Willem Pieter Landzaat was een Nederlandse infanterieofficier en commandant van I-8 R.I. tijdens de Slag om de Grebbeberg. Hij werd op 7 april 1886 in Leiden geboren en sneuvelde op 13 mei 1940 bij Rhenen. Landzaat leidde de verdediging van zijn omsingelde commandopost. In 1946 werd hij postuum benoemd tot Ridder der vierde klasse in de Militaire Willems-Orde.
Vroege leven en opleiding
Willem Pieter Landzaat werd geboren als zoon van Willem Landzaat en Helena Maria du Croix. Zijn vader werkte in Leiden als hoofdinspecteur van politie. Over zijn schooltijd is weinig vastgelegd, maar zijn keuze voor een loopbaan bij de landmacht stond vroeg vast. In 1905 werd hij toegelaten tot de Koninklijke Militaire Academie in Breda, waar hij de opleiding voor officier van de infanterie volgde.
De opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie combineerde algemene militaire vorming met tactiek, terreinleer, krijgstucht en praktische voorbereiding op het bevel over infanteristen. Landzaat voltooide deze opleiding in 1909 en werd op 15 september van dat jaar aangesteld als tweede luitenant. Zijn eerste bekende plaatsing was bij het 10e Regiment Infanterie. Op 15 september 1913 volgde zijn bevordering tot eerste luitenant.
Deelname aan de Eerste Wereldoorlog
Landzaat diende tijdens de Eerste Wereldoorlog als eerste luitenant in de Nederlandse landmacht. Nederland bleef tussen 1914 en 1918 neutraal, maar mobiliseerde zijn strijdkrachten om de grenzen en de neutraliteit te bewaken. Daardoor nam hij niet deel aan gevechten aan een buitenlands front. Zijn dienst in deze periode bestond binnen het gemobiliseerde leger uit de taken die aan een beroepsofficier van de infanterie waren toegewezen.
De langdurige mobilisatie stelde hoge eisen aan opleiding, bewaking, huisvesting en discipline binnen de krijgsmacht. Voor Landzaat betekenden deze jaren voortzetting van zijn loopbaan in een leger dat wel gereed moest zijn voor oorlog, maar niet daadwerkelijk aan de strijd deelnam. Hij behield de rang van eerste luitenant gedurende de gehele oorlog. Pas op 1 mei 1927 werd hij bevorderd tot kapitein.
Interbellum: loopbaan als beroepsofficier
Landzaat vervulde in het interbellum verschillende functies bij de infanterie en binnen de militaire organisatie. Hij diende onder meer bij het 7e Regiment Infanterie in Amsterdam en werd in 1930 geplaatst bij het 13e Regiment Infanterie in Maastricht. Daar werkte hij als adjudant van de garnizoenscommandant. Vervolgens was hij korte tijd instructeur aan de Koninklijke Militaire Academie en vervulde hij een functie bij het departement in Den Haag.
Op 19 juli 1923 trouwde Landzaat in Amsterdam met Wilhelmina Gerharda van den Nieuwenhuizen. Hun zoon Willem Gerard werd in 1925 geboren. De overplaatsingen van Landzaat brachten het gezin onder meer naar Amsterdam, Maastricht en Den Haag. Zijn militaire loopbaan bleef gericht op de infanterie, hoewel hij geen opleiding aan de Hogere Krijgsschool volgde.
Landzaat werd op 1 februari 1937 bevorderd tot majoor en kreeg het bevel over het 1e Bataljon van het 8e Regiment Infanterie. Het regiment had in vredestijd zijn garnizoen in Arnhem. Als bataljonscommandant was hij verantwoordelijk voor opleiding, discipline en inzetbaarheid van zijn compagnieën. In 1939 ontving hij het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als Officier met het cijfer XXX, dat stond voor dertig jaar officiersdienst.
