Jacob Harberts bij de Grebbeberg in 1940

Jacob Harberts (Den Haag, 10 juli 1883 – Rotterdam, 6 oktober 1971) was een Nederlandse generaal-majoor der artillerie. Tijdens de Duitse aanval op Nederland in mei 1940 voerde hij het bevel over het IIe Legerkorps bij de Grebbelinie. Zijn naam werd later vooral verbonden met de gevechten rond de Grebbeberg en de berechting en executie van sergeant Chris Meijer op 12 mei 1940.

Vroege leven en opleiding

Harberts groeide op in Den Haag en volgde daar de hogereburgerschool. Vervolgens koos hij voor een loopbaan als beroepsofficier en bezocht hij van 1898 tot 1900 de Cadettenschool in Alkmaar. Daarna studeerde hij van 1900 tot 1903 aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. In juli 1903 werd hij aangesteld als tweede luitenant der artillerie en begon zijn actieve loopbaan binnen de Nederlandse landmacht.

Zijn militaire vorming werd later voortgezet aan de Hogere Krijgsschool in ’s-Gravenhage. Harberts volgde daar onderwijs in 1913 en opnieuw in 1918. Deze opleiding bereidde officieren voor op stafwerk en hogere bevelsfuncties binnen de landmacht. Nederland bleef tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal en uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat Harberts in die periode aan gevechtshandelingen deelnam.

Interbellum: loopbaan binnen de legerleiding

Tijdens het interbellum ontwikkelde Harberts zich verder binnen de artillerie en de hogere bevelsstructuur van de Nederlandse landmacht. In november 1934 werd hij bevorderd tot kolonel en als sous-chef toegevoegd aan de Generale Staf. Daarmee kreeg hij een functie binnen het centrale militaire apparaat dat zich bezighield met onder meer organisatie, mobilisatie en operationele voorbereiding. Zijn eerdere ervaring bij de artillerie werd zo aangevuld met werkzaamheden op stafniveau.

In mei 1938 werd Harberts benoemd tot generaal-majoor en inspecteur der Artillerie. Als inspecteur behoorde hij tot de hogere leiding van een krijgsmachtonderdeel dat binnen de Nederlandse verdediging verantwoordelijk was voor vuursteun aan de infanterie en andere eenheden. Kort voor de Duitse aanval van mei 1940 volgde zijn benoeming tot commandant van het IIe Legerkorps. Daardoor kreeg hij verantwoordelijkheid over een groot legerverband binnen het Nederlandse Veldleger.

Het IIe Legerkorps bestond uit de 2e en 4e Divisie. Beide divisies maakten deel uit van de Nederlandse verdediging in het gebied van de Grebbelinie. De bevelvoering vereiste samenwerking tussen divisiecommandanten, korpsstaf en de commandant van het Veldleger. Deze verhouding kwam tijdens de gevechten van mei 1940 onder zware druk te staan door de snelle Duitse opmars, problemen met verbindingen en onvolledige informatie over de toestand aan het front.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog

Commandant van het IIe Legerkorps

Toen Duitsland Nederland op 10 mei 1940 aanviel, voerde Harberts het bevel over het IIe Legerkorps. Zijn troepen waren betrokken bij de verdediging van de Grebbelinie en de gevechten rond de Grebbeberg. De Duitse aanval leidde daar vanaf 11 mei tot steeds zwaardere gevechten tussen Nederlandse verdedigers en Duitse eenheden. Harberts moest vanuit zijn commandopost de inzet van twee divisies coördineren terwijl de verbindingen met onderdelen aan het front steeds moeilijker werden.

Het verloop van de strijd leverde de legerleiding uiteenlopende berichten op over terugtrekkende eenheden, verloren posities en Duitse infiltraties. Daardoor was het voor hogere commandanten moeilijk om een volledig beeld van de situatie te behouden. De verdediging rond de Grebbeberg bestond uit verschillende zones, waaronder de voorpostenstrook en de hoofdweerstand. Besluiten over versterkingen en tegenaanvallen moesten onder tijdsdruk en met beperkte informatie worden genomen.

