
USS Nevada (BB-36) was het naam gevende schip van de Nevada-klasse en diende in beide wereldoorlogen. Het slagschip trad in 1916 in dienst bij de United States Navy. Het overleefde zware schade bij Pearl Harbor en keerde na berging en modernisering terug in actieve dienst. Daarna leverde het geschutsondersteuning bij Attu, Normandië, Zuid-Frankrijk, Iwo Jima en Okinawa.
Ontwerp en constructie
Nevada behoorde tot de eerste Amerikaanse slagschepen van het Standard Type. Het ontwerp combineerde oliegestookte ketels, tandwielgeschakelde turbines, driegeschuttorens en het zogenoemde all-or-nothing-bepantseringsschema. De hoofdbewapening stond in vier torens op de lengteas, zonder geschuttoren midscheeps. Daardoor konden gewicht, bepantsering en munitieopslag doelmatiger rond de vitale delen worden verdeeld.
Het schip was oorspronkelijk 177,7 meter lang, 29 meter breed en had een diepgang van ongeveer 8,7 meter. De oorspronkelijke waterverplaatsing bedroeg circa 27.500 long ton en nam na de verbouwingen toe tot ongeveer 30.500 long ton. Twaalf oliegestookte Yarrow-ketels voedden Curtis-stoomturbines die twee schroefassen aandreven en ongeveer 24.800 aspaardenkrachten leverden. De ontwerpsnelheid bedroeg 20,5 knopen en het bereik ongeveer 8.000 zeemijl bij 10 knopen.
Het Amerikaanse Congres gaf op 4 maart 1911 toestemming voor de bouw. Fore River Shipbuilding Company in Quincy legde de kiel op 4 november 1912, waarna de tewaterlating op 11 juli 1914 volgde. Tijdens de proefvaart in november 1915 bereikte Nevada 21,4 knopen en voldeed het brandstofverbruik aan de contracteisen. De United States Navy nam het slagschip op 11 maart 1916 in dienst.
Bewapening
De hoofdbatterij bestond uit tien 14-inch/45-kanonnen van 356 millimeter. Deze stonden in twee driegeschut- en twee dubbelgeschuttorens, met vijf lopen voor en vijf achter. De oorspronkelijke secundaire batterij omvatte 21 kanonnen van 5 inch/51, bedoeld tegen torpedoboten en lichte oppervlakteschepen. Negen laag geplaatste stukken verdwenen in 1918 omdat hun posities bij ruwe zee te nat waren. De oorspronkelijke uitrusting omvatte daarnaast twee 76-millimeter-luchtafweerkanonnen en twee of mogelijk vier onderwaterlanceerbuizen van 533 millimeter, omdat bronnen over het aantal torpedobuizen verschillen.
Na de verbouwing van 1942 droeg Nevada zestien 5-inch/38-kanonnen in acht gesloten dubbelaffuiten. Deze wapens konden zowel zee- als luchtdoelen bestrijden en werden geleid door vier Mark 37-directors. De luchtafweer omvatte aanvankelijk 32 Bofors-kanonnen van 40 millimeter in acht vierlingaffuiten en ongeveer veertig Oerlikon-kanonnen van 20 millimeter. De aantallen lichte luchtafweerwapens veranderden later door aanpassingen tijdens de oorlog.
Bepantsering
Nevada gebruikte het all-or-nothing-principe, waarbij zware bescherming werd geconcentreerd rond munitieruimten, machines, geschuttorens en commandoposten. De hoofdgordel was maximaal 343 millimeter dik, de dwarsschotten maximaal 330 millimeter en de barbettes maximaal 330 millimeter. De frontplaten van de hoofdgeschuttorens bereikten 457 millimeter, terwijl het centrale pantserdek oorspronkelijk 76 millimeter dik was. Minder kwetsbare delen kregen weinig of geen zware bepantsering om gewicht te besparen.
Bij de modernisering van 1927 tot 1930 kreeg het schip torpedobulten, extra dekbescherming en een grotere breedte. Deze maatregelen verbeterden de weerstand tegen onderwaterexplosies, maar konden niet alle zwakke punten van de oorspronkelijke indeling opheffen. Tijdens de aanval op Pearl Harbor verspreidde binnenstromend water zich via openingen en ventilatiekanalen naar achteren. De ervaringen met deze schade werden verwerkt in de berging, reparatie en daaropvolgende reconstructie.
