Home Schepen Zware Kruisers Admiral Scheer: Duitse zware kruiser 1934-1945

Admiral Scheer: Duitse zware kruiser 1934-1945

Admiral Scheer op zee met de aangetreden bemanning in paradeopstelling aan dek, gezien vanaf de stuurboordzijde van het schip
Panzerschiff Admiral Scheer op zee, met de aangetreden bemanning in paradeopstelling aan dek.

Admiral Scheer was een Panzerschiff van de Deutschland-klasse dat van 1934 tot 1945 dienstdeed. Het grote bereik, de dieselmotoren en zes kanonnen van 28 cm maakten het schip geschikt voor handelsoorlog. Tijdens de Tweede Wereldoorlog opereerde het in de Atlantische Oceaan, de Indische Oceaan, Noorse wateren en de Oostzee. Vanaf 1943 bleef de informatieverwerking achter bij geallieerde normen.

Ontwerp en constructie

Admiral Scheer ontstond binnen de beperkingen die het Verdrag van Versailles aan de Duitse marine oplegde. De Reichsmarine bestelde het schip als Panzerschiff B en Ersatz Lothringen bij de Reichsmarinewerft in Wilhelmshaven. De kiellegging volgde op 25 juni 1931, de tewaterlating op 1 april 1933 en de indienststelling op 12 november 1934. Marianne Besserer, een dochter van admiraal Reinhard Scheer, verrichtte de doop van het naar haar vader genoemde schip.

Het ontwerp combineerde een gelaste romp, zware artillerie en een groot vaarbereik met een lager gewicht dan een slagschip. Admiral Scheer was 186 meter lang, 21,34 meter breed en had een maximale diepgang van 7,25 meter. De constructieverplaatsing bedroeg 13.660 ton en de waterverplaatsing bij volle belading 15.420 ton, hoewel Duitsland officieel een waarde binnen de verdragsgrens van 10.000 long ton opgaf. Het werkelijke gewicht lag daardoor duidelijk boven de toegestane limiet.

Acht MAN-dieselmotoren waren in vier gekoppelde sets opgesteld en dreven twee schroefassen aan. De negencilinder tweetaktmotoren leverden samen 54.000 pk en gaven het schip tijdens proeven een topsnelheid van 28,3 knopen. Bij een snelheid van 20 knopen bedroeg het bereik ongeveer 9.100 zeemijl, of 16.900 kilometer. De oorspronkelijke bemanning bestond uit 33 officieren en 586 manschappen, maar groeide na 1935 tot ongeveer 950 à 1.070 opvarenden.

Bewapening

De hoofdbewapening bestond uit zes 28 cm SK C/28-kanonnen in twee drielingtorens, één voor en één achter de bovenbouw. Deze opstelling gaf Admiral Scheer zwaardere artillerie dan de meeste kruisers die snel genoeg waren om het schip te achtervolgen. Acht afzonderlijk opgestelde 15 cm SK C/28-kanonnen vormden de secundaire batterij langs het middenschip. Op het achterdek stonden daarnaast twee viervoudige lanceerinrichtingen voor torpedo’s van 53,3 cm.

De luchtafweer veranderde herhaaldelijk door de toenemende dreiging vanuit de lucht. Aanvankelijk bestond de zware luchtafweer uit drie dubbele 8,8 cm-opstellingen, aangevuld met 3,7 cm- en 2 cm-wapens. Tijdens de verbouwing van 1939 en 1940 maakten de 8,8 cm-kanonnen plaats voor drie dubbele 10,5 cm SK C/33-opstellingen en kwamen er extra 2 cm-wapens aan boord. In 1945 omvatte de luchtafweer zes 4 cm-, acht 3,7 cm- en 33 2 cm-kanonnen.

Een katapult maakte luchtverkenning buiten het zicht van de uitkijkposten mogelijk. Het schip gebruikte eerst een Heinkel He 60-watervliegtuig en kreeg later Arado Ar 196-toestellen. Het boordvliegtuig kon schepen opsporen, ijsvelden verkennen en waarnemingen voor de artillerie doorgeven. De afhankelijkheid van één inzetbaar watervliegtuig bleef een beperking, omdat schade of slecht weer de luchtverkenning volledig kon uitschakelen.

