
De Myōkō was het eerste schip van de Myōkō-klasse zware kruisers van de Keizerlijke Japanse Marine. Het schip werd ontworpen onder de beperkingen van het Washington Naval Treaty en vernoemd naar de berg Myōkō in de prefectuur Niigata. Met een bewapening die bij oplevering tot de zwaarste ter wereld behoorde voor een kruiser, nam Myōkō deel aan meerdere grote operaties in de Tweede Wereldoorlog, waaronder gevechten in de Filipijnen, de Javazee, de Koraalzee en Leyte. Tijdens haar loopbaan onderging het schip meerdere moderniseringen en reparaties, maar eindigde de oorlog zwaar beschadigd en werd na de Japanse capitulatie tot zinken gebracht.
Ontwerp en constructie
Myōkō werd ontworpen door viceadmiraal en scheepsontwerper Yuzuru Hiraga. Het schip werd gebouwd bij het Yokosuka Naval Arsenal, kiel gelegd op 25 oktober 1924, te water gelaten op 16 april 1927 en op 31 juli 1929 in dienst genomen. Het oorspronkelijke ontwerp hield rekening met het Washington Naval Treaty, met een standaardverplaatsing van 10.000 ton. De uiteindelijke verplaatsing kwam na moderniseringen boven 15.000 ton uit. Myōkō was 203,8 meter lang, had een breedte van 19,5 meter, een diepgang van 6,36 meter en haalde een snelheid van 35,5 knopen via 12 Kampon-boilers en vier sets stoomturbines met vier schroefassen.
Bewapening
Bij indienststelling beschikte Myōkō over tien 20 cm/50 3rd Year Type kanonnen in vijf dubbeltorens, acht 12,7 cm/40 Type 89 kanonnen, twaalf 610 mm torpedobuizen in vier drievoudige opstellingen, en drie verkenningswatervliegtuigen met een katapult. Gedurende de oorlog werd de luchtafweer uitgebreid tot 52 Type 96 25 mm luchtafweerkanonnen en twee 13,2 mm mitrailleurs.
Bepantsering
Het schip had een zijpantsergordel van 102 mm en een gepantserd dek van 35 mm. De geschutstorens hadden pantserdiktes tot 25 mm en de barbettes tot 75 mm. De commandotoren was niet bepantserd.
Sensoren en dataverwerking
Tijdens de vroege dienstperiode van de Myōkō waren de detectiemiddelen beperkt tot optische observatie en traditionele vuurleidingssystemen. Deze bestonden uit optische afstandsmeters, periscopen voor doelbepaling en mechanische vuurleidingscomputers die gegevens doorgaven aan de geschutbemanning. In de jaren dertig was dit de standaarduitrusting voor zware kruisers in de Keizerlijke Japanse Marine, maar tegen 1942 werd de noodzaak van elektronische detectie steeds duidelijker.
Vanaf 1943 kreeg de Myōkō een Type 21 luchtzoekradar, werkend op meterbandfrequenties en hoofdzakelijk bedoeld voor het detecteren van vijandelijke vliegtuigen op middellange afstand. Deze radar had een beperkt bereik en nauwkeurigheid vergeleken met geallieerde systemen, en kon geen gedetailleerde koers- of hoogte-informatie geven. Kort daarop werd een Type 22 oppervlakte zoekradar geïnstalleerd, bedoeld voor het lokaliseren van oppervlakteschepen en het ondersteunen van torpedolanceringen bij nacht. De Type 22 had een grotere precisie dan de Type 21, maar een korter bereik.
Voor onderzeebootdetectie beschikte het schip over passieve hydrofoons en een beperkte sonarinstallatie. Deze systemen waren hoofdzakelijk defensief en effectief binnen korte afstanden, vaak minder dan enkele kilometers, en afhankelijk van gunstige omstandigheden zoals rustige zeeën.