Sensoren en dataverwerking
Bij de indienststelling beschikte Nevada niet over radar of sonar. Waarneming gebeurde met uitkijkposten, optische afstandsmeters en vuurleidingsinstrumenten die koers, afstand en eigen scheepsbeweging verwerkten. De hoofdartillerie werd centraal geleid vanuit verhoogde directors, waarna gegevens naar de reken- en geschutruimten gingen. Deze methode werkte bij goed zicht, maar bood geen zelfstandige waarneming achter duisternis, rook of bewolking.
Tijdens de wederopbouw in 1942 en de verdere aanpassingen in 1943 kreeg het schip een radaruitrusting voor luchtwaarschuwing, oppervlaktezoeking en vuurleiding. In de configuratie van 1944 stond een SK-luchtzoekradar op de voormast en waren SG-oppervlaktezoekradars op de topmasten geplaatst. De SK kon naderende formaties op grotere afstand waarnemen, terwijl de SG kleinere oppervlaktecontacten, kustlijnen en navigatiepunten nauwkeuriger weergaf. Radar vergrootte daardoor zowel de waarschuwingstijd als het vermogen om bij beperkt zicht te navigeren en doelen te volgen.
De twee hoofddirectors boven op de driepootmasten waren uitgerust met Mark 3-vuurleidingsradar voor de 14-inch-kanonnen. Vier Mark 37-directors voor de 5-inch/38-batterij gebruikten Mark 4-vuurleidingsradar naast optische waarneming bij lucht- en oppervlaktedoelen. Mark 1A-vuurleidingscomputers verwerkten afstand, peiling, koers, snelheid, wind en beweging van het eigen schip tot richtwaarden voor de kanonnen. De radar maakte de meetketen minder afhankelijk van zicht, maar menselijke waarneming, identificatie en controle bleven noodzakelijk.
In de latere oorlogsconfiguratie bevond zich een Combat Information Center, meestal afgekort tot CIC. Daar werden radarwaarnemingen, meldingen van uitkijkposten, radioverkeer en informatie over eigen eenheden samengebracht op tactische kaarten. Het CIC beoordeelde contacten en gaf bruikbare informatie door aan de brug, luchtverdediging en vuurleiding, zodat afzonderlijke sensoren deel werden van één informatiestroom. Deze werkwijze verbeterde het overzicht tijdens kustbombardementen en bij de verdediging tegen luchtaanvallen.
Voor kustbombardementen kwam aanvullende doelinformatie van verkenningsvliegtuigen en waarnemers aan land. Hun correcties bereikten het schip via radio en werden samen met kaarten, bekende coördinaten en waarnemingen van inslagen verwerkt. De vuurleidingsploegen konden daarmee doelen aanvallen die vanaf het schip niet rechtstreeks zichtbaar waren en volgende salvo’s gericht corrigeren. Tijdens Normandië vlogen de eigen artilleriewaarnemers tijdelijk met Supermarine Spitfires van VOS-7, omdat watervliegtuigen boven het invasiegebied kwetsbaar waren.
Nevada beschikte tijdens de oorlogsjaren niet over scheepssonar voor het zelfstandig opsporen van onderzeeboten. Het slagschip was niet ingericht als onderzeebootbestrijdingsschip en vertrouwde daarvoor op torpedobootjagers en andere escortes met sonar en dieptebommen. De eigen sensoren waren vooral gericht op luchtwaarschuwing, oppervlaktesituatie, navigatie en artillerievuurleiding. Radar maakte het schip vanaf 1943 beter inzetbaar; het CIC versterkte de centrale verwerking, terwijl snelheid en machines verouderd bleven.
Modificaties
De eerste grote modernisering vond plaats tussen augustus 1927 en januari 1930. De vakwerkmasten maakten plaats voor driepootmasten, zes Bureau Express-ketels vervingen de twaalf Yarrow-ketels en het schip kreeg turbines die eerder in USS North Dakota hadden gestaan. De elevatie van de 14-inch-kanonnen werd vergroot tot 30 graden, waardoor het maximale bereik tot ongeveer 31 kilometer steeg. Ook kwamen er torpedobulten, twee vliegtuigkatapulten voor drie Vought O2U-3 Corsair-verkenningsvliegtuigen, luchtafweerkanonnen en een gewijzigde bovenbouw.
Na Pearl Harbor werd Nevada bij Puget Sound Navy Yard herbouwd. De oude secundaire batterijen verdwenen ten gunste van zestien 5-inch/38-kanonnen, terwijl Bofors- en Oerlikon-wapens de korteafstandsluchtverdediging versterkten. De bovenbouw werd aangepast voor nieuwe directors, radarinstallaties, communicatievoorzieningen en het CIC. In 1943 volgden werkzaamheden in Norfolk en na de operaties in Frankrijk werden versleten hoofdkanonnen opnieuw bekleed of vervangen.
