De USS Maine (ACR-1) was een Amerikaans pantserschip dat op 15 februari 1898 na een zware ontploffing in de haven van Havana zonk. Daarbij kwamen 266 opvarenden om het leven. De ramp verscherpte de spanningen tussen de Verenigde Staten en Spanje. De precieze oorzaak is nooit onomstotelijk vastgesteld.
Ontwerp en constructie
De USS Maine kwam voort uit het Amerikaanse programma voor de vernieuwing van de marine in de jaren 1880. Het Congres gaf op 3 augustus 1886 toestemming voor de bouw, waarna marineconstructeur Theodore D. Wilson het ontwerp uitwerkte. Het schip werd aanvankelijk aangeduid als gepantserde kruiser nummer 1, maar bij de indienststelling gold het als een slagschip van de tweede klasse. Beide omschrijvingen weerspiegelen het overgangskarakter tussen een pantserschip en een vroeg slagschip.
De kiel werd op 17 oktober 1888 gelegd bij de New York Navy Yard in Brooklyn. De tewaterlating volgde op 18 november 1890, terwijl het schip pas op 17 september 1895 in dienst kwam. De bouw duurde lang door problemen met de levering van nikkelstalen pantserplaten en door een brand in de tekenkamer van de werf. Tijdens die vertraging veranderden de scheepsbouw, bewapening en zeetactiek zo snel dat nieuwere Amerikaanse slagschepen bij de voltooiing al een doelmatiger indeling hadden.
De Maine had een normale waterverplaatsing van 6.682 long tons, ongeveer 6.789 metrische ton. De lengte bedroeg 98,9 meter, de breedte 17,4 meter en de normale diepgang ongeveer 6,6 meter. De stalen romp was verdeeld in 214 waterdichte compartimenten en had over een deel van de lengte een dubbele bodem. Een ramsteven aan de boeg paste bij de toenmalige opvatting dat een oorlogsschip een tegenstander mogelijk ook door een aanvaring moest kunnen uitschakelen.
De voortstuwing bestond uit twee verticale drievoudige-expansiestoommachines die elk een schroef aandreven. Acht met steenkool gestookte Schotse ketels leverden de stoom, terwijl het ontworpen machinevermogen 9.293 indicateur-pk bedroeg. Tijdens proefvaarten haalde het schip 16,45 knopen, ongeveer 30,5 kilometer per uur, en bleef het onder de verlangde 17 knopen. De maximale voorraad van ongeveer 896 long tons steenkool beperkte het vaarbereik en maakte de Maine minder geschikt voor langdurige operaties op grote afstand.
Bewapening
De hoofdbewapening bestond uit vier 254 mm-kanonnen in twee hydraulisch bediende dubbeltorens. De voorste toren stond aan stuurboord en de achterste toren aan bakboord, beide buiten de middenlijn. Door deze geschrankte opstelling konden in theorie alle vier de kanonnen recht naar voren of naar achteren vuren. Dit leverde in die richtingen meer vuurkracht op dan een gebruikelijke middenlijnopstelling, maar de bovenbouw beperkte de schootsvelden en vuur over het eigen dek kon schade door mondingsdruk veroorzaken.
Zes afzonderlijk opgestelde 152 mm-kanonnen vormden de middelzware batterij en waren bedoeld voor doelen waarop de zware stukken te traag vuurden. Voor verdediging tegen kleine en snelle torpedoboten beschikte de Maine over zeven 57 mm-kanonnen en acht 37 mm-kanonnen. Vier Gatling-mitrailleurs konden tegen lichte doelen en bij landingsoperaties worden gebruikt. Daarnaast waren vier boven de waterlijn geplaatste torpedobuizen van 457 mm aanwezig, waarmee het schip op korte afstand torpedo’s kon afvuren.
Bepantsering
De belangrijkste bescherming bestond uit een gordel van nikkelstaal langs de waterlijn. Deze gordel was op het dikste punt 305 mm en liep aan de onderrand terug tot ongeveer 178 mm. Het beschermde gedeelte was ongeveer 54,9 meter lang en omvatte de machinekamers en de magazijnen voor de zware kanonnen. Het gepantserde dek was doorgaans 51 mm dik en nam op de schuine delen langs de zijkanten toe tot 76 mm.
