfront

De OHL kreeg onder Falkenhayn te maken met een strategisch meningsverschil over de verdeling van middelen. De overwinningen bij Tannenberg en de Mazurische Meren versterkten de positie van Paul von Hindenburg en Erich Ludendorff binnen leger en publiek. Zij pleitten voor meer aandacht voor het oostfront, waar Rusland als kwetsbaarder werd gezien. Falkenhayn bleef echter vasthouden aan de gedachte dat Frankrijk en Groot-Brittannië de tegenstanders waren die voor Duitsland de meeste militaire druk veroorzaakten.

Slag bij Verdun

Verdun vormde in 1916 de campagne waarop Falkenhayn zijn westelijke strategie richtte. De aanval was verbonden met een uitputtingsstrategie, waarbij het Franse leger in een langdurige strijd verzwakt moest worden. De verliezen aan beide zijden liepen echter zwaar op, terwijl een Duitse doorbraak uitbleef. In dezelfde periode openden de geallieerden de Slag aan de Somme en trad Roemenië aan geallieerde zijde toe, waardoor Falkenhayn in augustus 1916 werd vervangen.

Derde OHL: Hindenburg en Ludendorff (1916-1918)

Macht binnen de Derde OHL

Met de benoeming van Paul von Hindenburg ontstond de zogenoemde Derde OHL. Hindenburg was formeel chef van de Generale Staf, maar Erich Ludendorff bepaalde in hoge mate de dagelijkse koers van de operaties. Voor Ludendorff werd de functie van Eerste Generalquartiermeister ingericht, waarmee hij naast Hindenburg een aparte positie kreeg. De militaire besluitvorming schoof daardoor verder naar het hoofdkwartier, terwijl de regering en de keizer in toenemende mate onder druk van de OHL kwamen te staan.

Hindenburgprogramma en oorlogseconomie

Het Hindenburgprogramma moest de Duitse oorlogsinspanning sterk uitbreiden. De OHL wilde productie, arbeid, grondstoffen en transport vollediger in dienst stellen van de oorlog. Daarmee kreeg de militaire leiding directe invloed op economische keuzes en op de inzet van de burgerbevolking. Het programma liet zien dat de Derde OHL niet alleen als veldlegerleiding werkte, maar ook als instelling die de totale oorlogvoering van Duitsland wilde organiseren.

Onbeperkte duikbootoorlog

De hervatting van de onbeperkte duikbootoorlog in 1917 was een besluit onder de Derde OHL met duidelijke gevolgen voor de internationale verhoudingen. Duitse onderzeeërs moesten schepen rond de Britse eilanden aanvallen om Groot-Brittannië economisch te treffen. Deze strategie bracht ook Amerikaanse schepen en belangen in gevaar. In combinatie met bredere spanningen, waaronder het Zimmermanntelegram, droeg zij bij aan de Amerikaanse deelname aan de oorlog.

Russische Revolutie en Vrede van Brest-Litovsk

De Russische Revolutie bood de OHL een kans om het oostfront te ontlasten. De Duitse leiding ondersteunde de doorgang van Lenin en andere revolutionairen vanuit Zwitserland naar Rusland, omdat politieke ontregeling daar militair voordeel kon opleveren. Na de Oktoberrevolutie volgden onderhandelingen met de bolsjewistische regering. De Vrede van Brest-Litovsk in maart 1918 beëindigde de oorlog aan het oostfront en maakte Duitse troepen vrij voor het westen.

Lenteoffensieven van 1918

De troepenverplaatsing uit het oosten maakte de Lenteoffensieven van 1918 mogelijk. De Duitse aanvallen leverden aanvankelijk terreinwinst op, maar zij konden de geallieerde legers niet blijvend breken. Vanaf de zomer won het geallieerde Honderddagenoffensief terrein, terwijl Duitse reserves, bevoorrading en moreel onder druk kwamen te staan. Eind september vroeg Ludendorff om wapenstilstandsonderhandelingen, maar in oktober pleitte hij alsnog voor voortzetting van de strijd, waarna hij werd ontslagen.

Wapenstilstand en ontbinding van de OHL

Duitse Revolutie en wapenstilstand

De militaire situatie verslechterde in november 1918 snel. De Wapenstilstand van Compiègne maakte op 11 november een einde aan de gevechten aan het westfront. Tegelijkertijd viel het keizerlijke gezag weg door de Duitse Revolutie en de abdicatie van Wilhelm II. Wilhelm Groener, die Ludendorff opvolgde, koos voor samenwerking met Friedrich Ebert om orde en terugkeer van de troepen te organiseren.

Ebert-Groenerpact

Het Ebert-Groenerpact verbond de legerleiding tijdelijk aan de nieuwe republikeinse regering. De OHL steunde Ebert tegen revolutionaire krachten, terwijl de regering de bestaande militaire commandostructuur voorlopig liet functioneren. Deze samenwerking had een praktische basis: miljoenen soldaten moesten uit bezette gebieden worden teruggehaald en gedemobiliseerd. Tegelijk bleef de verhouding tussen legerleiding en republiek gespannen, omdat veel officieren de politieke omwenteling niet als eindpunt van hun rol zagen.

