Home Slagen, Veldtochten, Zeeslagen en Operaties Rijksverdediging Duitsland 1939-1945 (luchtverdediging)

Rijksverdediging Duitsland 1939-1945 (luchtverdediging)

Kleurenpotloodillustratie van de Defence of the Reich met Flak 88, B-17-bommenwerpers, P-51-jagers en Duitse luchtverdediging.
Kleurenpotloodillustratie van de Defence of the Reich met een Flak 88 op een Flakturm tijdens een geallieerde luchtaanval.

De Rijksverdediging (Defence of the Reich) was de Duitse luchtverdedigingscampagne tegen de geallieerde strategische bombardementen van 1939 tot mei 1945. De Luftwaffe probeerde steden, industrie, militaire installaties en burgers te beschermen tegen aanvallen van RAF Bomber Command en de United States Army Air Forces. De strijd begon met beperkte aanvallen en groeide uit tot een langdurige luchtoorlog boven Duitsland en bezet Europa.

Militaire en Politieke Situatie

De Rijksverdediging vond plaats binnen de Tweede Wereldoorlog, toen Duitsland steeds meer werd aangevallen vanuit de lucht. In de eerste oorlogsjaren lag het Duitse zwaartepunt bij offensieve operaties in Europa, Noord-Afrika en later de Sovjet-Unie. Daardoor kreeg de verdediging van het Duitse luchtruim aanvankelijk minder aandacht dan de aanvalskracht aan het front. De Luftwaffe had wel jagers, radar, zoeklichten en luchtafweergeschut, maar de samenhang tussen deze onderdelen was in 1939 en 1940 nog beperkt.

Politiek lag de verantwoordelijkheid bij de leiding van Nazi-Duitsland, met Adolf Hitler en Hermann Göring als beslissende machthebbers. Hitler hechtte veel waarde aan luchtafweergeschut, omdat dit zichtbaar bescherming bood aan de bevolking. Toch kon artillerie alleen de luchtoorlog niet beslissen. De geallieerden breidden hun bommenwerpervloten uit, verbeterden navigatie en voegden vanaf 1944 escortejagers met groot bereik toe. Hierdoor verschoof het luchtoverwicht geleidelijk naar de geallieerde luchtmachten.

Locatie

De campagne speelde zich af boven Duitsland, bezet West-Europa en delen van Midden-Europa. Belangrijke gebieden waren het Ruhrgebied, Berlijn, Hamburg, Keulen, Bremen, Kassel, Schweinfurt, Regensburg en de olie- en brandstofcentra bij Merseburg-Leuna en Pölitz. Ook de Nederlandse, Belgische, Franse en Deense luchtruimen maakten deel uit van de Duitse verdedigingszones.

De strijd was geen veldslag op één vaste plaats. Bommenwerpers vlogen vanaf Britse bases of later ook vanuit Italië naar industriële centra, spoorwegknooppunten, olieraffinaderijen en vliegtuigfabrieken. De Duitse verdediging lag daarom verspreid over vliegvelden, radarposten, zoeklichtzones, luchtafweerstellingen en commandocentra. Vanaf 1944 werd ook Roemenië belangrijk, vooral door de oliegebieden bij Ploiești.

Militaire Leiders

Aan Duitse kant hadden Adolf Hitler en Hermann Göring grote invloed op de prioriteiten van de luchtverdediging. Hans Jeschonnek, chef van de Luftwaffe-staf, verdedigde aanvankelijk een strategie waarbij jagers aan de randen van bezet gebied werden ingezet. Josef Kammhuber ontwikkelde de nachtverdediging met radar, zoeklichten en nachtjagers. Adolf Galland, als General der Jagdflieger, wees later op het tekort aan goed getrainde jachtvliegers en moderne toestellen.

Ook Erhard Milch en Albert Speer waren van belang voor productie en bewapening. Milch hield zich bezig met vliegtuigproductie, terwijl Speer als minister van Bewapening moest reageren op de schade aan fabrieken, transport en brandstofvoorziening. Aan geallieerde kant waren Arthur Harris van RAF Bomber Command, Ira Eaker, Carl Spaatz en James Doolittle van de Amerikaanse luchtmacht bepalend voor de uitvoering. Doolittle gaf Amerikaanse jagers meer vrijheid om Duitse toestellen ook vóór en na de bommenwerperaanval aan te vallen.

Doelstelling en planning

Het Duitse doel was het beschermen van het Duitse luchtruim, de burgerbevolking, de wapenindustrie en militaire installaties. De planning was in het begin verdeeld over luchtgebieden, lokale commando’s, luchtafweer en jachteenheden. Daardoor ontstonden problemen in communicatie en samenwerking. Pas later kreeg de verdediging van Duitsland een duidelijker plaats binnen Luftflotte Reich.