Status schip tijdens de oorlog
Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog was Nevada een slagschip van voor de Eerste Wereldoorlog met een lage snelheid, verouderde luchtafweer en een oudere vuurleidingsuitrusting. De modernisering uit de jaren twintig had bescherming, bereik en bedrijfszekerheid verbeterd, maar maakte het schip niet geschikt om snelle vliegdekschipverbanden te begeleiden. Het schip bleef door onderhoud in de vloot, maar Pearl Harbor toonde tekortkomingen in de waterdichte onderverdeling en luchtverdediging. De zware schade maakte vervolgens een ingrijpende reconstructie mogelijk.
Vanaf 1943 was Nevada bruikbaar als konvooiescorte en vooral als artillerieschip voor amfibische landingen. De vernieuwde secundaire batterij, sterkere luchtafweer, radar en dataverwerking pasten bij de eisen van deze ondersteunende taak. Door de aanwezigheid van een CIC voldeed het schip in de laatste oorlogsjaren aan de Amerikaanse norm voor het verzamelen en verspreiden van tactische informatie. Voor vlootgevechten met snelle verbanden bleef Nevada verouderd, maar voor kustbombardementen bleef het tot 1945 in gebruik.
Operationele geschiedenis
Eerste Wereldoorlog
Na de indienststelling oefende Nevada met de Atlantic Fleet vanuit Newport en Norfolk. Toen de Verenigde Staten in april 1917 aan de Eerste Wereldoorlog deelnamen, bleef het oliegestookte slagschip aanvankelijk in Amerikaanse wateren vanwege een tekort aan stookolie in Groot-Brittannië. Op 13 augustus 1918 vertrok het naar Europa en bereikte tien dagen later Berehaven in Bantry Bay, Ierland. Met USS Utah en USS Oklahoma vormde Nevada Battleship Division Six, die waardevolle konvooien tegen een mogelijke uitbraak van Duitse oppervlakteschepen moest beschermen.
Tot de wapenstilstand kwam het niet tot een gevecht met een Duitse tegenstander. In december 1918 behoorde Nevada tot de Amerikaanse slagschepen die het passagiersschip George Washington met president Woodrow Wilson naar Brest begeleidden. Wilson reisde naar Frankrijk voor de vredesconferentie van Parijs. Nevada keerde op 26 december 1918 terug in New York.
Tussenoorlogse jaren
In de jaren na de oorlog diende Nevada afwisselend bij de Atlantische en Pacifische vloot. Het schip vertegenwoordigde de Verenigde Staten in 1921 bij de herdenking van de Peruaanse onafhankelijkheid en bezocht in 1922 Rio de Janeiro voor het eeuwfeest van de Braziliaanse onafhankelijkheid. Tijdens een vlootreis naar Australië en Nieuw-Zeeland in 1925 demonstreerde de United States Navy haar vermogen om over de Stille Oceaan te opereren. Na de modernisering van 1927 tot 1930 bleef Nevada tot 1941 hoofdzakelijk bij de Pacific Fleet.
Pearl Harbor
Op 7 december 1941 lag Nevada alleen afgemeerd aan Battleship Row, waardoor het schip kon manoeuvreren zodra voldoende stoom beschikbaar was. Kort na het begin van de Japanse aanval trof een Type 91-torpedo de bakboordzijde, waarna lekkages een slagzij veroorzaakten. De bemanning corrigeerde die met tegenvloeding en kreeg het slagschip om 08.40 uur op gang. Nevada was daarmee het enige aanwezige Amerikaanse slagschip dat tijdens de aanval zijn ligplaats verliet.
Tijdens de vaart door de haven richtten Japanse duikbommenwerpers zich op het schip. Minstens zes bommen en één torpedo veroorzaakten branden, gaten in het voorschip en verdere overstromingen. Om zinken in dieper water en mogelijke hinder voor de vaargeul te voorkomen, werd Nevada bij Waipio Point aan de grond gezet. De aanval kostte 60 bemanningsleden het leven en verwondde 109 anderen.
De voortstuwing kon tijdig worden gebruikt doordat die ochtend een tweede ketel was ontstoken. Vaandrig Joe Taussig leidde vanaf zijn post het luchtafweervuur en de eerste bewegingen van het schip, terwijl de commandant aan wal was. Brandstofbranden rond toren 1 bedreigden het voorschip, maar de hoofdmagazijnen waren tijdelijk zonder kruitladingen. Na het stranden bleef Nevada vollopen en zakte het uiteindelijk op de bodem van de haven.