Na de algemene mobilisatie van augustus 1939 werd het 8e Regiment Infanterie ingezet in de Grebbelinie. I-8 R.I. kreeg de verdediging van de Grebbeberg toegewezen, binnen het vak van de IVe Divisie. Landzaat liet de stellingen voorbereiden, bezocht onderdelen van zijn bataljon en benadrukte dat de aangewezen posities moesten worden behouden. In zijn sector was geen volledig ingerichte opvolgende stelling beschikbaar waarheen het bataljon als geheel kon teruggaan.
Deelname aan de Tweede Wereldoorlog
De verdediging van de Grebbeberg
De Grebbeberg vormde een kwetsbaar deel van de Grebbelinie, omdat het hoger gelegen terrein niet door inundaties kon worden afgesloten. Het 8e Regiment Infanterie verdedigde daarom de toegangsroute van Wageningen naar Rhenen. Landzaats bataljon bezette delen van de frontlijn en de daarachter gelegen stoplijn aan weerszijden van de Grebbeweg. Een compagnie verdedigde het hoornwerk bij de toegang tot de berg, terwijl andere onderdelen verder westwaarts waren opgesteld.
De frontlijn moest de eerste aanval op de hoofdweerstandsstrook opvangen, terwijl de stoplijn een doorbraak binnen die strook moest afgrendelen. Landzaats commandopost bevond zich direct achter de stoplijn in Het Paviljoen, een horecagebouw bij de ingang van Ouwehands Dierenpark. Het gebouw bood ruimte voor bevelvoering en verbindingen, maar was niet ontworpen als versterkte gevechtsopstelling. Daardoor was het bij een doorbraak kwetsbaar voor vuur van infanteriewapens en licht geschut.
De Duitse aanval van 10 tot en met 12 mei
Op 10 mei 1940 viel Duitsland Nederland binnen. De Duitse 207. Infanterie-Division rukte na de overgang van de IJssel in westelijke richting op, met SS-Standarte Der Führer in de voorhoede. De eenheden bereikten het gebied bij Wageningen en bereidden een aanval op de Grebbelinie voor. De Nederlandse bezetting op de Grebbeberg kreeg die dag nog geen rechtstreekse hoofdaanval te verwerken.
Op 11 mei openden Duitse artillerie en SS-eenheden de aanval op de voorpostenstrook tussen Wageningen en de hoofdweerstand. De verspreid opgestelde Nederlandse troepen kampten met beperkte waarneming en verbindingen, waardoor de onderlinge bevelvoering steeds moeilijker werd. In de loop van de dag gingen de voorposten verloren. Daarmee konden de Duitse eenheden de frontlijn aan de voet van de Grebbeberg naderen.
Op 12 mei volgde een artilleriebeschieting op de Nederlandse stellingen, waarna SS-eenheden de frontlijn aanvielen. Toen aan Landzaat werd gemeld dat een stelling door het vuur tot puin werd geschoten, gaf hij het bevel: “Achter de puinhopen standhouden.” De frontlijn werd die middag doorbroken en Duitse groepen drongen de hoofdweerstandsstrook binnen. Een deel bereikte later ook de omgeving achter de stoplijn, waardoor de Nederlandse verdediging zowel van voren als van achteren werd bedreigd.
Landzaat probeerde gedurende 12 mei contact met zijn compagnieën en zijn regimentscommandant te behouden. Hij gaf bevelen voor plaatselijke tegenacties en ondersteunde de inzet van versterkingen, maar de versnipperde toestand maakte samenhangend optreden steeds moeilijker. Telefoonlijnen vielen uit of bereikten onderdelen die hun stellingen al hadden verlaten. In de nacht van 12 op 13 mei was niet meer duidelijk waar alle Nederlandse en Duitse groepen zich bevonden.
De doorbraak van de stoplijn
In de nacht nam het Duitse Infanterie-Regiment 322 de voorste posities op de berg grotendeels over van de SS-eenheden. Op 13 mei hervatte de Duitse infanterie de aanval in de richting van Rhenen. Nederlandse verdedigers sloegen aanvallen af, maar op verschillende plaatsen drongen Duitse groepen door de stoplijn. De commandopost van Landzaat kwam daardoor in het voorste gevechtsgebied te liggen.