De geschuttorens hadden wanden van 203 mm, terwijl de barbettes waarop zij rustten maximaal 305 mm pantser droegen. De commandotoren werd beschermd door 254 mm staal en het voorste dwarsschot van de pantsercitadel door 152 mm. Nikkelstaal bood bij het ontwerp een bruikbare bescherming, maar Harvey- en Krupppantser waren bij de voltooiing sterker bij een lager gewicht. De Maine miste bovendien voldoende pantser boven de centrale gordel tegen moderne snelvuurkanonnen en brisantgranaten.
Sensoren
De USS Maine bezat geen radar, sonar of elektronisch vuurleidingssysteem, omdat deze technieken in de jaren 1890 nog niet voor oorlogsschepen beschikbaar waren. Waarneming, navigatie en doelbepaling berustten op uitkijkposten, optische hulpmiddelen, kompassen en handmatige berekeningen. Zoeklichten maakten nachtelijke waarneming in beperkte mate mogelijk. Twee kleine dynamo’s leverden elektriciteit voor deze zoeklichten en voor de binnenverlichting, maar vormden geen zelfstandig systeem voor het opsporen van schepen, mijnen of torpedo’s.
Modificaties
Het oorspronkelijke ontwerp voorzag in drie masten en een beperkt zeiltuig als aanvullende voortstuwing bij machineproblemen. De achterste mast werd in 1892 verwijderd, waarna de Maine met twee militaire masten werd voltooid en nooit als volwaardig zeilschip voer. Ook veranderde de marine de open opstelling van de zware kanonnen tijdens de bouw in gesloten geschuttorens. Door het extra gewicht moesten deze torens lager worden geplaatst dan eerst was voorzien, waardoor zij bij zwaar weer dicht bij het water kwamen.
Na de indienststelling onderging het schip geen omvangrijke modernisering. Daarvoor was de actieve loopbaan van september 1895 tot februari 1898 te kort. Aanpassingen bleven hoofdzakelijk beperkt tot het oplossen van technische kinderziekten, het afregelen van de machines en het gereedmaken van bewapening en torpedobuizen. De fundamentele nadelen van de geschrankte torens, de beperkte steenkoolvoorraad en de verouderende pantserindeling konden zonder een ingrijpende verbouwing niet worden verholpen.
Status schip tijdens de oorlog
Bij de indienststelling was de USS Maine technisch inzetbaar, maar het ontwerp was operationeel verouderd. De bouw had bijna negen jaar geduurd, terwijl snelvurende artillerie, sterker pantser en een doelmatiger plaatsing van geschuttorens inmiddels de norm werden. De latere Amerikaanse Indiana-klasse beschikte over een zwaardere hoofdbewapening en een evenwichtiger opbouw. De Maine bleef daardoor bruikbaar voor oefeningen, aanwezigheidstaken en kustgebonden inzet, maar behoorde niet meer tot de modernste slagschepen.
De Maine nam niet deel aan gevechten tijdens de Spaans-Amerikaanse Oorlog. Het schip zonk ruim twee maanden voordat in april 1898 de oorlog tussen de Verenigde Staten en Spanje uitbrak. Tot de ramp was het wel een actief en onderhouden onderdeel van het North Atlantic Squadron. De uitzending naar Havana was een diplomatieke en beschermende aanwezigheidstaak tijdens de Cubaanse Onafhankelijkheidsoorlog, geen gevechtsopdracht tegen de Spaanse marine.
Operationele geschiedenis
Indienststelling en vlootdienst
De USS Maine werd op 17 september 1895 in Brooklyn in dienst gesteld onder kapitein Arent S. Crowninshield. In november voer het schip naar Sandy Hook en Newport voor verdere uitrusting, proefnemingen en het testen van de torpedobewapening. Daarna volgde een bezoek aan Portland in de staat Maine. Vervolgens sloot het pantserschip zich aan bij het North Atlantic Squadron voor oefeningen langs de Amerikaanse oostkust en in het Caribisch gebied.
