Hendrik Johan Kruls (Amsterdam, 1 augustus 1902 – Den Haag, 13 december 1975) was een Nederlandse artillerieofficier, jurist, generaal en bedrijfsfunctionaris. Hij leidde tijdens de bevrijding het Militair Gezag en was daarna chef van de Generale Staf. In 1949 bereikte hij de rang van generaal en werd hij voorzitter van het Comité Verenigde Chefs van Staven.
Vroege leven en opleiding
Koninklijke Militaire Academie
Kruls groeide op in Amsterdam en koos op jonge leeftijd voor een militaire loopbaan. Op 16 september 1919 begon hij aan de officiersopleiding voor de artillerie aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Hij voltooide deze opleiding in augustus 1922 en werd op 14 augustus van dat jaar benoemd tot tweede luitenant. Zijn eerste plaatsingen lagen bij de artillerie, het krijgsmachtonderdeel dat vuursteun leverde en waarin technische kennis, rekenwerk en nauwkeurige stafvoorbereiding zwaar wogen.
Na zijn opleiding diende Kruls vanaf 1923 bij de schoolcompagnie van het Korps Luchtdoelartillerie in Utrecht. Daarna volgde een detachering in Den Helder, die tot 1927 duurde. In dat jaar keerde hij terug naar Utrecht als officier bij de school voor verlofsofficieren van de onbereden artillerie. Deze functies bestonden hoofdzakelijk uit opleiding, organisatie en personeelszorg. Gevechtservaring uit de Eerste Wereldoorlog had hij niet: bij het einde van die oorlog was hij zestien jaar oud en nog geen beroepsmilitair.
Rechtenstudie en verdere vorming
Naast zijn militaire werk volgde Kruls een studie Nederlands recht aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Hij begon daarmee in 1926 en rondde de studie op 24 april 1931 af, waarna hij de titel meester in de rechten mocht voeren. De combinatie van artillerieopleiding en rechtskennis sloot aan bij zijn latere werk op het ministerie. Daar kreeg hij te maken met dienstplicht, militair tuchtrecht, bestuurlijke bevoegdheden en de juridische voorbereiding van maatregelen voor oorlogsomstandigheden.
Kruls volgde van 1934 tot 1937 ook de opleiding aan de Hogere Krijgsschool in Den Haag. Deze opleiding bereidde officieren voor op staf- en commandofuncties boven het niveau van hun eigen wapen. Zijn vorming bestond daardoor niet alleen uit artilleristische vakken, maar ook uit organisatie, planning en de verhouding tussen militaire bevelvoering en openbaar bestuur. Die achtergrond bepaalde het verdere verloop van zijn loopbaan sterker dan operationeel bevel over troepen in het veld.
Interbellum: artillerie, recht en stafwerk
Eerste detachementen
Kruls vervulde in de jaren twintig verschillende opleidings- en artilleriefuncties. In 1930 werd hij tijdelijk naar Aruba gezonden, waar hij werd belast met de beveiliging van Amerikaanse olie-installaties. Na terugkeer werkte hij opnieuw bij de school voor verlofsofficieren in Utrecht. De plaatsingen brachten hem in aanraking met opleiding, bewaking en de praktische toepassing van militaire voorschriften. Op 14 augustus 1926 was hij inmiddels bevorderd tot eerste luitenant der artillerie.
Vanaf 1 november 1930 was Kruls gedetacheerd bij de afdeling Generale Staf van het Departement van Defensie. Hij behandelde daar dienstplichtzaken en vraagstukken rond het vooroefeningsinstituut, dat toekomstige dienstplichtigen een voorbereidende opleiding gaf. Later hield hij zich op dezelfde afdeling bezig met krijgstucht. In 1932 publiceerde hij samen met D. van Voorst Evekink en A.P.J. Berger een tweedelig handboek over de praktijk van het militaire tuchtrecht. Het werk sloot rechtstreeks aan op zijn juridische en ambtelijke werkzaamheden.
