Otto Hahn en de ontdekking van kernsplijting

Otto Hahn was een Duitse chemicus die radiochemie en kernchemie in de twintigste eeuw vormgaf door onderzoek naar radioactieve isotopen, radioactieve terugstoot, nucleaire isomerie en kernsplijting. Zijn werk met Lise Meitner en Fritz Strassmann leidde in 1938 tot het aantonen van kernsplijting, waarvoor Hahn de Nobelprijs voor Scheikunde over 1944 kreeg.

Vroege leven en opleiding

Otto Hahn werd geboren op 8 maart 1879 in Frankfurt am Main. Hij was de jongste zoon van Heinrich Hahn, een glazeniersondernemer, en Charlotte Hahn, geboren Giese. Het gezin woonde boven de werkplaats van zijn vader. Hahn volgde onderwijs aan de Klinger Oberrealschule in Frankfurt en ontwikkelde als tiener belangstelling voor chemie. Zijn vader zag liever dat hij architect werd, maar Hahn koos voor een opleiding tot industrieel chemicus.

In 1897 begon Hahn aan de studie scheikunde aan de Universiteit van Marburg. Hij volgde daarnaast vakken als wiskunde, natuurkunde, mineralogie en filosofie. Tijdens enkele semesters aan de Universiteit van München kreeg hij onderwijs in organische, fysische en anorganische chemie. In 1901 promoveerde hij in Marburg op een proefschrift over broomderivaten van isoeugenol. Daarna vervulde hij een eenjarige militaire dienst en werkte hij als assistent van Theodor Zincke.

Hahn wilde aanvankelijk in de chemische industrie werken, maar buitenlandervaring was daarvoor nuttig. In 1904 ging hij naar University College London, waar hij werkte onder William Ramsay. Daar begon hij met radiochemie en ontdekte hij radiothorium, later herkend als thorium-228. Vervolgens werkte hij bij Ernest Rutherford aan McGill University in Montreal. In Canada onderzocht hij radioactieve reeksen en identificeerde hij onder meer radioactinium en radium D.

In 1906 keerde Hahn terug naar Duitsland en kreeg hij laboratoriumruimte aan het Chemisch Instituut van de Universiteit van Berlijn. Hij behaalde in 1907 zijn habilitatie en werd Privatdozent. In dezelfde periode ontmoette hij Lise Meitner, met wie hij tientallen jaren samenwerkte. Hun samenwerking bracht onderzoek voort naar radioactieve terugstoot, protactinium en later uraniumsplijting. In 1912 werd Hahn hoofd van de afdeling radioactiviteit van het Kaiser Wilhelm-Institut für Chemie in Berlijn-Dahlem.

Hahn bouwde zijn Berlijnse onderzoek uit met eenvoudige meetapparatuur en kleine hoeveelheden radioactieve stoffen. Hij ontdekte mesothorium I en mesothorium II, later verbonden met radium-228 en actinium-228. Mesothorium I kreeg toepassing in medische bestraling omdat het in bepaalde toepassingen radium kon vervangen. Na de verhuizing naar het Kaiser Wilhelm-Institut werkten Hahn en Meitner met strikte laboratoriumregels, omdat oude werkruimten door radioactieve resten vervuild waren geraakt.

Hahn trouwde op 22 maart 1913 met Edith Junghans, die hij in 1911 tijdens een conferentie in Stettin had ontmoet. Hun zoon Hanno werd in 1922 geboren en werd later kunsthistoricus en architectuuronderzoeker. Deze gezinsgeschiedenis liep naast een loopbaan die grotendeels werd bepaald door laboratoriumwerk, academische functies en onderzoek naar radioactieve stoffen.