Herstel, Attu en Europa
Nevada werd op 12 februari 1942 vlotgebracht, tijdelijk hersteld en daarna naar Puget Sound gestuurd voor reparatie en modernisering. In oktober 1942 waren de voornaamste werkzaamheden voltooid en in mei 1943 ondersteunde het schip de herovering van Attu met artillerievuur. Daarna volgden aanvullende aanpassingen in Norfolk en konvooidiensten op de Atlantische Oceaan. In april 1944 bereikte Nevada Groot-Brittannië ter voorbereiding op de landing in Normandië.
Op 6 juni 1944 opende het slagschip het vuur op Duitse stellingen bij Utah Beach. Tot 17 juni en opnieuw op 25 juni bestookte het kustbatterijen, troepenconcentraties en tegenaanvallen op het schiereiland Cotentin. Sommige doelen lagen ongeveer 31 kilometer landinwaarts, terwijl Duits tegenvuur herhaaldelijk rond het schip insloeg zonder Nevada te treffen. Het schip diende tijdens deze operatie als vlaggenschip van schout-bij-nacht Morton Deyo.
Voor Operatie Dragoon verplaatste Nevada zich naar de Middellandse Zee. Van 15 augustus tot 25 september 1944 ondersteunde het de landingen in Zuid-Frankrijk en beschoot het versterkte geschut bij Saint-Mandrier en Toulon. Op 23 augustus vuurde Nevada tijdens een gevecht van ongeveer zes en een half uur 354 salvo’s af op de kuststelling die bekendstond als Big Willie. Na deze campagne voer het naar New York voor herstel van de versleten lopen.
Iwo Jima en Okinawa
Na de werkzaamheden keerde Nevada terug naar de Stille Oceaan en begon op 16 februari 1945 met het bombarderen van Iwo Jima. Het bleef daar tot 7 maart en naderde de kust soms tot ongeveer 550 meter om Amerikaanse grondtroepen te ondersteunen. Vanaf 24 maart nam Nevada als onderdeel van Task Force 54 deel aan de voorbereidende beschieting van Okinawa. De doelen omvatten vliegvelden, kustverdediging, opslagplaatsen en Japanse troepenposities.
Op 27 maart trof een kamikaze het dek naast geschuttoren 3, waarbij elf mensen omkwamen en 49 gewond raakten. De aanval schakelde twee 14-inch-kanonnen en drie 20-millimeterkanonnen uit, maar Nevada bleef deelnemen aan de operatie. Op 5 april doodde Japans kustgeschut nog twee bemanningsleden. Na inzet bij Okinawa sloot het slagschip zich in juli bij de Third Fleet aan, zonder de Japanse hoofdeilanden zelf te beschieten.
Na de oorlog
Na een korte bezettingsdienst in de Baai van Tokio keerde Nevada terug naar Pearl Harbor. De marine achtte het ruim 32 jaar oude schip ongeschikt voor de naoorlogse actieve vloot en wees het aan als doelschip voor Operation Crossroads. Voor proef Able van 1 juli 1946 werd het rood-oranje geschilderd, maar de atoombom ontplofte ongeveer 650 meter van het mikpunt. Nevada bleef ook na de onderwaterproef Baker van 25 juli drijven, hoewel het schip zwaar beschadigd en radioactief besmet raakte.
De United States Navy stelde Nevada op 29 augustus 1946 buiten dienst. Op 31 juli 1948 werd het ongeveer 65 zeemijl ten zuidwesten van Pearl Harbor als artilleriedoel gebruikt en uiteindelijk met een vliegtuigtorpedo tot zinken gebracht. In mei 2020 lokaliseerde een gezamenlijke expeditie het wrak op ongeveer 4.700 meter diepte. De romp ligt ondersteboven, met afgebroken delen van de bovenbouw en hoofdgeschuttorens verspreid over het omliggende wrakveld.
SEO-titel: USS Nevada (BB-36): Amerikaans slagschip 1916-1946
Samenvatting: USS Nevada diende in twee wereldoorlogen, overleefde Pearl Harbor en ondersteunde geallieerde landingen met gemoderniseerde bewapening, radar en nauwkeurige vuurleiding.
Meta-omschrijving: Geschiedenis, techniek en oorlogsdienst van USS Nevada, van de bouw en Pearl Harbor tot Normandië en Bikini.