Er was geen volwaardig Combat Information Center aan boord, zoals ontwikkeld door de Amerikaanse marine. In plaats daarvan werden radargegevens en visuele waarnemingen lokaal verwerkt bij de respectieve wapensystemen of direct op de brug. Dit betekende dat er geen centrale coördinatieplaats was waar informatie uit verschillende sensoren in real-time werd samengebracht voor tactische besluitvorming. Hierdoor kon de Myōkō, zeker vanaf 1943, minder effectief reageren op complexe dreigingen zoals gecombineerde lucht- en oppervlakteaanvallen, en had zij een achterstand ten opzichte van geallieerde schepen die wel over geïntegreerde commandocentra beschikten.
Modificaties
Tijdens de jaren 1930 werden de vaste drievoudige torpedolanceerders vervangen door draaibare viervoudige lanceerders, en werden de secundaire kanonnen vervangen door zwaardere 12,7 cm Type 89-luchtafweerkanonnen. In 1941 werd de torpedobewapening uitgebreid tot zestien lanceerbuizen en werd extra luchtafweer toegevoegd. Rompbulges werden aangebracht voor stabiliteit. Na 1943 kwamen radarinstallaties en extra luchtafweer bij.
Status schip tijdens de oorlog
Hoewel technisch krachtig bij oplevering, maakte het ontbreken van een CIC en moderne luchtafweersystemen dat Myōkō vanaf 1943 in vergelijking met geallieerde schepen verouderd was. Onderhoud en reparaties werden regelmatig uitgevoerd, maar structurele ontwerpbeperkingen bleven aanwezig.
Operationele geschiedenis
Vroege dienst en Sino-Japanse oorlog
In de jaren dertig maakte de Myōkō deel uit van de Sasebo Naval District en was zij ingedeeld bij Sentai-4 van de Derde Vloot. Het schip nam in 1932 deel aan het Eerste Shanghai-incident, waarbij zij transporten van troepen van het Keizerlijke Japanse Leger begeleidde. Na de komst van de Takao-klasse kruisers werd Myōkō in 1932 overgeplaatst naar Sentai-5. Tijdens de Tweede Chinees-Japanse Oorlog was Myōkō in mei 1938 vlaggenschip van Sentai-9 tijdens de Amoy-operatie en in februari 1939 actief bij de bezetting van Hainan.
Invasie van de Filipijnen
Bij het uitbreken van de oorlog in de Grote Oceaan op 8 december 1941 maakte Myōkō deel uit van Sentai-5 samen met Nachi, onder bevel van viceadmiraal Takeo Takagi. Vanuit Palau leverde zij dekking voor landingen op de zuidelijke Filipijnen in het kader van Operatie M. Op 11 december werden troepen geland bij Legaspi, gevolgd door acties bij Davao en Jolo. Op 4 januari 1942 werd Myōkō, tijdens ankerliggen bij Davao, getroffen door een 500-pondsbom van een Amerikaanse B-17, waarbij twintig doden en tientallen gewonden vielen. Zij werd naar Sasebo gestuurd voor herstelwerkzaamheden.
Slag in de Javazee
Op 1 maart 1942 nam Myōkō deel aan de afsluitende fase van de Slag in de Javazee. Samen met Ashigara en enkele torpedobootjagers bracht zij HMS Encounter tot zinken, terwijl andere eenheden HMS Exeter uitschakelden. De inzet van zware artillerie en torpedo’s droeg bij aan de vernietiging van de resterende geallieerde oppervlaktestrijdkrachten in Nederlands-Indië. Kort daarna keerde Myōkō terug naar Sasebo voor onderhoud.
Slag in de Koraalzee
In mei 1942 fungeerde Myōkō als vlaggenschip van viceadmiraal Takagi tijdens Operatie MO. Zij maakte deel uit van de dekking voor de vliegdekschepen Shōkaku en Zuikaku. Hoewel Myōkō zelf niet direct werd beschadigd, liep Shōkaku zware schade op door luchtaanvallen en verloor Zuikaku een groot deel van haar boordvliegtuigen. De Japanse vloot trok zich terug, waarmee de geplande aanval op Port Moresby werd afgeblazen.