Bepantsering

De bescherming van Admiral Scheer was berekend op een zwaar bewapende kruiser en niet op een rechtstreeks artilleriegevecht met moderne slagschepen. De gordelpantsering langs de waterlijn was 60 tot 80 mm dik. Het bovendek had 17 mm pantser, terwijl het belangrijkste pantserdek afhankelijk van de plaats 17 tot 45 mm dik was. De voorkanten van de hoofdgeschuttorens bereikten 140 mm en de zijkanten daarvan 80 mm.

Deze verdeling beschermde munitieruimten, machines en geschut tegen een deel van het kruiserkaliber, maar bood beperkte weerstand tegen zware slagschipgranaten en luchtbommen. Het ontwerp steunde daarom mede op afstand, snelheid en vroegtijdige waarneming om een ongunstig gevecht te vermijden. Tegen de jaren veertig was 28 knopen echter niet meer voldoende om ieder sterker oorlogsschip te ontlopen. De bescheiden horizontale bescherming werd bovendien kwetsbaarder naarmate aanvallen vanuit de lucht zwaarder werden.

Sensoren en dataverwerking

De oorspronkelijke vuurleiding steunde vooral op optische afstandsmeters, richttoestellen en waarnemers in de bovenbouw. Drie SL-4-richtposten ondersteunden de zware luchtafweer, terwijl de hoofdartillerie gegevens uit grote optische afstandsmeters ontving. Tijdens de verbouwing van 1939 en 1940 kreeg het schip een FMG 39 G(gO), later ook aangeduid als FuMO 22. In 1941 volgden verbeterde apparatuur van de FMG 40 G(gO)- en FuMO 26- of FuMO 27-familie, met antennes voor en achter.

De actieve radar werkte rond 368 MHz en was vooral bestemd voor oppervlaktedetectie, afstandsmeting en ondersteuning van de artillerie. Vanaf 1942 kwamen daar passieve Timor- en Sumatra-antennes voor het waarnemen van vijandelijke radaruitzendingen bij. Onder water beschikten de schepen van de Deutschland-klasse over een Gruppenhorchgerät met twee groepen van 54 ontvangers. Dit GHG was een passief hydrofoonsysteem; voor Admiral Scheer is geen actieve S-Gerät-sonaruitrusting gedocumenteerd.

Admiral Scheer had geen geïntegreerd Combat Information Center zoals Amerikaanse oorlogsschepen dat vanaf 1943 standaard kregen, en evenmin een Britse Action Information Organisation van vergelijkbaar niveau. Radaroperators, uitkijkposten, vuurleiding, radioafdeling en de tijdelijke B-Dienst-luisterploegen verzamelden gegevens afzonderlijk en gaven die mondeling of per telefoon door. De brug en commandoposten konden deze meldingen gebruiken, maar er ontstond geen voortdurend centraal opgebouwd lucht- en oppervlaktebeeld. Volgens de operationele normen van 1943 was deze verwerking verouderd, vooral bij nachtelijke gevechten en luchtaanvallen met meerdere doelen.

Modificaties

In 1935 kreeg Admiral Scheer een verbeterde katapultinstallatie en voorzieningen om watervliegtuigen bij onrustige zee weer aan boord te nemen. De grootste uiterlijke verbouwing vond plaats tussen 1939 en juli 1940. De oorspronkelijke zware, piramidevormige commandotoren werd vervangen door een lichtere opbouw en de boeg kreeg een langer, schuin oplopend profiel. De Kriegsmarine wijzigde in februari 1940 tevens de officiële classificatie van Panzerschiff in zware kruiser.