Generale Staf en mobilisatievoorbereiding
Van maart 1934 tot 1937 diende Kruls bij het Tweede Regiment Veldartillerie in Den Haag, terwijl hij tevens de Hogere Krijgsschool volgde. Daarna werd hij bij de Generale Staf geplaatst. Tussen maart 1938 en april 1939 werkte hij opnieuw op het Departement van Defensie, nu aan de voorbereiding van een Nederlandse mobilisatie. Op 1 mei 1938 volgde zijn bevordering tot kapitein der artillerie.
Op 1 april 1939 werd Kruls adjudant van minister van Defensie J.J.C. van Dijk. Na diens vertrek bleef hij dezelfde functie vervullen onder minister A.Q.H. Dijxhoorn. Daardoor werkte hij bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog dicht bij de politieke leiding van Defensie. Zijn taken lagen op het grensvlak van militaire planning, departementale besluitvorming en persoonlijke ondersteuning van de minister. In die positie vertrok hij na de Duitse aanval van mei 1940 met Dijxhoorn naar Londen.
Deelname aan de Tweede Wereldoorlog
Werk voor de regering in Londen
Kruls kwam in mei 1940 in het Verenigd Koninkrijk terecht als adjudant van Dijxhoorn. Hij bleef tot juni 1941 in deze functie en werd op 1 september van dat jaar belast met de leiding van de hoofdafdeling Landmacht van het ministerie van Oorlog. Zijn oorlogswerk vond niet plaats als commandant aan het front. Hij hield zich in Londen bezig met de organisatie van de landmacht en met de bestuurlijke voorbereiding van de terugkeer naar Nederland.
In 1942 werd Kruls majoor. Op 28 januari 1943 volgde zijn bevordering tot kolonel en kreeg hij de leiding over het Bureau Militair Gezag, dat voortkwam uit het Bureau Militaire Voorbereiding Terugkeer. Het bureau moest een bestuurlijk apparaat voorbereiden voor Nederlandse gebieden die door geallieerde legers zouden worden bevrijd. Daarbij moest rekening worden gehouden met gevechtshandelingen, beschadigde verbindingen, schaarste, verplaatsing van inwoners en het tijdelijke ontbreken van volledig werkende burgerlijke overheidsdiensten.
Voorbereiding van het Militair Gezag
De voorbereiding omvatte personeel, instructies, verbindingsofficieren en afspraken met Britse en Amerikaanse autoriteiten. Medewerkers volgden cursussen over Civil Affairs, de geallieerde organisatie voor burgerlijke aangelegenheden in bevrijd gebied. Ook werden regelingen opgesteld voor grensbewaking, repatriëring, voedselvoorziening, politie, bestuur en de verhouding met het geallieerde opperbevel. Het archief bevat bovendien stukken over de aankoop van hulpgoederen voor de eerste noden na de bevrijding.
Koningin Wilhelmina stond aanvankelijk wantrouwend tegenover Kruls, die zij rekende tot militairen die in 1940 te weinig vertrouwen in de geallieerde overwinning zouden hebben gehad. Dat verhinderde zijn benoeming niet. In september 1944 werd hij generaal-majoor en Chef Staf Militair Gezag. Nadat het apparaat in bevrijd gebied was gaan functioneren, kreeg Kruls juist steun van Wilhelmina. Ook prins Bernhard en delen van het georganiseerde verzet steunden zijn positie tegenover ministers die zijn zelfstandige optreden wilden beperken.
Bestuur in bevrijd Nederland
Na de bevrijding van België vestigde de staf zich in Brussel. Later werkte Kruls vanuit het bevrijde zuiden van Nederland; in het voorjaar van 1945 kwam de centrale leiding in Breda terecht. Het Militair Gezag moest tijdens de militaire fase het openbare bestuur laten functioneren en als verbinding dienen tussen Nederlandse instanties en de geallieerde legers. Het nam het burgerlijk bestuur niet blijvend over, maar beschikte tijdelijk over vergaande bevoegdheden zolang normale ministeries en diensten nog niet volledig konden werken.
De militaire commissarissen behandelden onder meer openbare orde, vervoer, voedselvoorziening, repatriëring en herstel van overheidsdiensten. Zij konden burgemeesters in hun ambt bevestigen, tijdelijk vervangen of nieuwe functionarissen aanwijzen. Ook speelden zij een rol bij de beoordeling en zuivering van politiekorpsen. De bevoegdheden raakten het terrein van justitie, maar het Militair Gezag sprak niet zelf de latere strafrechtelijke vonnissen uit. Het organiseerde wel arrestatie, bewaking en internering van personen die van collaboratie werden verdacht.