Slag bij Midway en Aleoeten
Tijdens de Slag bij Midway in juni 1942 behoorde Myōkō tot de ondersteuningsvloot van viceadmiraal Nobutake Kondō. Zij kwam niet in direct gevecht en keerde eind juni terug naar Japan. Kort daarna werd zij ingezet voor escortetaken in de Aleoeten, ter ondersteuning van de Japanse aanwezigheid op Attu en Kiska, waarna zij medio juli terugkeerde naar Hashirajima.
Campagne op de Salomonseilanden
In oktober 1942 werd Myōkō ingezet vanuit Truk als onderdeel van de Tweede Vloot om Japanse troepen op Guadalcanal te versterken. Op 15 oktober nam zij deel aan het beschieten van Henderson Field, samen met de zware kruiser Maya. In februari 1943 maakte Myōkō deel uit van de dekking voor de evacuatie van Japanse troepen van Guadalcanal, waarbij meer dan 11.000 militairen werden teruggebracht naar Rabaul.
Gevechten in 1943
In mei 1943 voer Myōkō met Haguro naar het noorden voor de evacuatie van Kiska. Na terugkeer kreeg het schip extra luchtafweer en radar. In november van dat jaar escorteerde Myōkō een konvooi naar Bougainville. Tijdens de Slag in de Golf van Empress Augusta Bay botste zij in het donker op de torpedobootjager Hatsukaze. Hoewel zij terugkeerde naar Japan voor reparaties, werd duidelijk dat de Japanse nachtoperaties steeds meer risico’s inhielden door verbeterde geallieerde radarcapaciteiten.
Slag in de Filipijnse Zee
In juni 1944 maakte Myōkō deel uit van de Japanse vloot die reageerde op de Amerikaanse landing op de Marianen. Hoewel zij zelf geen directe schade opliep, leden de Japanse luchtstrijdkrachten zware verliezen, met meer dan 300 neergeschoten vliegtuigen. De slag betekende het verlies van de strategische mobiliteit van de Japanse vliegdekschepen.
Slag in de Golf van Leyte
In oktober 1944 nam Myōkō deel aan de centrale strijdmacht van viceadmiraal Takeo Kurita. Tijdens de gevechten in de Sibuyan Zee werd zij aan stuurboordzijde door een torpedo geraakt, wat schade aan de schroefassen veroorzaakte. Met verminderde snelheid bereikte zij Singapore voor noodreparaties. Van daaruit werd een terugtocht naar Japan gepland, maar de strategische situatie verhinderde deze.
Laatste oorlogsjaar
Op 13 december 1944 werd Myōkō, onderweg naar Cam Ranh Bay, opnieuw getorpedeerd door de Amerikaanse onderzeeboot USS Bergall. Het achterschip werd grotendeels weggeslagen, waardoor zij niet meer zelfstandig kon varen. Zij werd teruggesleept naar Singapore, waar reparatie onmogelijk bleek door materiaalgebrek. De Myōkō werd ingericht als statisch luchtafweerplatform in de haven. Tot het einde van de oorlog bleef zij daar, zonder mobiliteit maar met nog werkende generatoren en wapens voor lokale verdediging.
Na de oorlog
Na de Japanse capitulatie bleef Myōkō in Singapore als accommodatie- en ondersteuningsschip. Op 8 juli 1946 werd zij in de Straat van Malakka tot zinken gebracht. De positie van het wrak ligt bij 3°5′N 100°40′E.
Conclusie
Bij de indienststelling in 1929 voldeed de Myōkō aan de toenmalige internationale normen voor zware kruisers. De combinatie van hoge snelheid, zware hoofdbewapening en een redelijke bepantsering maakte het schip geschikt voor vlootoperaties en onafhankelijke missies. In de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog kon de Myōkō effectief worden ingezet bij invasies, escorteoperaties en vlootacties.