De verbouwing omvatte verder nieuwe radarapparatuur en een versterking van de luchtafweer. In 1941 kwam een tweede radarantenne bij de achterste afstandsmeter en in 1942 volgden passieve radarwaarschuwingsmiddelen. De lichte luchtafweer werd in 1944 en 1945 opnieuw uitgebreid, maar de vele losse 2 cm- en 3,7 cm-wapens konden geen volledig gecoördineerde luchtverdediging vormen. De aanpassingen verbeterden de verdediging, maar veranderden de basisindeling en beperkte dekbescherming niet.

Status schip tijdens de oorlog

Admiral Scheer was in 1940 technisch inzetbaar voor lange zelfstandige operaties en beschikte over betrouwbare dieselvoortstuwing, zware artillerie en een bruikbaar vaarbereik. Na de terugkeer van de Atlantische reis in april 1941 maakte het verlies van Bismarck en van Duitse bevoorradingsschepen een volgende oceaanmissie moeilijk uitvoerbaar. De Britse controle over toegangen tot de Atlantische Oceaan en de groeiende geallieerde luchtmacht beperkten de bewegingsvrijheid verder. Daardoor verschoof de inzet in 1942 naar Noorwegen en daarna naar de Oostzee.

Vanaf 1943 was het schip operationeel verouderd als zelfstandig oppervlaktegevechtsschip. De snelheid, horizontale bepantsering, luchtwaarneming en verwerking van radargegevens voldeden niet meer aan de normen die de geallieerde marines inmiddels toepasten. Een grote onderhoudsbeurt begon eind 1942, waarna Admiral Scheer voornamelijk als opleidingsschip diende tot het najaar van 1944. De hoofdartillerie bleef bruikbaar voor kustbeschietingen, maar intensief vuur in de Oostzee sleet de lopen in het voorjaar van 1945 uit.

Operationele geschiedenis

Opleiding en de Spaanse Burgeroorlog

Na de indienststelling stond Admiral Scheer onder bevel van kapitein-ter-zee Wilhelm Marschall. Het schip voltooide proefvaarten en maakte in oktober 1935 een reis naar Madeira. In 1936 volgde een oefenreis door het Skagerrak, het Kanaal en de Ierse Zee, met Stockholm als aanloophaven. Hiermee werden de voortstuwing, artillerie en luchtvaartvoorzieningen over grotere afstanden getest.

Vanaf juli 1936 voer Admiral Scheer herhaaldelijk naar Spaanse wateren. Het evacueerde Duitse burgers en nam deel aan internationale niet-inmengingpatrouilles, terwijl het Duitse wapenleveringen aan de nationalistische zijde beschermde. Na een republikeinse luchtaanval op zusterschip Deutschland bij Ibiza op 29 mei 1937 volgde een vergeldingsbevel. Op 31 mei beschoot Admiral Scheer Almería, waarbij haveninstallaties, schepen en delen van de stad werden getroffen en burgers werden gedood en gewond.

Begin van de oorlog en de Atlantische reis

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog lag Admiral Scheer op de rede van Schillig bij Wilhelmshaven. Op 4 september 1939 vielen tien Britse Bristol Blenheim-bommenwerpers het schip en Admiral Hipper aan. Een bom trof het dek maar ontplofte niet, terwijl andere bommen in het water vielen. De luchtafweer schoot vijf toestellen neer, Admiral Scheer bleef onbeschadigd en daarna volgde de verbouwing tot juli 1940.

Onder kapitein-ter-zee Theodor Krancke vertrok Admiral Scheer in oktober 1940 tegen het geallieerde handelsverkeer. Na de passage door de Straat Denemarken vond het schip op 5 november konvooi HX 84. De enige begeleider, HMS Jervis Bay, viel aan om de 37 handelsschepen tijd te geven uiteen te varen. Admiral Scheer bracht het schip binnen 22 minuten tot zinken, maar vernietigde door de vertraging slechts vijf schepen uit het konvooi.