Conflict over de tegenaanval

Op de derde oorlogsdag ontstond een meningsverschil tussen Harberts en luitenant-generaal Godfried van Voorst tot Voorst, commandant van het Veldleger. Het geschil betrof de voorbereiding van een tegenaanval tegen Duitse troepen die in het gebied van de Grebbeberg waren doorgedrongen. Van Voorst tot Voorst gaf kolonel Jacob Sebald Barbas, commandant van de 2e Divisie, rechtstreeks opdracht hiervoor een plan te maken. Barbas viel binnen de bevelsstructuur echter onder Harberts als korpscommandant.

Harberts maakte bezwaar tegen deze rechtstreekse opdracht en trok haar in. Hij was van mening dat de 4e Divisie onder kolonel A.M.M. van Loon, aangevuld met versterkingen, de tegenaanval moest uitvoeren. Vervolgens kreeg de staf van de 4e Divisie opdracht de operatie voor te bereiden en te leiden. Het geschil had daardoor zowel betrekking op de keuze van de eenheid voor de tegenaanval als op de bevelsverhoudingen binnen het IIe Legerkorps.

Het optreden van Harberts bij deze tegenaanval werd na de oorlog juridisch onderzocht. In 1949 moest hij zich voor het Hoog Militair Gerechtshof verantwoorden voor zijn ingreep in de bevelvoering. Het gerecht beoordeelde daarmee een beslissing die tijdens de gevechten van mei 1940 onder grote operationele druk was genomen. Harberts werd in deze zaak vrijgesproken.

De zaak van sergeant Chris Meijer

Tijdens de eerste oorlogsdagen ontving Harberts verschillende meldingen over Nederlandse militairen die zonder toestemming hun posities hadden verlaten. Hij beschouwde dergelijke terugtochten als een bedreiging voor de militaire tucht en de samenhang van de verdediging. Na het verlies van delen van de voorpostenstrook bij de Grebbeberg gaf hij opdracht gevallen te onderzoeken waarin mogelijk sprake was van desertie. Daarbij werden onder anderen vaandrig Tack en sergeant-capitulant Chris Meijer geselecteerd voor nader onderzoek.

Vaandrig Tack was commandant van een sectie zware mitrailleurs in de voorpostenstrook. Tijdens het onderzoek bleek dat zijn eenheid rechtstreeks met Duitse troepen in gevecht was geweest, waardoor rekening werd gehouden met de omstandigheden waaronder hij was teruggetrokken. De situatie van Meijer werd anders beoordeeld. Hij voerde het bevel over twee stukken pantserafweergeschut die in de hoofdweerstand waren opgesteld.

Meijer had zijn positie zonder opdracht verlaten en nam daarbij één stuk pantserafweergeschut en een deel van zijn manschappen mee. Het tweede stuk en de bijbehorende bezetting liet hij achter zonder hen over zijn vertrek te informeren. Ook stelde hij zijn commandant of een andere meerdere niet vooraf op de hoogte. Volgens de gegevens waarop de krijgsraad zich baseerde, was zijn eigen stelling op het moment van vertrek nog niet rechtstreeks door Duitse troepen aangevallen.

Meijer trok vervolgens met het meegenomen geschut en zijn manschappen ongeveer veertig kilometer westwaarts. Onderweg passeerde de groep verschillende Nederlandse posten zonder zich opnieuw bij een gevechtseenheid te voegen. Uiteindelijk hielden de militairen halt bij een café, waar zij de aandacht van een plaatselijke veldwachter trokken. In een latere beschrijving werd daartegenover gesteld dat Meijer de bedoeling zou hebben gehad om vanuit de Vesting Holland verder te strijden.

Krijgsraad te velde

Harberts liet Meijer voor een krijgsraad te velde brengen. De krijgsraad bestond uit majoor G. Geel als voorzitter, kapitein J. Greter en reserve-eerste luitenant H. Witte. Harberts maakte vooraf duidelijk dat hij een zware bestraffing noodzakelijk vond om ongeoorloofde terugtochten tegen te gaan. De voorzitter verklaarde in aanwezigheid van Harberts dat de leden van de krijgsraad zelfstandig over schuld en straf moesten beslissen.