Deelname aan de Eerste Wereldoorlog

Hahn werd in juli 1914 opnieuw opgeroepen voor militaire dienst in een Landwehr-regiment. Hij diende aan het westfront en leidde een peloton dat met buitgemaakte mitrailleurs werd uitgerust. Voor zijn aandeel in de Eerste Slag bij Ieper kreeg hij het IJzeren Kruis tweede klasse. Later werd hij benoemd tot luitenant. Zijn wetenschappelijke achtergrond bracht hem vervolgens in contact met Fritz Haber, die werkte aan militaire inzet van chloorgas.

Vanaf 1915 was Hahn verbonden aan een eenheid voor chemische oorlogvoering. Hij verkende met onder anderen James Franck en Gustav Hertz plaatsen voor gasaanvallen in Vlaanderen. Bij Bolimów werd een mengsel van chloor en fosgeen ingezet. Daarna volgden opdrachten aan het oostfront, het westfront en het Italiaanse front. Hahn was ook betrokken bij voorbereidingen rond fosgeengranaten en gasaanvallen bij de Isonzo, voorafgaand aan de Slag bij Caporetto.

Tussen militaire opdrachten door bleef Hahn in Berlijn onderzoek doen met Meitner. Dat gebeurde in een periode waarin veel studenten, technici en laboratoriumassistenten waren opgeroepen. Ondanks beperkte middelen werkten zij verder aan de zoektocht naar de moederstof van actinium. Hahn werd in de zomer van 1917 zelf door fosgeen vergiftigd tijdens een proef met een gasmasker. Aan het einde van de oorlog verrichtte hij nog veldwerk rond arseenverbindingen.

Interbellum: radiochemie en kernsplijting

Na 1918 keerde Hahn terug naar zijn onderzoek aan het Kaiser Wilhelm-Institut für Chemie. Samen met Meitner werkte hij aan de identificatie van protactinium, het element met atoomnummer 91. In 1918 werd de langlevende isotoop van dit element beschreven. De naam protactinium werd later internationaal bevestigd. Deze ontdekking sloot aan bij de toenmalige ordening van radioactieve vervalreeksen en gaf een ontbrekende plaats in het periodiek systeem een experimentele basis.

In de jaren na de oorlog onderzocht Hahn afwijkingen in uraniumverval en ontdekte hij uranium Z. Dit werd later herkend als een vroeg voorbeeld van nucleaire isomerie: dezelfde kernsamenstelling kon in verschillende energietoestanden voorkomen. De betekenis daarvan werd pas later volledig theoretisch uitgewerkt. Hahn ontwikkelde daarnaast methoden binnen de toegepaste radiochemie, waarbij kleine hoeveelheden radioactieve stoffen werden gebruikt om chemische processen te volgen.

Hahns colleges aan Cornell University werden in 1936 gepubliceerd als Applied Radiochemistry. Het boek gaf regels en voorbeelden voor het werken met zeer kleine hoeveelheden radioactief materiaal in chemische oplossingen. Amerikaanse, Britse, Franse en Sovjetonderzoekers gebruikten zulke methoden bij kernchemisch onderzoek in de jaren dertig en veertig. Daarmee sloot Hahns laboratoriumtechniek aan bij een nieuw onderzoeksgebied waarin scheikunde en kernfysica elkaar raakten.

Hahn kreeg in 1924 volledig lidmaatschap van de Pruisische Academie van Wetenschappen. In 1928 werd hij directeur van het Kaiser Wilhelm-Institut für Chemie, terwijl Meitner de fysische afdeling leidde en Hahn de chemische afdeling. In deze periode werd Fritz Strassmann een naaste medewerker. Strassmann weigerde zich te voegen naar nationaalsocialistische organisaties, waardoor een academische loopbaan buiten het instituut moeilijk werd. Meitner overtuigde Hahn om hem als assistent aan te nemen.

Hahn werkte ook aan methoden voor geologische datering. Samen met Strassmann en Ernst Walling onderzocht hij strontium-87 dat ontstond uit rubidium-87 in mineraalmonsters uit Canada. Dit onderzoek droeg bij aan rubidium-strontiumdatering, een methode die later breder werd gebruikt toen massaspectrometrie beschikbaar kwam. Het werk liet zien dat radioactief verval niet alleen voor kernchemie, maar ook voor aardwetenschappelijke ouderdomsbepaling bruikbaar was.