De kruiser zette de operatie voort in de midden- en zuidelijke Atlantische Oceaan. Bevoorradingsschepen leverden brandstof en namen gevangenen over, terwijl de buitgemaakte tanker Sandefjord voor transport werd gebruikt. In februari 1941 ontmoette Admiral Scheer in de Indische Oceaan hulpkruiser Atlantis en bevoorradingsschip Tannenfels en viel daarna schepen bij de Seychellen aan. Britse oorlogsschepen zochten de kruiser, maar Krancke ontweek hen en keerde naar de Atlantische Oceaan terug.

Op 1 april 1941 bereikte Admiral Scheer Kiel na ruim 46.000 zeemijl en 161 dagen. Het schip had veertien koopvaardijschepen tot zinken gebracht en twee buitgemaakt, samen 99.059 brutoregisterton. Met HMS Jervis Bay kwam het totaal op zeventien schepen en 113.223 brutoregisterton, het hoogste resultaat van een groot Duits oppervlakteoorlogsschip. Een nieuwe Atlantische operatie werd later in 1941 geschrapt doordat het bevoorradingsnetwerk grotendeels was verloren. In september bleven twee Britse luchtaanvallen bij Oslo zonder resultaat.

Noorwegen en de Noordelijke IJszee

Op 21 februari 1942 vertrok Admiral Scheer met Prinz Eugen en torpedobootjagers naar Noorwegen. Twee dagen later torpedeerde HMS Trident de Prinz Eugen, maar Admiral Scheer bereikte de bestemming. Begin juli nam het schip deel aan operatie Rösselsprung tegen konvooi PQ 17, waarbij Lützow en drie torpedobootjagers aan de grond liepen. De oppervlaktegroep keerde om nadat het konvooi was verspreid; Duitse onderzeeboten en vliegtuigen brachten daarna 24 van de 35 transportschepen tot zinken.

In augustus 1942 voerde Admiral Scheer onder Wilhelm Meendsen-Bohlken operatie Wunderland in de Karazee uit. Het Arado-watervliegtuig zocht routes door het pakijs en verkende Sovjetschepen, terwijl B-Dienst-personeel radioverkeer onderschepte. Op 25 augustus bracht de kruiser de ijsbreker Aleksandr Sibiryakov tot zinken. Twee dagen later beschoten de kanonnen Dikson en beschadigden twee schepen en havengebouwen, maar kustgeschut en munitieverbruik droegen bij aan het afbreken van de aanval.

De kruiser bereikte op 30 augustus Noors gebied zonder het verwachte Sovjetverkeer te hebben onderschept. IJs, mist, onbetrouwbare kaarten en het verlies van het boordvliegtuig beperkten de verkenning. In oktober voer Admiral Scheer terug naar Duitsland voor groot onderhoud. Een Britse luchtaanval veroorzaakte lichte schade in Wilhelmshaven, waarna het schip naar Swinemünde werd verplaatst en bij de opleidingsgroep kwam.

Oostzee en verlies in Kiel

In november 1944 keerde Admiral Scheer onder Ernst-Ludwig Thienemann terug in operationele dienst. Het schip ondersteunde Duitse eenheden op Saaremaa, toen Ösel genoemd, en hielp in de nacht van 23 op 24 november bij de evacuatie van 4.694 militairen. Het Arado-boordvliegtuig werd tijdens Sovjetluchtaanvallen neergeschoten. In februari 1945 volgden beschietingen bij Samland, Peyse en Gross-Heydekrug. De artilleriesteun droeg tijdelijk bij aan het herstel van een landverbinding met Königsberg.

In maart waren de lopen van de hoofdkanonnen versleten en voer Admiral Scheer voor vervanging naar Kiel. Het nam 800 burgers en 200 gewonde militairen mee, zette hen wegens een mijnenveld in Swinemünde aan land en beschoot daarna Sovjetstellingen bij Kolberg. Op 18 maart bereikte het schip Kiel, waar de achterste geschuttoren nieuwe lopen kreeg. Tijdens een Britse luchtaanval in de nacht van 9 april werd Admiral Scheer door bommen getroffen en kapseisde het in het havenbekken.