Slug: uss-nevada-bb-36-amerikaans-slagschip-1916-tot-1946
Conclusie
USS Nevada verbond een ontwerp uit het dreadnoughttijdperk met de technische eisen van de Tweede Wereldoorlog. Het oorspronkelijke concept met oliebrandstof, driegeschuttorens en geconcentreerde bepantsering beïnvloedde latere Amerikaanse slagschepen. In 1941 waren snelheid, luchtafweer en delen van de vuurleiding verouderd, maar de reconstructie voegde moderne secundaire bewapening, radar en een Combat Information Center toe. Door radar en een CIC voldeed Nevada in de laatste oorlogsjaren aan de militaire informatienorm van 1943. De lage snelheid en oude voortstuwing beperkten het schip wel tot escorte en kustbombardementen.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: US Navy, Public domain, via Wikimedia Commons
- Cox, Ormund L. (1916). “U.S.S. Nevada; Description and Trials”. Journal of the American Society of Naval Engineers, 28, 20–54. DOI 10.1111/j.1559-3584.1916.tb00598.x.
- Hone, Thomas C.; Friedman, Norman (1981). “Innovation and Administration in the Navy Department: The Case of the Nevada Design”. Military Affairs, 45(2), 57–62. DOI 10.2307/1986962. JSTOR 1986962.
- Brennan, Michael L.; Delgado, James P.; Ferreiro, Larrie D.; Broussard, Josh; Arbuthnot, Michael (2022). “Discovery and Initial Documentation of USS Nevada (BB-36): An Artifact of Two World Wars and the Advent of the Cold War”. Journal of Maritime Archaeology, 17(1), 93–129. DOI 10.1007/s11457-022-09324-5.
- Friedman, Norman (2016). US Battleships: An Illustrated Design History. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-247-8.
- Bonner, Kermit (1996). Final Voyages. Paducah: Turner Publishing Company. ISBN 978-1-56311-289-8.
- Breyer, Siegfried (1973). Battleships and Battle Cruisers 1905–1970. New York: Doubleday and Company. ISBN 978-0-385-07247-2.
- Campbell, John (1985). Naval Weapons of World War Two. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-459-2.
- Frank, Richard B. (1999). Downfall: The End of the Imperial Japanese Empire. New York: Penguin Books. ISBN 978-0-14-100146-3.
- Friedman, Norman (1978). Battleship Design and Development 1905–1945. London: Conway Maritime Press. ISBN 978-0-85177-135-9.
- Friedman, Norman (1985). U.S. Battleships: An Illustrated Design History. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-715-9.
- Gardiner, Robert; Gray, Randal (red.) (1985). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1906–1921. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-907-8.
- Gardiner, Robert; Chesneau, Roger (red.) (1980). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1922–1946. New York: Mayflower Books. ISBN 978-0-8317-0303-5.
- Halpern, Paul G. (1995). A Naval History of World War I. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-55750-352-7.
- Lord, Walter (2001). Day of Infamy. New York: Henry Holt and Company. ISBN 978-0-8050-6803-0.
- Miller, Edward S. (1991). War Plan Orange: The U.S. Strategy to Defeat Japan, 1897–1945. Annapolis: United States Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-759-3.
- Miller, Nathan (1997). U.S. Navy: A History. Annapolis: United States Naval Institute Press. ISBN 978-1-55750-595-8.
- Morison, Samuel Eliot (2002). Victory in the Pacific. Urbana: University of Illinois Press. ISBN 978-0-252-07065-5.
- Morison, Samuel Loring; Polmar, Norman (2003). The American Battleship. St. Paul: Zenith Press. ISBN 978-0-7603-0989-6.
- Prange, Gordon W.; Goldstein, Donald M.; Dillon, Katherine V. (1988). December 7, 1941: The Day the Japanese Attacked Pearl Harbor. New York: McGraw-Hill. ISBN 978-0-07-050682-4.
- Prange, Gordon W.; Goldstein, Donald M.; Dillon, Katherine V. (1991). At Dawn We Slept. New York: Penguin Books. ISBN 978-0-14-015734-5.
- Venzon, Anne Cipriano; Miles, Paul L. (1999). The United States in the First World War: An Encyclopedia. New York: Taylor & Francis. ISBN 978-0-8153-3353-1.
- Wallin, Homer N. (1968). Pearl Harbor: Why, How, Fleet Salvage and Final Appraisal. Washington: Department of the Navy. ISBN 978-0-89875-565-7.
- Worth, Richard (2002). Fleets of World War II. Cambridge: Da Capo Press. ISBN 978-0-306-81116-6.
- Zimm, Alan D. (2011). Attack on Pearl Harbor: Strategy, Combat, Myths, Deceptions. Havertown: Casemate Publishers. ISBN 978-1-61200-010-7.
- Pater, Alan F. (1968). United States Battleships: The History of America’s Greatest Fighting Fleet. Beverly Hills: Monitor Book Company. ISBN 978-0-917734-07-6.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