Na de machtsovername door de NSDAP in 1933 veranderde het wetenschappelijke klimaat in Duitsland. Hahn sprak dat jaar in een Noord-Amerikaans kranteninterview gunstig over Hitler, maar werd geen partijlid. Later verzette hij zich tegen de vervolging van Joodse collega’s, terwijl zijn houding ook kritisch is beoordeeld omdat hij binnen het Duitse onderzoeksstelsel bleef werken. Meitner verloor na de annexatie van Oostenrijk in 1938 haar bescherming als Oostenrijks staatsburger en vluchtte naar Zweden.

Tussen 1934 en 1938 onderzochten Hahn, Meitner en Strassmann de producten die ontstonden wanneer uranium en thorium met neutronen werden bestraald. Aanvankelijk werden verschillende resultaten geïnterpreteerd als aanwijzingen voor transurane elementen. In december 1938 toonden Hahn en Strassmann chemisch aan dat bij bestraling van uranium barium ontstond. Meitner en Otto Frisch gaven kort daarna de fysische verklaring: de uraniumkern was gesplitst. De term kernsplijting werd daarna gangbaar.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte Hahn binnen het Duitse uraniumproject. Hij onderzocht met medewerkers de splijtingsproducten van uranium en legde een groot aantal isotopen vast. Ook werd gekeken naar scheidingsmethoden en naar de chemie van element 93. Hahn was chemicus binnen een onderzoeksveld waarin natuurkundigen, militaire instanties en industrie elkaar raakten. Het project leverde geen operationeel kernwapen op.

Het Kaiser Wilhelm-Institut für Chemie werd in februari 1944 door een bombardement getroffen. Hahn verloor daarbij zijn kantoor, correspondentie en persoonlijke bezittingen. De werkzaamheden in Berlijn werden daarna afgebouwd. Onder leiding van Albert Speer werd het instituut verplaatst naar Tailfingen in Zuid-Duitsland. Hahn en zijn gezin gingen daar wonen in het huis van een textielfabrikant, terwijl het onderzoek onder moeilijke omstandigheden werd voortgezet.

Hahn probeerde tijdens de oorlog enkele personen met bedreigde familieomstandigheden te beschermen via werk binnen het instituut. Daarbij ging het onder meer om wetenschappers of medewerkers met Joodse echtgenotes, voor wie verplichte arbeid of deportatie dreigde. Niet al deze pogingen hadden resultaat. Deze episodes tonen dat zijn positie binnen het Duitse systeem ruimte bood voor beperkte tussenkomst, maar niet voor controle over het vervolgingsbeleid.

In april 1945 werd Hahn door de geallieerde Alsos-missie aangehouden. Hij gaf rapporten over uraniumonderzoek af en werd samen met andere Duitse wetenschappers naar verschillende locaties gebracht. Vanaf juli 1945 verbleef hij in Farm Hall in Engeland, waar gesprekken heimelijk werden opgenomen. Daar hoorde de groep over de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. De detentie duurde tot januari 1946, waarna Hahn naar Duitsland terugkeerde.

Na de oorlog

Hahn hoorde tijdens zijn detentie dat hij de Nobelprijs voor Scheikunde over 1944 had gekregen. De prijs werd toegekend voor de ontdekking van de splijting van zware atoomkernen. Omdat hij in Farm Hall verbleef, kon hij de ceremonie van 1945 niet bijwonen. In december 1946 ontving hij de prijs alsnog in Stockholm. Strassmann en Meitner deelden de Nobelprijs niet, wat later vaak is besproken in de wetenschapsgeschiedenis.