De korte actieve loopbaan bestond grotendeels uit schietoefeningen, vlootmanoeuvres, onderhoud en bezoeken aan Amerikaanse havens. Norfolk diende geregeld als uitvalsbasis, terwijl de marine het schip ook vanuit Key West liet opereren. Op 10 april 1897 nam kapitein Charles Dwight Sigsbee het bevel over. Ondanks de verouderde indeling was de Maine volledig bemand en beschikbaar voor opdrachten toen de politieke situatie op Cuba begin 1898 verslechterde.
Zending naar Havana
In januari 1898 braken in Havana onlusten uit tussen voor- en tegenstanders van het Spaanse koloniale bestuur. President William McKinley besloot op 24 januari de Maine vanuit Key West naar Cuba te sturen om Amerikaanse burgers en belangen te beschermen en Amerikaanse aanwezigheid te tonen. Het schip arriveerde op 25 januari omstreeks 11.00 uur en kreeg ligplaats bij boei nummer 4. Om incidenten aan land te voorkomen, bleef het grootste deel van de bemanning tijdens het verblijf aan boord.
Ontploffing en verlies van het schip
Op 15 februari 1898 lag de Maine nog steeds afgemeerd in de haven van Havana. Omstreeks 21.40 uur verwoestte een zware ontploffing het voorste deel van de romp, waarna meerdere munitiemagazijnen ontploften. Meer dan vijf ton kruitladingen voor de zware en middelzware kanonnen raakte bij de reeks explosies betrokken. Het voorschip werd uiteengereten en het overblijvende deel zakte snel op de bodem van de ondiepe haven.
Veel matrozen bevonden zich in de verblijven in het voorschip en hadden nauwelijks gelegenheid om te ontsnappen. Kapitein Sigsbee en de meeste officieren overleefden doordat hun verblijven verder naar achteren lagen. De Amerikaanse stoomboot City of Washington, de Spaanse kruiser Alfonso XII en lokale Spaanse hulpverleners namen deel aan de redding. Volgens de gangbare officiële telling overleden 266 opvarenden door de ontploffing, verdrinking of later aan hun verwondingen.
Onderzoek en invloed op de oorlog
De regering-McKinley stelde kort na de ramp een marinecommissie in onder leiding van kapitein William T. Sampson. Getuigen, overlevenden en duikers werden gehoord, maar de commissie beschikte slechts beperkt over technisch gespecialiseerde onderzoekers. Op 21 maart 1898 concludeerde zij dat een mijn onder de romp een tweede ontploffing in de voorste magazijnen had veroorzaakt. De commissie wees geen verantwoordelijke persoon, organisatie of staat aan en leverde dus geen bewijs dat Spanje de mijn had geplaatst.
Spaanse onderzoekers kwamen in 1898 tot een andere uitkomst en beschouwden een interne brand als de meest aannemelijke oorzaak. De Amerikaanse commissie verwierp het idee dat broei in een steenkoolbunker het aangrenzende munitiemagazijn had verhit. Zij hield daarbij onvoldoende rekening met eerdere bunkerbranden op andere marineschepen en met een waarschuwing van 27 januari 1898 over juist dit gevaar. De naar binnen gebogen bodemplaten werden door de commissie gezien als het voornaamste bewijs voor een ontploffing buiten de romp.
Amerikaanse kranten brachten de ramp met grote koppen en wezen Spanje vaak aan voordat het onderzoek was voltooid. Vooral de New York Journal en de New York World gebruikten sensationele berichtgeving om de oorlogsstemming te versterken. De leus “Remember the Maine, to hell with Spain” werd een veelgebruikte oproep tot ingrijpen. De ramp droeg bij aan de publieke en politieke druk, maar de Cubaanse oorlog, Amerikaanse belangen en de mislukte diplomatie waren eveneens factoren bij het uitbreken van de oorlog in april 1898.
Latere onderzoeken naar de oorzaak
Na toestemming van het Congres liet de regering van president William Howard Taft vanaf 1910 een kofferdam rond het wrak bouwen. Nadat het water was weggepompt, kon een nieuwe commissie onder schout-bij-nacht Charles E. Vreeland de vervormde romp in 1911 rechtstreeks onderzoeken. Ook deze commissie meende dat een externe mijn de magazijnen had laten ontploffen, al plaatste zij de eerste ontploffing op een andere plek dan de commissie van 1898. Sommige betrokken deskundigen bleven een bunkerbrand als oorzaak beschouwen.