De krijgsraad achtte Meijer schuldig aan de tegen hem ingebrachte feiten en veroordeelde hem tot de doodstraf. Daarbij woog mee dat hij zonder bevel zijn stelling had verlaten, personeel en materieel had meegenomen en het andere deel van zijn eenheid zonder leiding had achtergelaten. Ook zijn verplaatsing over een grote afstand werd bij de beoordeling betrokken. De berechting was de eerste zitting van een Nederlandse krijgsraad te velde sinds 1839.

Executie op 12 mei 1940

Het doodvonnis tegen Meijer werd op 12 mei 1940 uitgesproken en nog dezelfde dag uitgevoerd. De gebruikelijke periode van 48 uur tussen het vonnis en de uitvoering werd niet aangehouden. Harberts wilde dat de straf snel bekend zou worden bij de troepen om andere militairen ervan te weerhouden zonder bevel hun positie te verlaten. Meijer werd die middag op de schietbaan in Doorn door een vuurpeloton geëxecuteerd.

De executie vond plaats terwijl de strijd om de Grebbeberg verder verslechterde. Omstreeks 15.00 uur werd zwaar gevochten en waren verschillende verbindingen tussen commandoposten en frontonderdelen verbroken. Duitse troepen waren inmiddels de hoofdweerstand binnengedrongen en zetten hun aanval voort. Hierdoor bereikte het bericht over de executie veel Nederlandse militairen aan het front niet en kon het beoogde effect op de troepen niet worden bereikt.

Vervanging als korpscommandant

Op 13 mei verslechterde de militaire situatie rond de Grebbeberg verder. Harberts had gedurende drie dagen onder zware omstandigheden leidinggegeven aan het IIe Legerkorps en kon volgens Van Voorst tot Voorst zijn taak niet langer voldoende uitvoeren. De commandant van het Veldleger besloot hem daarom te vervangen. Kolonel Barbas nam vervolgens het bevel over het IIe Legerkorps over.

De vervanging vond plaats terwijl de strijd nog voortduurde en de Nederlandse verdediging onder toenemende druk stond. Harberts werd daarmee tijdens de operationele fase uit zijn bevelsfunctie gehaald. Generaal Henri Winkelman rehabiliteerde hem korte tijd later. De capitulatie van de Nederlandse strijdkrachten volgde op 15 mei 1940, terwijl de gevechten in Zeeland nog niet overal waren beëindigd.

Tijdens de Duitse bezetting verkeerde Harberts in Duitse krijgsgevangenschap. Na afloop van de oorlog keerde hij terug naar Nederland. Zijn actieve militaire loopbaan liep daarna ten einde, hoewel zijn optreden tijdens de meidagen van 1940 nog onderwerp werd van een gerechtelijke procedure en later van een brede maatschappelijke discussie.

Na de oorlog

Harberts werd in 1947 eervol uit militaire dienst ontslagen in de rang van generaal-majoor. Daarna vestigde hij zich in Wassenaar. Twee jaar later volgde de behandeling van zijn optreden tijdens de gevechten van mei 1940 door het Hoog Militair Gerechtshof. De procedure had betrekking op zijn ingreep in de voorbereiding van de tegenaanval bij de Grebbeberg en eindigde met zijn vrijspraak.

De zaak rond sergeant Meijer kreeg in 1970 opnieuw veel publieke aandacht. Lou de Jong behandelde de gebeurtenissen in deel 3, Mei ’40, van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Daarnaast verscheen De zaak van sergeant Meijer van J.F.A. Boer. Hierdoor werd de executie dertig jaar na de Duitse aanval opnieuw onderwerp van maatschappelijke discussie, waarbij vooral de rol van Harberts bij de berechting en zijn opvattingen over militaire tucht werden besproken.

Op 28 april 1970 verscheen Harberts in AVRO’s Televizier, waar Jaap van Meekren en Ria Bremer hem naar de gebeurtenissen van mei 1940 vroegen. Harberts verdedigde zijn toenmalige handelwijze en verklaarde dat hij tijdens de strijd veel meldingen had ontvangen over vluchtende militairen, witte vlaggen en oproepen tot overgave. Ook bleef hij achter zijn optreden tegenover de krijgsraad staan. Zijn uitspraken leidden tot sterke reacties van voormalige militairen die aan de Grebbeberg hadden gevochten.