Een door Landzaat opgesteld bericht van 13 mei om 8.15 uur laat zien dat hij de toestand nog aan zijn regimentscommandant doorgaf. Hij meldde dat de vijand tegenover de stoplijn lag en dat kleine afdelingen met infanteriegeschut waren doorgedrongen. Ook bevonden zich volgens het bericht schutters in bomen tegenover zijn commandopost. De bezetting van de post had op dat moment een Duitse groep teruggedreven.
In de loop van de ochtend viel de samenhang van de stoplijn in het vak van I-8 R.I. verder uiteen. Militairen uit verlaten of doorbroken stellingdelen kwamen bij Het Paviljoen terecht, evenals enkele officieren en verbindingsmilitairen. Zo ontstond een tijdelijke bezetting van ongeveer zestien man met geweren, karabijnen, pistolen en een lichte mitrailleur. Landzaat besloot het gebouw als verdedigingspunt te blijven gebruiken.
De verdediging van de commandopost
Landzaat organiseerde een verdediging rondom Het Paviljoen toen Duitse militairen het gebouw naderden. Hij verdeelde schutters over de begane grond en de verdieping en wees hun afzonderlijke vuursectoren toe. De lichte mitrailleur werd achter een tafel opgesteld, zodat vanuit het gebouw op naderende troepen kon worden gevuurd. Landzaat nam zelf met de beschikbare vuurwapens aan de verdediging deel.
De Duitse aanvallers brachten zware mitrailleurs en licht infanteriegeschut in stelling toen het verzet vanuit het paviljoen aanhield. Het gebouw werd van meerdere zijden beschoten en bood de bezetting steeds minder bescherming. Enkele verdedigers sneuvelden of raakten gewond, terwijl de voorraad munitie afnam. Door brand en instortende delen van het gebouw werd het vasthouden van de post uiteindelijk onmogelijk.
Toen nog vier militairen bij hem waren en de munitie vrijwel was verbruikt, gaf Landzaat hun toestemming de commandopost te verlaten. Daarbij sprak hij de woorden: “Jullie hebben als helden gestreden, mijn dank.” De overlevenden probeerden daarna de eigen troepen te bereiken. Landzaat bleef bij de post achter en sneuvelde op 13 mei 1940, maar de precieze omstandigheden van zijn laatste ogenblikken zijn niet door een ooggetuige vastgesteld.
Na de oorlog
Na de gevechten werden stoffelijke resten bij het verwoeste en uitgebrande paviljoen aangetroffen. Wilhelmina Landzaat-van den Nieuwenhuizen zocht op 17 mei 1940 zelf bij de voormalige commandopost en herkende resten van haar echtgenoot aan zijn trouwring. Landzaat werd begraven op het Militair Ereveld Grebbeberg in Rhenen. Zijn graf bevindt zich in rij 5, graf 37.
De plaats van de commandopost bleef na 1940 verbonden met de herinnering aan Landzaat en de andere verdedigers van Het Paviljoen. Zijn weduwe verwierf tijdens de bezetting de grond waarop het gebouw had gestaan en liet daar een woning bouwen. Op de plek waar zijn resten waren aangetroffen, kwam een gedenkteken. Ook binnen de herdenking van het 8e Regiment Infanterie kreeg zijn optreden een vaste plaats.
Op 9 mei 1946 werd Landzaat bij Koninklijk Besluit nummer 6 postuum benoemd tot Ridder der vierde klasse in de Militaire Willems-Orde. De benoeming was gebaseerd op zijn bevelvoering onder moeilijke omstandigheden, zijn persoonlijke deelname aan de verdediging en zijn besluit zijn post te blijven verdedigen. De orde kent als maatstaf de eigenschappen moed, beleid en trouw. Landzaats benoeming legde zijn optreden daarmee vast in een formeel militair oordeel.