Die arrestaties verliepen in de eerste bevrijde gebieden niet overal ordelijk. Het aantal verdachten was groot, geschikte kampen ontbraken en de betrouwbaarheid van beschuldigingen moest nog worden onderzocht. Bij een inspectie van een provisorisch kamp stelde Kruls vast dat een deel van de gevangenen ten onrechte was vastgezet. Het Militair Gezag moest daardoor tegelijk verdachten vasthouden, misstanden beperken en dossiers voorbereiden voor verdere beoordeling door bevoegde instanties.
Binnenlandse Strijdkrachten
De Binnenlandse Strijdkrachten waren in september 1944 gevormd uit de Ordedienst, de Landelijke Knokploegen en de Raad van Verzet. Prins Bernhard voerde het opperbevel; in het nog bezette gebied lag het commando bij kolonel Henri Koot. De organisatie bestond uit vrijwilligers en moest het Militair Gezag bijstaan. Zij stond echter niet als eigen uitvoeringskorps onder persoonlijk bevel van Kruls. Het vaak genoemde aantal van 20.000 man geeft slechts een momentopname, omdat samenstelling en omvang tijdens de bevrijding veranderden.
De taakverdeling tussen beide organisaties was niet steeds helder. Leden van de Binnenlandse Strijdkrachten hielpen bij bewaking, handhaving van de orde en arrestaties, terwijl militaire commissarissen namens het Militair Gezag bestuurlijke verantwoordelijkheid droegen. Daardoor konden bevelslijnen elkaar overlappen. Formeel was de opzet dat de Binnenlandse Strijdkrachten het Militair Gezag ondersteunden; praktisch ontstonden plaatselijk geschillen over arrestatiebevoegdheid, bewaking en de behandeling van geïnterneerden.
Conflicten met de ministers
Kruls leidde het Militair Gezag direct en met veel zelfstandigheid. In de biografische literatuur wordt zijn werkwijze omschreven als organisatorisch sterk, autoritair en weinig diplomatiek. Hij volgde ministeriële aanwijzingen niet altijd en verzette zich tegen maatregelen die volgens hem de bevelvoering in bevrijd gebied zouden verstoren. De spanning betrof dus zowel zijn optreden als de vraag wie tijdens de militaire fase het laatste woord had: de ministers in Londen, de minister van Oorlog, het Militair Gezag of het geallieerde opperbevel.
In november 1944 keerde Kruls zich in een brief tegen de komst van minister-kwartiermakers naar het bevrijde zuiden. Hij stelde dat ministers zonder volledig departementaal apparaat naast het Militair Gezag verwarring zouden veroorzaken. Enkele ministers drongen daarna aan op zijn ontslag, maar kregen daarvoor onvoldoende steun. Wilhelmina behield vertrouwen in Kruls. Ook minister van Oorlog J.W. van Lidth de Jeude en minister J.C. van Boeijen steunden hem in deze fase.
De verhouding met delen van het kabinet bleef tot begin 1945 gespannen. De stelling dat Kruls de Londense ministers eenvoudig kon negeren, vraagt echter om een juridische aanvulling. Algemene aanwijzingen aan het Militair Gezag liepen via de minister van Oorlog en konden een koninklijk besluit vereisen, terwijl de geallieerde militaire bevelvoering eveneens grenzen stelde aan Nederlands ingrijpen. Toen de eerste militaire bestuursfase op 9 juli 1945 eindigde, droeg Kruls de betreffende bevoegdheden over aan het burgerlijk bestuur.
Na de oorlog
Chef van de Generale Staf
Kruls werd op 1 november 1945 luitenant-generaal en was vanaf die datum chef van de Generale Staf. Zijn benoeming overlapte kort met de afwikkeling van het Militair Gezag, waarvan hij tot 1 januari 1946 chef-staf bleef. Als hoogste landmachtfunctionaris kreeg hij te maken met demobilisatie, wederopbouw van de Koninklijke Landmacht, personeelsbeleid en de veranderende internationale veiligheidssituatie. De krijgsmacht moest opnieuw worden georganiseerd terwijl Nederland met beperkte financiële en materiële middelen uit de oorlog kwam.