Diezelfde avond verzamelden boze oud-militairen zich bij zijn woning. Harberts vertrok de volgende dag naar Engeland. Op 4 mei 1970 kwamen bovendien duizenden voormalige Grebbestrijders naar Dieren voor de Dodenherdenking. Bij het graf van sergeant Meijer stond tijdens deze bijeenkomst een erewacht opgesteld.

De discussie bereikte eveneens de Tweede Kamer. PvdA-Kamerlid Arie Lems stelde vragen over de executie van Meijer en de procedure die aan het doodvonnis voorafging. Minister van Defensie Willem den Toom en minister van Justitie Carel Polak antwoordden dat verschillende voormalige functionarissen van de krijgsraad later hadden verklaard dat zij zich door de woorden van Harberts niet beïnvloed hadden gevoeld.

Jacob Harberts overleed op 6 oktober 1971 in Rotterdam. Hij was 88 jaar oud. Zijn militaire loopbaan omvatte functies binnen de artillerie, de Generale Staf en het hogere legercommando. Zijn naam bleef vooral verbonden met het bevel over het IIe Legerkorps tijdens de Duitse aanval van mei 1940 en met de zaak van sergeant Chris Meijer.

Militaire Rangen

Harberts begon zijn officiersloopbaan in juli 1903 als tweede luitenant der artillerie. Hij doorliep vervolgens een beroepsmilitaire loopbaan binnen de Nederlandse landmacht en werd in november 1934 bevorderd tot kolonel. In die rang werd hij als sous-chef toegevoegd aan de Generale Staf. Daarmee maakte hij de overstap naar de hogere legerleiding.

In mei 1938 volgde zijn bevordering tot generaal-majoor. In deze rang werd Harberts inspecteur der Artillerie en later commandant van het IIe Legerkorps. Hij behield de rang van generaal-majoor gedurende de meidagen van 1940 en in de daaropvolgende jaren. Bij zijn eervolle ontslag uit militaire dienst in 1947 verliet hij de landmacht als generaal-majoor.

Conclusie

Jacob Harberts was een Nederlandse artillerieofficier die via functies binnen de Generale Staf en het inspecteurschap van de artillerie opklom tot commandant van het IIe Legerkorps. Tijdens de Duitse aanval van mei 1940 voerde hij het bevel over troepen die betrokken waren bij de strijd rond de Grebbeberg. Zijn bevelvoering vond plaats onder omstandigheden waarin verbindingen uitvielen, eenheden zich verplaatsten en hogere commandanten met onvolledige informatie moesten werken. Op 13 mei werd hij als korpscommandant vervangen.

De berechting en executie van sergeant Chris Meijer vormden het meest besproken onderdeel van zijn optreden in mei 1940. Harberts wilde met een snelle bestraffing voorkomen dat militairen zonder opdracht hun posities verlieten, terwijl de krijgsraad formeel zelfstandig over het vonnis besliste. De zaak kreeg in 1970 opnieuw landelijke aandacht en leidde tot Kamervragen en reacties van voormalige Grebbestrijders. Harberts overleed op 6 oktober 1971.

Bronnen en meer informatie

  1. Amersfoort, Herman; Kamphuis, Piet, red. (2012). Mei 1940: De strijd op Nederlands grondgebied. Amsterdam: Boom. ISBN 978-94-6105-702-0.
  2. Jong, L. de (1970). Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 3: Mei ’40. ’s-Gravenhage: Staatsuitgeverij. ISBN 978-90-12-01638-4.
  3. Brongers, E.H. (2002). Grebbelinie 1940. Soesterberg: Uitgeverij Aspekt. ISBN 978-90-5911-083-0.
  4. Minjon, S. (2015). Slag om de Grebbeberg: Strijd om Wageningen en Rhenen in mei 1940. Utrecht: Matrijs. ISBN 978-90-5345-489-3.
  5. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946