Militaire Rangen
Landzaats loopbaan bij de infanterie liep van zijn opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie tot zijn bataljonscommando in 1940. Hij bleef na iedere bevordering meerdere jaren in dezelfde rang en bereikte in 1937 de rang van majoor. Zijn bevorderingen volgden de formele loopbaan van een beroepsofficier bij de infanterie. De vastgelegde bevorderingsdata zijn:
Tweede luitenant der infanterie: 15 september 1909
Eerste luitenant der infanterie: 15 september 1913
Kapitein der infanterie: 1 mei 1927
Majoor der infanterie: 1 februari 1937
Onderscheidingen
Landzaat ontving tijdens en na zijn loopbaan drie officiële Nederlandse onderscheidingen. Het onderscheidingsteken voor langdurige dienst hield verband met zijn aantal jaren als officier. Het Oorlogsherinneringskruis verwees naar zijn inzet tijdens de oorlog van mei 1940. De Militaire Willems-Orde was een afzonderlijke dapperheidsonderscheiding en werd eveneens na zijn dood toegekend.
Ridder der vierde klasse in de Militaire Willems-Orde, postuum toegekend op 9 mei 1946
Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als Officier met het cijfer XXX, toegekend in 1939
Oorlogsherinneringskruis, postuum uitgereikt in 1947
De officiële mutatie bij Landzaats benoeming beschreef de gronden voor het Koninklijk Besluit. De tekst noemde zijn bevelvoering over het bataljon, de verdediging van de commandopost en zijn persoonlijke deelname aan het vuurgevecht. Ook vermeldde de mutatie dat hij vermoedelijk op 13 mei als laatste op zijn post sneuvelde. In de toenmalige spelling luidde de tekst:
Heeft zich op 13 Mei 1940 op den Grebbeberg onderscheiden door buitengewonen moed en trouw en door de uitstekende beleidvolle wijze, waarop hij onder de moeilijkste omstandigheden, het bevel over zijn bataljon heeft gevoerd. Toen de vijand de stoplijn doorbroken had en de Commandopost aanviel, heeft hij op krachtdadige wijze de verdediging daarvan gevoerd en zelf hieraan medegewerkt door met een vuurwapen op de aanvallers te schieten. Als een dapper soldaat heeft hij tot het uiterste zijn post verdedigd, totdat hij, als eenig overblijvende op zijn post, vermoedelijk in den loop van 13 Mei is gesneuveld.
Conclusie
Willem Pieter Landzaat doorliep van 1905 tot 1940 een loopbaan als beroepsofficier van de Nederlandse infanterie. Als commandant van I-8 R.I. was hij verantwoordelijk voor de verdediging van de Grebbeberg tijdens de Duitse inval. Nadat de frontlijn en stoplijn waren doorbroken, zette hij de verdediging vanuit zijn commandopost voort. Daar sneuvelde hij op 13 mei 1940.
Zijn laatste optreden is vastgelegd in vroege getuigenverklaringen, zijn eigen situatierapport en de naoorlogse beoordeling voor de Militaire Willems-Orde. Deze bronnen bevestigen dat hij de verdediging organiseerde, zelf aan het vuurgevecht deelnam en bij de commandopost achterbleef. Over de exacte wijze waarop hij stierf bestaat geen rechtstreeks getuigenverslag. De postume onderscheiding berustte daarom op gedocumenteerde bevelvoering en handelen, niet op onbevestigde bijzonderheden over zijn laatste ogenblikken.
Bronnen en meer informatie
Nierstrasz, V.E. (1940). Hoe majoor W.P. Landzaat, commandant van I-8 R.I., op 13 mei 1940 op den Grebbeberg sneuvelde. De Militaire Spectator, jaargang 109, 366–369 en 432–433. ISSN 0026-3869.
Amersfoort, Herman en Piet Kamphuis (red.) (2012). Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. Amsterdam: Boom. ISBN 978-94-6105-702-0.
Brongers, E.H. (2002). Grebbelinie 1940. Soesterberg: Uitgeverij Aspekt. ISBN 978-90-5911-083-0.