Verplaatsing en opheffing

Na de wapenstilstand verhuisde de OHL van Spa naar Schloss Wilhelmshöhe bij Kassel. Daar hield de staf toezicht op de terugtocht uit bezette gebieden en op de afwikkeling van het veldleger. Vanaf februari 1919 verschoof het werk naar Kolberg, waar de oostgrens en de strijd rond de nieuwe Poolse Republiek aandacht kregen. Door het Verdrag van Versailles verloor de OHL haar bestaansgrond en werd zij in juli 1919 opgeheven.

Hindenburg trad op 25 juni 1919 terug uit zijn functie. Groener nam de leiding kort over, maar de institutionele afbouw was toen al ingezet. Op 3 juli 1919 werd de OHL formeel ontbonden, waarna de resterende Kommandostelle Kolberg nog korte tijd bleef bestaan. In september 1919 verdween ook deze commandopost bij de vorming van het overgangsleger.

Opperbevelhebbers van de Oberste Heeresleitung (OHL)

De volgende personen stonden volgens de gebruikelijke indeling aan het hoofd van de OHL of vervulden een plaatsvervangende functie binnen de hoogste legerleiding. De periodes tonen de continuïteit vanaf de vooroorlogse Generale Staf tot aan de opheffing na Versailles. Bij Ludendorff en Groener gaat het om plaatsvervangende functies, maar hun invloed op de dagelijkse besluitvorming was groot.

Nr. 1: Helmuth von Moltke de Jongere, Generaloberst, van 1 januari 1906 tot 14 september 1914.

Nr. 2: Erich von Falkenhayn, General der Infanterie, van 14 september 1914 tot 29 augustus 1916.

Nr. 3: Paul von Hindenburg, Generalfeldmarschall, van 29 augustus 1916 tot 3 juli 1919.

Nr. 3a: Erich Ludendorff, plaatsvervangend leider en General der Infanterie, van 29 augustus 1916 tot 26 oktober 1918.

Nr. 3b: Wilhelm Groener, plaatsvervangend leider en Generalleutnant, van 29 oktober 1918 tot 7 juli 1919.

Conclusie

De Oberste Heeresleitung ontwikkelde zich tijdens de Eerste Wereldoorlog van een militaire commandostaf tot een machtscentrum binnen het Duitse Keizerrijk. Moltke, Falkenhayn, Hindenburg, Ludendorff en Groener gaven ieder op eigen wijze vorm aan strategie, organisatie en politieke invloed. De OHL kon de militaire nederlaag echter niet voorkomen. Haar ontbinding in 1919 markeerde het einde van de keizerlijke legerleiding, terwijl haar nalatenschap doorwerkte in de vroege Weimarrepubliek.

Bronnen en meer informatie

  1. Foley, R. T. (2007) [2005]. German Strategy and the Path to Verdun: Erich von Falkenhayn and the Development of Attrition, 1870-1916. Cambridge: CUP. ISBN 978-0-521-04436-3.
  2. Gross, G. (2016). The Myth and Reality of German Warfare: Operational Thinking from Moltke the Elder to Heusinger. Lexington: University Press of Kentucky. ISBN 978-0-8131-6837-1.
  3. Haffner, Sebastian (2002). Die deutsche Revolution 1918/19. Kindler. ISBN 3-463-40423-0.
  4. Leonhard, Jörn (2014). Die Büchse der Pandora: Geschichte des Ersten Weltkriegs. München: C. H. Beck. ISBN 978-3-406-66191-4.
  5. Ehlert, H. G.; Epkenhans, M.; Gross, G. P. (eds.) (2014). The Schlieffen Plan: International Perspectives on the German Strategy for World War I. Lexington: University Press of Kentucky. ISBN 978-0-8131-4746-8.
  6. Falkenhayn, E. (2004) [1919]. Die Oberste Heeresleitung 1914-1916 in ihren wichtigsten Entschliessungen. Berlin: Mittler & Sohn. ISBN 978-1-84574-139-6.
  7. Kluge, Ulrich (1975). Soldatenräte und Revolution: Studien zur Militärpolitik in Deutschland 1918/19. Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht. ISBN 3-525-35965-9.
  8. Strenge, Irene (2007). Spa im Ersten Weltkrieg (1914-1918): Lazarett und Großes Hauptquartier. Deutsche Besatzungspolitik in Belgien. Würzburg: Königshausen & Neumann. ISBN 978-3-8260-3693-4.
  9. Rakenius, Gerhard W. (1977). Wilhelm Groener als Erster Generalquartiermeister: Die Politik der Obersten Heeresleitung 1918/19. Boppard am Rhein: Harald Boldt Verlag. ISBN 3-7646-1685-7.
  10. Stachelbeck, Christian (2013). Deutschlands Heer und Marine im Ersten Weltkrieg. München: Oldenbourg. ISBN 978-3-486-71299-5.
  11. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946