Na zijn terugkeer werd Hahn betrokken bij de wederopbouw van de Duitse wetenschap. Hij werd de laatste voorzitter van de Kaiser Wilhelm-Gesellschaft en daarna de eerste voorzitter van de Max Planck Society. Die instelling nam de taak over van meerdere voormalige Kaiser Wilhelm-instituten in de Britse en Amerikaanse bezettingszones. Hahn bleef voorzitter tot 1960. Onder zijn bestuur werden instituten heropgebouwd, uitgebreid of opnieuw ingericht.

De naamsverandering van Kaiser Wilhelm-Gesellschaft naar Max Planck Society lag gevoelig binnen de Duitse wetenschap. Hahn hechtte aan de oude wetenschappelijke traditie, terwijl anderen de naam verbonden met een belaste politieke erfenis. Uiteindelijk werd de nieuwe maatschappij in 1948 gevestigd als opvolger van de oude structuur. Daarmee kreeg de Bondsrepubliek een onderzoeksorganisatie die afstand nam van de keizerlijke naam en tegelijk veel instituten voortzette.

Hahn sprak na 1945 herhaaldelijk tegen militair gebruik van kernenergie. Hij werkte mee aan verklaringen waarin wetenschappers waarschuwden tegen kernwapens en tegen radioactieve besmetting. In 1955 stond hij aan de basis van de Mainau-verklaring, en in 1957 ondertekende hij met andere Duitse atoomwetenschappers het Göttinger Manifest tegen nucleaire bewapening van de Bundeswehr. In 1959 hielp hij bij de oprichting van de Vereinigung Deutscher Wissenschaftler.

In zijn latere jaren publiceerde Hahn herinneringen aan zijn onderzoek, waaronder werk over radiothorium en uraniumsplijting. Hij raakte in 1951 gewond door een schot van een ontevreden uitvinder, kreeg in 1952 een auto-ongeluk en in 1953 een lichte hartaanval. Zijn zoon Hanno en diens vrouw kwamen in 1960 om bij een verkeersongeval. Otto Hahn overleed op 28 juli 1968 in Göttingen en werd daar begraven.

Militaire Rangen

Hahns militaire loopbaan begon met een eenjarige diensttijd bij het 81e Infanterieregiment na zijn promotie in 1901. Hij vroeg toen geen officiersaanstelling aan. Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog werd hij als reservist opnieuw ingedeeld bij de Landwehr. In die functie leidde hij een peloton aan het westfront en werd hij betrokken bij veldtaken die aansloten bij zijn chemische deskundigheid.

Tijdens de oorlog werd Hahn tot luitenant benoemd. Zijn werkzaamheden vielen daarna deels binnen reguliere militaire bevelslijnen en deels binnen gespecialiseerde chemische eenheden onder Fritz Haber. Hij trad niet op als beroepsmilitair in vredestijd, maar als wetenschapper die tijdens de oorlog militaire taken kreeg. Zijn bekende rang uit de oorlog was luitenant.

Onderscheidingen

Hahn ontving tijdens de Eerste Wereldoorlog het IJzeren Kruis tweede klasse. Zijn wetenschappelijke erkenning bestond onder meer uit de Nobelprijs voor Scheikunde over 1944, de Max Planck-medaille samen met Lise Meitner, de Faraday Lectureship Prize en de Enrico Fermi Award, die in 1966 aan Hahn, Meitner en Strassmann werd toegekend. Ook kreeg hij meerdere eredoctoraten en academische lidmaatschappen.

Daarnaast werd Hahn onderscheiden met onder meer de Goethe-medaille van Frankfurt am Main, de Harnack-medaille van de Max Planck Society, de Grote Kruis Eerste Klasse van de Orde van Verdienste van de Bondsrepubliek Duitsland en een Franse onderscheiding in het Legioen van Eer. Zijn naam werd verbonden aan prijzen, instituten, een maankrater, een asteroïde en wetenschappelijke onderscheidingen.