Na de oorlog

Na de Duitse capitulatie werd slechts een deel van het gekapseisde wrak gesloopt. Bij het dempen van het binnenste havenbekken verdwenen grote delen van de romp, de bovenbouw en de artillerie onder puin en opvulmateriaal. Onderzoekers van de Universiteit van Kiel brachten de resten met reflectieseismiek en elektrische weerstandstomografie in kaart. De metingen bereikten een diepte van vier tot twaalf meter en wezen uit dat bijna zeventig procent van het schip onder een grasveld van het marinearsenaal bewaard is gebleven, niet onder de eerder vermoede parkeerplaats.

Conclusie

Admiral Scheer was ontworpen als een langeafstandskruiser voor aanvallen op koopvaardijschepen. Sterkere tegenstanders moesten zoveel mogelijk worden ontweken. De dieselmotoren, zes 28 cm-kanonnen en het grote bereik maakten de Atlantische reis van 1940 en 1941 mogelijk, maar de beperkte bepantsering en snelheid sloten een gevecht met moderne slagschepen uit. Radar, passieve hydrofoons en extra luchtafweer hielden het schip inzetbaar, zonder de oorspronkelijke ontwerpgrenzen weg te nemen.

Volgens de militaire normen van 1943 was Admiral Scheer verouderd door het ontbreken van een geïntegreerd CIC of AIO, een volwaardig centraal luchtbeeld en moderne radargestuurde luchtafweer. Het schip bleef wel bruikbaar als opleidingsschip en als drager van zware artillerie voor beschietingen in de Oostzee. De loopbaan eindigde tijdens reparaties in Kiel, nadat versleten geschut en de geallieerde luchtoverheersing de inzet al sterk hadden beperkt. De begraven wrakdelen vormen het resterende materiële spoor van het schip.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Bundesarchiv, DVM 10 Bild-23-63-64 / CC-BY-SA 3.0CC BY-SA 3.0 DE, via Wikimedia Commons
  2. Gröner, Erich (1990). German Warships: 1815-1945. Volume I: Major Surface Vessels. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-790-6.
  3. Williamson, Gordon (2003). German Pocket Battleships 1939-1945. Oxford: Osprey Publishing. ISBN 978-1-84176-501-3.
  4. Rohwer, Jürgen (2005). Chronology of the War at Sea 1939-1945: The Naval History of World War Two. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-119-8.
  5. O’Hara, Vincent P., Dickson, W. David en Worth, Richard (2010). On Seas Contested: The Seven Great Navies of the Second World War. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-646-9.
  6. Barr, William (1975). Operation “Wunderland”: Admiral Scheer in the Kara Sea, August 1942. Polar Record, 17(110), 461-472. DOI 10.1017/S0032247400032447.
  7. Wilken, Dennis, Jürgens, Fritz, Erkul, Ercan, Rabbel, Wolfgang en Müller, Ulrich (2023). Deal with Steel: Investigating the Wreck of the Heavy Cruiser Admiral Scheer. Advances in On- and Offshore Archaeological Prospection. Kiel: Universitätsverlag Kiel. DOI 10.38072/978-3-928794-83-1/p12.
  8. Dodson, Aidan en Cant, Serena (2020). Spoils of War: The Fate of Enemy Fleets after the Two World Wars. Barnsley: Seaforth Publishing. ISBN 978-1-5267-4198-1.
  9. Bronnen voor historisch onderzoek 1800-1946
Previous articleUSS Alaska (CB-1): slagkruiser in WO2
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in geschiedenis, militaire geschiedenis en de Tweede Wereldoorlog. Sommige redacteuren hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring, operationeel inzicht en kennis van commandostructuren mee. Andere redacteuren houden zich bezig met historisch onderzoek, educatieve content en kennisprojecten. Door deze combinatie van achtergronden ontstaan goed gedocumenteerde artikelen waarin feitelijke nauwkeurigheid, bronnenkritiek, context en analyse centraal staan. De redactie streeft naar objectieve en zorgvuldig onderbouwde publicaties die bijdragen aan een beter begrip van deze belangrijke periode in de geschiedenis.