De geallieerde planning had een ander doel. RAF Bomber Command voerde vooral nachtelijke aanvallen uit op industriegebieden en steden. De Amerikaanse USAAF koos overdag vaker voor gerichte aanvallen op vliegtuigfabrieken, olieproductie, spoorwegen en andere militaire doelen. Operation Pointblank moest de Luftwaffe verzwakken voordat de geallieerden in West-Europa zouden landen. Daarna kregen de oliecampagne en aanvallen op transportverbindingen meer gewicht.

Militaire eenheden

De Duitse verdediging bestond uit jachteenheden van de Luftwaffe, nachtjagers, luchtafweerbatterijen en radar- en waarnemingsdiensten. De Jagdwaffe gebruikte onder meer de Messerschmitt Bf 109, Focke-Wulf Fw 190, Messerschmitt Bf 110, Messerschmitt Me 410 en Junkers Ju 88. Later kwamen de Messerschmitt Me 262 straaljager en de Messerschmitt Me 163 raketjager in kleine aantallen in actie. Hun inzet kwam te laat om het verloop te veranderen.

De nachtverdediging steunde op Freya- en Würzburg-radar, zoeklichten, de Kammhuberlinie en gespecialiseerde Nachtjagdgeschwader. De geallieerden zetten Avro Lancasters, Handley Page Halifaxes, Vickers Wellingtons, de Havilland Mosquito’s, Boeing B-17 Flying Fortresses en Consolidated B-24 Liberators in. Voor bescherming kwamen onder meer de P-47 Thunderbolt, P-38 Lightning en P-51 Mustang in actie. Militaire schepen hadden in deze luchtcampagne geen directe rol.

Het verloop van de Rijksverdediging

In 1939 en 1940 waren geallieerde dagaanvallen op Duitsland nog beperkt. De slag bij de Helgolandbocht in december 1939 liet zien dat onbeschermde bommenwerpers overdag zware verliezen konden lijden. RAF Bomber Command schakelde daarom grotendeels over op nachtelijke aanvallen. Dat gaf de Britse bommenwerpers meer bescherming, maar veroorzaakte nieuwe problemen met navigatie en nauwkeurigheid.

De Duitse nachtverdediging werd daarna verder opgebouwd. Kammhuber liet verdedigingszones vormen waarin radar, zoeklichten en nachtjagers samenwerkten. Dit systeem maakte onderschepping bij nacht beter mogelijk, maar het bleef afhankelijk van techniek, training en goede communicatie. Tegelijk bleef de Duitse leiding vasthouden aan een offensieve luchtmacht, waardoor de binnenlandse verdediging niet altijd de middelen kreeg die nodig waren.

Vanaf 1942 werd de dreiging groter door de komst van de Amerikaanse luchtmacht. De B-17 en B-24 maakten aanvallen bij daglicht mogelijk, maar zonder escortejagers met voldoende bereik leden de Amerikanen in 1943 zware verliezen. De aanvallen op Schweinfurt en Regensburg toonden aan dat Duitse jagers, zware wapens en luchtafweer nog veel schade konden aanrichten. Na oktober 1943 werden diepe Amerikaanse dagaanvallen tijdelijk beperkt.

De Britse nachtaanvallen namen intussen toe. Keulen, het Ruhrgebied en Hamburg werden zwaar getroffen. Nieuwe hulpmiddelen zoals Oboe, H2S-radar, Window en de bommenwerperstroom verbeterden de Britse aanvalsmethode. De Duitse verdediging paste zich aan met andere radarprocedures, Wilde Sau-tactieken en nachtjagers met boordradar. Toch werd de verdediging steeds zwaarder belast door verliezen, brandstoftekort en de noodzaak om meerdere fronten tegelijk te bedienen.

In februari 1944 voerden de geallieerden Big Week uit, een reeks aanvallen op de Duitse vliegtuigindustrie. De Duitse jachtmacht werd gedwongen massaal op te stijgen en leed daarbij zware verliezen. De komst van de P-51 Mustang veranderde de dagoorlog. Amerikaanse jachtvliegtuigen konden bommenwerpers nu diep Duitsland in begeleiden en kregen de opdracht de Duitse jagers actief op te zoeken. In het voorjaar van 1944 hadden de geallieerden het luchtoverwicht boven West-Europa.

Dat luchtoverwicht was van direct belang voor de invasie in Normandië. Duitse jagers konden de geallieerde landingen niet meer op grote schaal verstoren. Na de bevrijding van delen van Frankrijk, België en Nederland verloor Duitsland ook radarposten en waarschuwingszones. Daardoor werd het moeilijker om Britse nachtaanvallen vroeg te ontdekken en Amerikaanse dagaanvallen tijdig te onderscheppen.