Vanaf 1 mei 1949 droeg Kruls de rang van generaal. Op dezelfde datum werd hij voorzitter van het Comité Verenigde Chefs van Staven van landmacht, marine en luchtstrijdkrachten. Deze functie vroeg om afstemming tussen de krijgsmachtdelen en om advisering van de regering over gezamenlijk defensiebeleid. Nederland was in 1949 toegetreden tot de NAVO, waardoor nationale plannen steeds meer deel uitmaakten van bondgenootschappelijke afspraken over troepen, organisatie en financiering.
Nederlands-Indië
Als chef van de Generale Staf hield Kruls zich ook bezig met de Nederlandse strijdkrachten in Nederlands-Indië. Op 1 mei 1947 arriveerde hij voor een inspectiereis op vliegveld Kemajoran bij Batavia, waar legercommandant generaal Simon Spoor hem ontving. Deze aankomst vond vóór Operatie Product plaats, de eerste militaire operatie die de Nederlandse regering een politionele actie noemde en die op 21 juli 1947 begon. De bekende foto toont dus een bezoek tijdens het oplopende Nederlands-Indonesische conflict, niet tijdens die operatie zelf.
Kruls verzette zich samen met luitenant-admiraal Conrad Helfrich tegen de Overeenkomst van Linggadjati. Hun bezwaar richtte zich tegen de voorgenomen politieke regeling met de Republiek Indonesië. Zij probeerden de regering vanuit hun militaire functie van een andere koers te overtuigen. In de verdere besluitvorming en uitvoering van het Nederlandse beleid in Indonesië had Kruls echter een ondergeschikte rol vergeleken met de regering, het bestuur in Batavia en legercommandant Spoor.
Ontslag als chef van de Generale Staf
Ook na 1945 botste Kruls geregeld met de politieke leiding. De geschillen betroffen de inrichting van de landmacht, de omvang en financiering van de defensie en de verdeling van verantwoordelijkheid tussen militaire adviseurs en ministers. Daarbij werkte het eerdere wantrouwen rond het Militair Gezag door. De parlementaire enquête naar het regeringsbeleid van 1940–1945 leverde scherpe kritiek op de verhouding tussen het kabinet en het Militair Gezag.
Minister van Oorlog H.L. s’Jacob onthefte Kruls met ingang van 1 februari 1951 op eervolle wijze uit zijn functie. Formeel was dit een eervol ontslag, maar het besluit was niet vrijwillig en betekende een gedwongen einde van zijn hoogste staffuncties. Verschillen over het toekomstige defensiebeleid en afgenomen politiek vertrouwen kwamen daarbij samen. Kruls bleef nog in militaire dienst en behield zijn rang tot hij op 1 september 1954 op eigen verzoek eervol ontslag als generaal kreeg.
Bedrijfsleven en memoires
Na zijn vertrek uit de militaire top werkte Kruls in het bedrijfsleven. Van september 1953 tot oktober 1957 was hij speciaal vertegenwoordiger van American Express. Daarna trad hij in dienst van de KLM, eerst als adviseur van de directies Vervoer en Verkoop. Vanaf 1966 adviseerde hij onder meer over bedrijfsvoering en hoteldeelnemingen. Ook na 1971 bleef hij als directieadviseur aan de luchtvaartmaatschappij verbonden.
Kruls schreef daarnaast over militaire en internationale onderwerpen. Hij publiceerde onder meer in dag- en weekbladen en was van 1954 tot zijn overlijden hoofdredacteur van het tijdschrift NATO’s Fifteen Nations. In 1975 verschenen zijn herinneringen onder de titel Generaal in Nederland: memoires H.J. Kruls. Het boek behandelt zijn militaire en bestuurlijke loopbaan vanuit zijn eigen waarneming. Kruls overleed op 13 december 1975 in Den Haag, 73 jaar oud.