Vanaf 1943 veranderde de technologische context van maritieme oorlogsvoering. Geallieerde marines introduceerden steeds meer geïntegreerde radar-, sonar- en vuurleidingssystemen, gekoppeld aan een centraal Combat Information Center. De Myōkō beschikte wel over Type 21- en Type 22-radar en beperkte sonar, maar had geen centrale coördinatiefaciliteit om informatie uit verschillende sensoren samen te brengen en tactisch te benutten. Hierdoor werd de reactietijd verlengd en de effectiviteit van de wapensystemen verminderd, vooral in gecombineerde luchtaanvallen en nachtgevechten.
Ondanks meerdere moderniseringen, waaronder uitbreiding van de luchtafweer en toevoeging van radar, kon de Myōkō de technologische kloof met de geallieerde zware kruisers en snelle slagschepen niet dichten. Hierdoor werd het schip vanaf 1943 beschouwd als operationeel verouderd volgens de toen geldende militaire normen, ondanks dat het nog tot het einde van de oorlog als gevechts- en later als statisch luchtafweerplatform werd ingezet.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Trusler, C (Lt), Public domain, via Wikimedia Commons
- Christopher Shores; Brian Cull; Yasuho Izawa (2002). The Southern Air Invasion 1941–1942. Dai Nippon Kaiga. ISBN 4-499-22770-4.
- Shunichi Shigemoto (2015). De Myoko werd onmiddellijk na het uitbreken van de oorlog gebombardeerd. In: The Glory and End of the Heavy Cruiser: Memoirs of Men Who Survived the Sea of Carnage. Ushio Shobo Kojinsha. ISBN 978-4-7698-2903-4.
- Misao Toyama (2005). De geschiedenis van oorlogsschepen door kapiteins. Kojinsha. ISBN 4-7698-1246-9.
- Saburo Toyama (1995). Geïllustreerde geschiedenis van de zeeslag in de Stille Oceaan, deel 3: De Japans-Amerikaanse oorlog zoals te zien in foto’s en illustraties. Kojinsha. ISBN 4-7698-0711-2.
- Maru redactie (2010). Heavy Cruiser War Chronicles: Ik zag het beslissende moment met eigen ogen!. Kojinsha. ISBN 978-4-7698-1485-6.
- Gakken redactie (2007). [Rekishi Gunzo] Pacific War History Series 57: Evolutie van de wapens aan boord van de Imperial Navy. Gakken. ISBN 4-05-604599-2.
- Eric Lacroix; Linton Wells (1997). Japanese Cruisers of the Pacific War. Naval Institute Press. ISBN 0-87021-311-3.
- Andrieu D’Albas (1965). Death of a Navy: Japanese Naval Action in World War II. Devin-Adair Publishing. ISBN 0-8159-5302-X.
- Paul S. Dull (1978). A Battle History of the Imperial Japanese Navy, 1941–1945. Naval Institute Press. ISBN 0-87021-097-1.
- Stephen Howarth (1983). The Fighting Ships of the Rising Sun: The Drama of the Imperial Japanese Navy, 1895–1945. Atheneum. ISBN 0-689-11402-8.
- Hansgeorg Jentsura (1976). Warships of the Imperial Japanese Navy, 1869–1945. Naval Institute Press. ISBN 0-87021-893-X.
- Wayne Patton (2006). Japanese Heavy Cruisers in World War II. Squadron Signal Publications. ISBN 0-89747-498-8.
- Toshio Tamura (2004). Re: Japanese Cruiser Torpedoes. Warship International. 41 (4): 366–367. ISSN 0043-0374.
- M.J. Whitley (1995). Cruisers of World War Two: An International Encyclopedia. Naval Institute Press. ISBN 1-55750-141-6.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