Conclusie

Otto Hahn combineerde een lange loopbaan in de radiochemie met directe betrokkenheid bij twee wereldoorlogen en bij de wederopbouw van Duitse wetenschap na 1945. Zijn onderzoek naar radioactieve stoffen, protactinium, nucleaire isomerie en kernsplijting had blijvende betekenis voor kernchemie en kernfysica. Zijn werk tijdens het Duitse uraniumproject en zijn latere waarschuwingen tegen kernwapens maken zijn biografie ook onderdeel van de geschiedenis van wetenschappelijke verantwoordelijkheid.

Bronnen en meer informatie

  1. Basch, […] / Opdracht AnefoCC BY-SA 3.0 NL, via Wikimedia Commons
  2. Hahn, Otto (1905). A New Radio-active Element, Which Evolves Thorium Emanation. Preliminary Communication. Proceedings of the Royal Society of London. Series A, 76(508), 115–117. DOI 10.1098/rspa.1905.0009. ISSN 0080-4630.
  3. Nobel Prize for Chemistry for 1944: Prof. Otto Hahn (1945). Nature, 156(3970), 657. DOI 10.1038/156657b0. ISSN 0028-0836.
  4. Van der Kloot, W. (2004). April 1918: Five Future Nobel Prize-winners Inaugurate Weapons of Mass Destruction and the Academic-industrial-military Complex. Notes and Records of the Royal Society of London, 58(2), 149–160. DOI 10.1098/rsnr.2004.0053. ISSN 0035-9149. S2CID 145243958.
  5. Sime, Ruth Lewin (1986). The Discovery of Protactinium. Journal of Chemical Education, 63(8), 653–657. DOI 10.1021/ed063p653. ISSN 0021-9584.
  6. Meitner, Lise (1918). Die Muttersubstanz des Actiniums, Ein Neues Radioaktives Element von Langer Lebensdauer. Zeitschrift für Elektrochemie und Angewandte Physikalische Chemie, 24(11–12), 169–173. DOI 10.1002/bbpc.19180241107. ISSN 0372-8323. S2CID 94448132.
  7. Fajans, Kasimir; Morris, Donald F. C. (1973). Discovery and Naming of the Isotopes of Element 91. Nature, 244(5412), 137–138. DOI 10.1038/244137a0. ISSN 0028-0836. S2CID 4224336.
  8. Hahn, Otto (1921). Über ein neues radioaktives Zerfallsprodukt im Uran. Die Naturwissenschaften, 9(5), 84. DOI 10.1007/BF01491321. ISSN 0028-1042. S2CID 28599831.
  9. Hahn, Otto (1923). Uber das Uran Z und seine Muttersubstanz. Zeitschrift für Physikalische Chemie, 103(1), 461–480. DOI 10.1515/zpch-1922-10325. ISSN 0942-9352. S2CID 99021215.
  10. Hahn, Otto; Strassmann, Fritz; Walling, Ernst (1937). Herstellung wägbaren Mengen des Strontiumisotops 87 als Umwandlungsprodukt des Rubidiums aus einem kanadischen Glimmer. Naturwissenschaften, 25(12), 189. DOI 10.1007/BF01492269. ISSN 0028-1042.
  11. Hahn, Otto; Walling, Ernst (1938). Über die Möglichkeit geologischer Alterbestimmung rubidiumhaltiger Mineralen und Gesteine. Zeitschrift für anorganische und allgemeine Chemie, 236(1), 78–82. DOI 10.1002/zaac.19382360109. ISSN 0044-2313.
  12. Meitner, Lise; Hahn, Otto; Strassmann, Fritz (1937). Über die Umwandlungsreihen des Urans, die durch Neutronenbestrahlung erzeugt werden. Zeitschrift für Physik, 106(3–4), 249–270. DOI 10.1007/BF01340321. ISSN 0939-7922. S2CID 122830315.
  13. Hahn, Otto; Meitner, Lise; Strassmann, Fritz (1937). Über die Trans-Urane und ihr chemisches Verhalten. Berichte der Deutschen Chemischen Gesellschaft, 70(6), 1374–1392. DOI 10.1002/cber.19370700634. ISSN 0365-9496.