Vanaf mei 1944 verschoof de geallieerde nadruk naar olie, brandstof en transport. Aanvallen op synthetische brandstoffabrieken en raffinaderijen raakten de Luftwaffe in haar dagelijkse inzet. Minder brandstof betekende minder training, minder vlieguren en lagere kwaliteit bij nieuwe piloten. In de winter van 1944 op 1945 stortte ook het Duitse transportsysteem verder in, waardoor kolen, staal, onderdelen en munitie moeilijker bij fabrieken en fronten kwamen.

In 1945 liep de campagne samen met de geallieerde opmars op de grond. Operatie Bodenplatte op 1 januari 1945 moest het luchtoverwicht tijdelijk herstellen, maar kostte de Luftwaffe veel ervaren vliegers en toestellen. Nieuwe wapens, zoals de Me 262, konden plaatselijk gevaarlijk zijn, maar veranderden de uitkomst niet. De laatste strategische bombardementen vonden in april 1945 plaats. De strijd eindigde met de Duitse capitulatie in mei 1945.

Resultaat

Tactisch behaalde de Duitse luchtverdediging in verschillende perioden duidelijke successen. Britse dagaanvallen werden vroeg in de oorlog teruggedrongen en Amerikaanse aanvallen zonder escorte leden in 1943 zware verliezen. Duitse nachtjagers en luchtafweer dwongen de geallieerden tot technische aanpassingen, nieuwe formaties en betere jagerbescherming.

Strategisch bereikte Duitsland zijn doel niet. De geallieerden verzwakten de Luftwaffe, beschadigden de vliegtuigindustrie, verstoorden de brandstofvoorziening en troffen het transportnet. In 1944 konden de geallieerde luchtmachten de lucht boven West-Europa grotendeels beheersen. Dat maakte de invasie in Frankrijk en de verdere opmars naar Duitsland beter uitvoerbaar.

De politieke en maatschappelijke gevolgen waren groot. Duitse steden kregen zware schade, bewoners werden geëvacueerd of dakloos en de oorlogseconomie moest steeds meer mensen, wapens en grondstoffen inzetten voor luchtverdediging. De Duitse leiding kon de bevolking niet afdoende beschermen tegen bombardementen. Het vertrouwen in de Luftwaffe nam daardoor af, terwijl de druk op industrie, transport en bestuur bleef toenemen.

Miltaire en burger slachtoffers

De militaire verliezen waren hoog aan beide zijden. Tegen het einde van de campagne claimden Amerikaanse luchtstrijdkrachten 35.783 vernietigde Duitse vliegtuigen en de RAF 21.622, samen 57.405 claimmeldingen. Bij Big Week verloren de Fifteenth Air Force, Eighth Air Force en RAF Bomber Command samen honderden bommenwerpers, terwijl de Duitse jachtverdediging 355 jagers en bijna 100 piloten verloor.

Duitse verliezen aan piloten waren moeilijk aan te vullen. Er waren wel nieuwe kandidaten, maar brandstoftekort en tijdgebrek verkortten de opleiding. In 1944 daalde de training tot veel minder vlieguren dan bij geallieerde vliegers. Daardoor kwamen nieuwe Duitse piloten vaker met beperkte ervaring in gevecht, wat de verliezen verder verhoogde.

Ook burgers werden zwaar getroffen. In Kassel kwamen ongeveer 6.000 burgers om en raakten 123.800 mensen hun woning kwijt. In Hamburg werden volgens Duitse gegevens 214.350 woningen vernietigd en ongeveer een miljoen inwoners verlieten de stad. Deze cijfers tonen dat de luchtcampagne niet alleen een militaire strijd was, maar ook rechtstreeks ingreep in het dagelijks leven van de burgerbevolking.

Materiele verliezen

De materiële verliezen waren zeer groot. De USAAF wierp ongeveer 1,46 miljoen ton bommen op door de As bezet Europa, terwijl de RAF ongeveer 1,31 miljoen ton wierp. Samen ging het om 2,77 miljoen ton, waarvan iets meer dan de helft op Duitsland viel. Fabrieken, spoorwegen, energievoorziening, woongebieden, raffinaderijen en vliegvelden werden herhaaldelijk geraakt.

De Duitse luchtverdediging verbruikte grote hoeveelheden materieel. Het aantal zware luchtafweerbatterijen groeide van 791 in 1940 naar 2.655 in 1944. Lichte batterijen namen toe van 686 naar 1.612. Deze uitbreiding vroeg personeel, munitie, kanonnen, zoeklichten, radar en transportcapaciteit die niet meer beschikbaar waren voor andere fronten.