Militaire rangen
De bevorderingen van Kruls liepen aanvankelijk volgens het gebruikelijke tempo voor een beroepsofficier. Vanaf zijn Londense werkzaamheden en de voorbereiding van het Militair Gezag volgden de hogere rangen sneller. De rangperioden moeten worden onderscheiden van zijn functies: zijn werk als chef van de Generale Staf eindigde in 1951, terwijl hij tot 1954 als generaal in militaire dienst bleef.
| Rang | Periode |
|---|---|
| Tweede luitenant der artillerie | 14 augustus 1922 – 14 augustus 1926 |
| Eerste luitenant der artillerie | 14 augustus 1926 – 1 mei 1938 |
| Kapitein der artillerie | 1 mei 1938 – 1942 |
| Majoor der artillerie | 1942 – januari 1943 |
| Kolonel der artillerie | 28 januari 1943 – september 1944 |
| Generaal-majoor | september 1944 – 1 november 1945 |
| Luitenant-generaal | 1 november 1945 – 1 mei 1949 |
| Generaal | 1 mei 1949 – 1 september 1954 |
Onderscheidingen
Kruls werd op 17 september 1946 benoemd tot Grootofficier in de Orde van Oranje-Nassau met de zwaarden. Daarnaast ontving hij buitenlandse onderscheidingen voor zijn samenwerking met de geallieerde strijdkrachten en zijn werk voor het Militair Gezag. Tot zijn decoraties behoorden Britse en Amerikaanse orden, het Franse Legioen van Eer en Croix de Guerre en Belgische orden. Deze onderscheidingen hielden verband met de ondersteuning van geallieerde operaties en het herstel van bestuur in bevrijd Nederland.
Een bewaard gebleven decoratiegesp van Kruls bevat tien batons. Daarop zijn de Orde van Oranje-Nassau, het Oorlogsherinneringskruis, het Officierskruis, de Inhuldigingsmedaille 1948, het Vierdaagsekruis, de Belgische Leopoldsorde en Kroonorde, de Amerikaanse Legion of Merit, het Franse Legioen van Eer en het Croix de Guerre vertegenwoordigd. De gesp bevindt zich in de collectie van het Nationaal Militair Museum.
Conclusie
Hendrik Johan Kruls doorliep een loopbaan waarin artillerie, recht, stafwerk en openbaar bestuur samenkwamen. Zijn voornaamste oorlogstaak was de voorbereiding en leiding van het Militair Gezag. Dat apparaat ondersteunde het bestuur van bevrijd Nederland, maar werkte binnen ingewikkelde verhoudingen met de regering, het geallieerde opperbevel, burgerlijke autoriteiten en de Binnenlandse Strijdkrachten. Kruls’ zelfstandige en directe optreden maakte snelle organisatie mogelijk en veroorzaakte tegelijk terugkerende bestuurlijke conflicten.
Na de oorlog leidde hij de Generale Staf en coördineerde hij vanaf 1949 de Verenigde Chefs van Staven. Met zijn eervolle maar gedwongen ontheffing in 1951 eindigden zijn hoogste militaire beleidsfuncties. Daarna werkte hij bij American Express en de KLM en legde hij zijn ervaringen vast in memoires. Zijn loopbaan besloeg daarmee de overgang van bezetting en bevrijding naar burgerlijk bestuur en een opnieuw opgebouwde krijgsmacht.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Willem van de Poll, CC0, via Wikimedia Commons
- Kruls, H.J. (1975). Generaal in Nederland: memoires H.J. Kruls. Bussum: Fibula-Van Dishoeck. ISBN 978-90-228-3985-0.
- Hoogenboezem, Jaap (2010). H.J. Kruls: een politieke generaal. Amsterdam: Boom. ISBN 978-90-8506-641-5.
- Lagrou, Pieter (2003). Mémoires patriotiques et Occupation nazie: résistants, requis et déportés en Europe occidentale, 1945–1965. Brussel: Éditions Complexe. ISBN 978-2-87027-843-7.
- Touwen-Bouwsma, Elly (2012). “Een politiek generaal en J.A. de Moor, Generaal Spoor. Triomf en tragiek van een legercommandant.” BMGN – Low Countries Historical Review, 127(3), recensie 51. E-ISSN 2211-2898; ISSN 0615-0505.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946