  14. Hahn, Otto; Strassmann, Fritz (1939). Über den Nachweis und das Verhalten der bei der Bestrahlung des Urans mittels Neutronen entstehenden Erdalkalimetalle. Die Naturwissenschaften, 27(1), 11–15. DOI 10.1007/BF01488241. ISSN 0028-1042. S2CID 5920336.
  15. Meitner, Lise; Frisch, Otto R. (1939). Disintegration of Uranium by Neutrons: A New Type of Nuclear Reaction. Nature, 143(3615), 239. DOI 10.1038/143239a0. ISSN 0028-0836. S2CID 4113262.
  16. Frisch, Otto R. (1939). Physical Evidence for the Division of Heavy Nuclei Under Neutron Bombardment. Nature, 143(3616), 276. DOI 10.1038/143276a0. ISSN 0028-0836. S2CID 4076376.
  17. Hahn, Otto; Strassmann, Fritz (1939). Nachweis der Entstehung aktiver Bariumisotope aus Uran und Thorium durch Neutronenbestrahlung; Nachweis weiterer aktiver Bruchstücke bei der Uranspaltung. Naturwissenschaften, 27(6), 89–95. DOI 10.1007/BF01488988. ISSN 0028-1042. S2CID 33512939.
  18. Von Halban, H.; Joliot, F.; Kowarski, L. (1939). Number of Neutrons Liberated in the Nuclear Fission of Uranium. Nature, 143(3625), 680. DOI 10.1038/143680a0. ISSN 0028-0836. S2CID 4089039.
  19. Badash, Lawrence (1983). Otto Hahn, Science, and Social Responsibility. In Shea, William R. (ed.). Otto Hahn and the Rise of Nuclear Physics. Dordrecht: D. Reidel Publishing Company. ISBN 90-277-1584-X.
  20. Berninger, Ernst (1983). The Discovery of Uranium Z by Otto Hahn: The First Example of Nuclear Isomerism. In Shea, William R. (ed.). Otto Hahn and the Rise of Nuclear Physics. Dordrecht: D. Reidel Publishing Company. ISBN 90-277-1584-X.
  21. Bernstein, Jeremy (2001). Hitler’s Uranium Club: The Secret Recordings at Farm Hall. New York: Springer-Verlag. ISBN 978-0-387-95089-1.
  22. Bowen, Robert (1994). Isotopes in the Earth Sciences. London: Chapman and Hall. ISBN 978-0-412-53710-3.
  23. Crawford, Elisabeth; Sime, Ruth Lewin; Walker, Mark (1997). A Nobel Tale of Postwar Injustice. Physics Today, 50(9), 26–32. DOI 10.1063/1.881933. ISSN 0031-9228.
  24. Crawford, Elisabeth (2000). German Scientists and Hitler’s Vendetta Against the Nobel Prizes. Historical Studies in the Physical and Biological Sciences, 31(1), 37–53. DOI 10.2307/27757845. ISSN 0890-9997. JSTOR 27757845.
  25. Feather, Norman; Bretscher, E.; Appleton, Edward Victor (1938). Uranium Z and the problem of nuclear isomerism. Proceedings of the Royal Society A, 165(923), 530–551. DOI 10.1098/rspa.1938.0075. ISSN 1364-5021.
  26. Fergusson, Jack E. (2011). The History of the Discovery of Nuclear Fission. Foundations of Chemistry, 13(2), 145–166. DOI 10.1007/s10698-011-9112-2. ISSN 1386-4238. S2CID 93361285.
  27. Frisch, Otto (1979). What Little I Remember. Cambridge: Cambridge University Press. ISBN 0-521-40583-1.
  28. Gerlach, Walther; Hahn, Dietrich (1984). Otto Hahn – Ein Forscherleben unserer Zeit. Stuttgart: Wissenschaftliche Verlagsgesellschaft. ISBN 978-3-8047-0757-3.