Admiraal Hyman G. Rickover liet de zaak vanaf 1974 opnieuw bestuderen door historici, scheepsconstructeurs en deskundigen op het gebied van explosies. Hun in 1976 gepubliceerde onderzoek vond geen technisch bewijs dat een mijn de ramp had ingeleid en wees op brand in steenkoolbunker A-16 naast het reservemagazijn voor 152 mm-munitie als waarschijnlijke bron. Een computermodel uit 1998 maakte een externe ontploffing opnieuw aannemelijker dan Rickovers onderzoekers hadden gesteld. Door het verloren bewijsmateriaal blijft een definitieve vaststelling onmogelijk.
Na de oorlog
Het wrak bleef na de Spaans-Amerikaanse Oorlog bijna veertien jaar in de haven van Havana liggen. Het nam ruimte in, verzamelde slib en bevatte nog stoffelijke resten van bemanningsleden. Op 9 mei 1910 stelde het Amerikaanse Congres geld beschikbaar voor verwijdering van het wrak, berging van de resten en overbrenging van de hoofdmast. Het Army Corps of Engineers bouwde een grote kofferdam, pompte het omsloten water weg en legde het hoofddek in 1911 droog.
Het verwoeste voorschip kon niet worden hersteld en werd tijdens de berging verwijderd. Ingenieurs sloten het overgebleven achterschip met een tijdelijk schot, maakten de romp drijvend en brachten haar buiten de haven. Op 16 maart 1912 werd het restant enkele kilometers voor de Cubaanse kust in diep water afgezonken. Daarmee kreeg de Maine een tweede en definitieve rustplaats, nadat het schip sinds februari 1898 als wrak in de haven had gelegen.
Een deel van de geborgen stoffelijke resten werd herbegraven op Arlington National Cemetery. De hoofdmast werd daar het middelpunt van het USS Maine Mast Memorial, dat op 30 mei 1915 door president Woodrow Wilson werd ingewijd. De voormast kwam bij de United States Naval Academy in Annapolis te staan. Andere onderdelen, waaronder kanonnen, scheepsbeslag en metaal uit het wrak, werden verdeeld over musea en gedenkplaatsen in de Verenigde Staten en Cuba.
Conclusie
De USS Maine vertegenwoordigde een overgangsfase in de modernisering van de Amerikaanse marine. Het schip combineerde zware bepantsering, stoommachines en geschuttorens met een torenopstelling en beschermingsschema die tijdens de lange bouwperiode verouderden. De Maine bleef na 1895 inzetbaar voor vlootoefeningen en aanwezigheidstaken, maar was geen gelijkwaardige tegenhanger van de nieuwere slagschepen. De operationele loopbaan duurde minder dan tweeënhalf jaar en eindigde zonder deelname aan een zeeslag.
De ontploffing van 15 februari 1898 maakte de Maine vooral van belang voor de politieke geschiedenis van de Verenigde Staten, Cuba en Spanje. De Amerikaanse onderzoeken van 1898 en 1911 kozen voor een mijn, terwijl Rickovers onderzoek een interne bunkerbrand waarschijnlijker achtte. Latere technische beoordeling bracht geen algemeen aanvaarde oplossing. Vaststaat dat de voorste magazijnen ontploften, 266 opvarenden omkwamen en de ramp de druk richting de Spaans-Amerikaanse Oorlog versterkte.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: https://www.navsource.net/archives/01/maine.htm, Public domain, via Wikimedia Commons
- Rickover, Hyman G. (1995). How the Battleship Maine Was Destroyed. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-55750-717-4.
- Reilly, John C. en Robert L. Scheina (1980). American Battleships 1886-1923: Predreadnought Design and Construction. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-524-7.
- Blow, Michael (1992). A Ship to Remember: The Maine and the Spanish-American War. New York: William Morrow & Co. ISBN 978-0-688-09714-1.
- Samuels, Peggy en Harold Samuels (1995). Remembering the Maine. Washington D.C.: Smithsonian Institution Press. ISBN 978-1-56098-474-0.
- Allen, Thomas B. (1998). A Special Report: What Really Sank the Maine? Naval History, 12(2), 30-39. ISSN 1042-1920.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800-1946