De brandstofverliezen hadden directe gevolgen. In juni en juli 1944 werden 24 synthetische oliefabrieken en 69 raffinaderijen zwaar beschadigd. De maandelijkse synthetische olieproductie daalde sterk en de voorraad vliegtuigbrandstof liep terug van 370.000 ton in juni 1944 naar 175.000 ton in november. Hierdoor konden toestellen niet altijd worden ingezet, hersteld of gebruikt voor opleiding.

De Duitse industrie probeerde schade te beperken door fabrieken te verspreiden en deels ondergronds te brengen. In het voorjaar van 1944 waren 27 hoofdvestigingen van de vliegtuigindustrie verdeeld over 729 locaties. Motorenfabrieken werden verspreid van 51 naar 249 locaties. Dit verminderde de kans op volledige vernietiging, maar veroorzaakte vertraging, kwaliteitsproblemen en extra druk op het spoor.

Ook het transportnet liep zware schade op. De gemiddelde dagelijkse vrachtwagentonnage per spoor daalde van 183.000 ton in juni 1944 naar 83.000 ton in december. Het vervoer van kolen en cokes uit het Ruhrgebied daalde nog sterker. Daardoor lagen grondstoffen bij mijnen opgeslagen, terwijl fabrieken tekorten kregen.

Conclusie

De Duitse doelstelling om het luchtruim, de bevolking en de industrie afdoende te beschermen werd niet gehaald. De planning bleef te lang versnipperd, de nadruk op offensieve luchtmacht ging ten koste van verdediging en de jachtvliegeropleiding kon de verliezen niet bijhouden. Duitse tactische successen vertraagden de geallieerde bombardementen, maar stopten ze niet.

De geallieerde planning bereikte vanaf 1944 haar belangrijkste doelen. De Luftwaffe verloor ervaren piloten, brandstof, vliegvelden en vrijheid van handelen. De oliecampagne en de aanvallen op transport maakten herstel steeds moeilijker. De materiële schade, de burgerverliezen en het dalende Duitse militaire vermogen versterkten elkaar. Daardoor werd de Rijksverdediging uiteindelijk een lange uitputtingsstrijd die Duitsland niet kon volhouden.

Bronnen en meer informatie

  1. Caldwell, Donald; Muller, Richard (2007). The Luftwaffe Over Germany: Defense of the Reich. London: Greenhill Books. ISBN 978-1-85367-712-0.
  2. Boog, Horst; Krebs, Gerhard; Vogel, Detlef (2001). Germany and the Second World War: The Strategic Air War in Europe and the War in the West and East Asia, 1943–1944/45. Oxford: Clarendon Press. ISBN 978-0-19-822889-9.
  3. Murray, Williamson (1983). Strategy for Defeat: The Luftwaffe 1933–1945. Maxwell Air Force Base: Air University Press. ISBN 978-1-58566-010-0.
  4. Overy, Richard (1980). The Air War, 1939–1945. Washington: Potomac Books. ISBN 978-1-57488-716-7.
  5. Overy, Richard (2006). Why the Allies Won. London: Pimlico. ISBN 978-1-84595-065-1.
  6. Overy, Richard (2013). The Bombers and the Bombed: Allied Air War Over Europe, 1940–1945. New York: Viking Penguin. ISBN 978-0-670-02515-2.
  7. Tooze, Adam (2006). The Wages of Destruction: The Making and Breaking of Nazi Economy. London: Penguin. ISBN 978-0-14-100348-1.
  8. Westermann, Edward B. (2001). Flak: German Anti-Aircraft Defenses, 1914–1945. Lawrence: University Press of Kansas. ISBN 978-0-7006-1136-2.
  9. Biddle, Tami (2002). Rhetoric and Reality in Air Warfare: The Evolution of British and American Ideas about Strategic Bombing, 1914–1945. Princeton: Princeton University Press. ISBN 978-0-691-12010-2.
  10. Cox, Sebastian (1998). The Strategic Air War Against Germany, 1939–1945: The Official Report of the British Bombing Survey Unit. London: Routledge. ISBN 978-0-7146-4722-7.
  11. Hall, Cargill (1998). Case Studies in Strategic Bombardment. Washington: Air Force History and Museums Program. ISBN 978-0-16-049781-0.
  12. Koch, H. W. (1991). “The Strategic Air Offensive against Germany: The Early Phase, May–September 1940”. The Historical Journal 34 (1): 117–141. DOI 10.1017/S0018246X00013959. ISSN 0018-246X. S2CID 162662530.
  13. Beaumont, Roger (1987). “The Bomber Offensive as a Second Front”. Journal of Contemporary History 22 (1): 3–19. DOI 10.1177/002200948702200101. ISSN 0022-0094. S2CID 159475356.
  14. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946