  29. Hahn, Dietrich, ed. (1988). Otto Hahn – Leben und Werk in Texten und Bildern. Frankfurt am Main: Suhrkamp-Insel Publishers. ISBN 3-458-32789-4.
  30. Hoffmann, Klaus (2001). Otto Hahn: Achievement and Responsibility. New York: Springer. ISBN 0-387-95057-5.
  31. Hughes, Jeff (2009). Making Isotopes Matter: Francis Aston and the Mass-Spectrograph. Dynamis, 29, 131–165. DOI 10.4321/S0211-95362009000100007. ISSN 0211-9536.
  32. Macrakis, Kristie (1993). Surviving the Swastika: Scientific Research in Nazi Germany. New York: Oxford University Press. ISBN 978-0-19-507010-1.
  33. Norris, Robert S. (2002). Racing for the Bomb: General Leslie R. Groves, the Manhattan Project’s Indispensable Man. South Royalton: Steerforth Press. ISBN 1-58642-039-9.
  34. Rhodes, Richard (1986). The Making of the Atomic Bomb. New York: Simon and Schuster. ISBN 0-671-65719-4.
  35. Sime, Ruth Lewin (1996). Lise Meitner: A Life in Physics. Berkeley: University of California Press. ISBN 978-0-520-08906-8.
  36. Sime, Ruth Lewin (2006). The Politics of Memory: Otto Hahn and the Third Reich. Physics in Perspective, 8(1), 3–51. DOI 10.1007/s00016-004-0248-5. ISSN 1422-6944. S2CID 119479637.
  37. Sime, Ruth Lewin (2010). An Inconvenient History: The Nuclear-Fission Display in the Deutsches Museum. Physics in Perspective, 12(2), 190–218. DOI 10.1007/s00016-009-0013-x. ISSN 1422-6944. S2CID 120584702.
  38. Spence, Robert (1970). Otto Hahn 1879–1968. Biographical Memoirs of Fellows of the Royal Society, 16, 279–313. DOI 10.1098/rsbm.1970.0010.
  39. Stolz, Werner (1989). Die Arbeitsgemeinschaft Hahn – Meitner. Otto Hahn/Lise Meitner. Berlin: Vieweg+Teubner Verlag. DOI 10.1007/978-3-322-82223-9_3. ISBN 978-3-322-00685-1.
  40. Walker, Mark (1993). German National Socialism and the Quest for Nuclear Power. Cambridge: Cambridge University Press. ISBN 0-521-36413-2.
  41. Walker, Mark (2006). Otto Hahn: Responsibility and Repression. Physics in Perspective, 8(2), 116–163. DOI 10.1007/s00016-006-0277-3. ISSN 1422-6944. S2CID 120992662.
  42. Beyerchen, Alan D. (1977). Scientists under Hitler. New Haven and London: Yale University Press. ISBN 9780300018301.
  43. Whiting, Jim (2004). Otto Hahn and the Discovery of Nuclear Fission. Bear, Delaware: Mitchell Lane. ISBN 978-1-58415-204-0.
  44. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.
Previous articleHugo von Freytag-Loringhoven en de Eerste Wereldoorlog
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in geschiedenis, militaire geschiedenis en de Tweede Wereldoorlog. Sommige redacteuren hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring, operationeel inzicht en kennis van commandostructuren mee. Andere redacteuren houden zich bezig met historisch onderzoek, educatieve content en kennisprojecten. Door deze combinatie van achtergronden ontstaan goed gedocumenteerde artikelen waarin feitelijke nauwkeurigheid, bronnenkritiek, context en analyse centraal staan. De redactie streeft naar objectieve en zorgvuldig onderbouwde publicaties die bijdragen aan een beter begrip van deze belangrijke periode in de geschiedenis.