
HMS Exeter was een zware kruiser van de Royal Navy, gebouwd in de late jaren twintig als onderdeel van de York-klasse. Het schip werd bekend door haar inzet tijdens de Slag bij de Rivierplaat in december 1939. Tijdens de daaropvolgende oorlogsjaren opereerde zij in de Indische Oceaan en de Stille Oceaan, waar zij deelnam aan meerdere zeeslagen. HMS Exeter werd in maart 1942 tot zinken gebracht tijdens de Tweede Slag in de Javazee. Het ontwerp, de bewapening en de technische uitrusting van dit schip geven een beeld van de marinetechnologie in de periode tussen het interbellum en de Tweede Wereldoorlog.
Ontwerp en constructie
HMS Exeter werd ontworpen onder de beperkingen van het Verdrag van Washington uit 1922, waarin tonnage en bewapening van oorlogsschepen waren vastgelegd. Zij was het tweede en laatste schip van de York-klasse, waarbij het ontwerp was aangepast naar aanleiding van ervaringen met HMS York. De kiel werd gelegd op 1 augustus 1928, gevolgd door de tewaterlating op 18 juli 1929 en de indienststelling op 27 juli 1931.
Het schip had een lengte van 175,3 meter, een breedte van 17,7 meter en een diepgang van 6,2 meter bij volle belading. De standaard waterverplaatsing bedroeg 8.390 ton, oplopend tot 10.620 ton in operationele toestand. Voor de voortstuwing zorgden vier Parsons-stoomturbines, gevoed door acht Admiralty-driedrumketels, met een totaal vermogen van 80.000 pk. Hiermee werd een topsnelheid bereikt van 32 knopen, wat overeenkomt met 59 kilometer per uur. De actieradius bedroeg circa 18.520 kilometer bij een snelheid van 14 knopen. De bemanning bestond uit ongeveer 628 personen.
Bewapening
De hoofdbewapening bestond uit zes 203 mm BL Mk VIII-kanonnen, geplaatst in drie dubbele geschuttorens met de aanduidingen A, B en Y. De A- en B-torens waren in superfiring-opstelling op het voorschip geplaatst, terwijl de Y-toren op het achterschip stond.
De luchtafweer bestond bij oplevering uit vier enkelvoudige 102 mm Mk V-kanonnen en twee enkelvoudige 2-ponder luchtafweerkanonnen. In 1934 werden deze vervangen door twee vierloops Vickers 12,7 mm mitrailleurs. Tijdens de modernisering in 1940–1941 werden de luchtafweerinstallaties vervangen door dubbele 102 mm Mark XVI-kanonnen en twee octopule 2-ponder luchtafweeropstellingen. Verder beschikte het schip over twee drievoudige torpedolanceerbuizen van 533 mm, midscheeps geplaatst.
Bepantsering
De bepantsering was conform de verdragsbeperkingen beperkt. De zijwanden van de machinekamers en munitieopslagruimten hadden een dikte van 76 mm, terwijl de dwarsschotten bij de machinekamers 89 mm dik waren. Het dek boven de machinekamers en het stuurmechanisme had een bepantsering van 38 mm. De munitieopslag was voorzien van een dak van 140 mm en zijwanden van 111 mm. Geschuttorens en barbettes hadden een bescherming van 25 mm.
Sensoren en dataverwerking
HMS Exeter werd na de modernisering in 1940–1941 uitgerust met Type 279 early-warning radar met gescheiden transmitting en receiving aerials, één op elke masttop. Het systeem leverde azimut- en afstandsinformatie voor vroege detectie van vliegtuigen en oppervlakteschepen. Voor het hoofdgeschut was Type 284 fire-control radar beschikbaar, gemonteerd op de Director Control Tower (DCT). Deze radar gaf afstands- en koersgegevens door aan de vuurleidingsketen en was inzetbaar bij slecht zicht en tijdens nachtoperaties.
De bemanning was opgeleid in radargebruik. De radarwacht en radarorganisatie bestonden uit operators aan Type 279 en Type 284, een telefonist voor meldingen, een plotter voor het bijhouden van koers en afstand, en een toezichthoudend (onder)officier. Meldingen werden via scheepstelefoons doorgegeven aan brug, luchtverdedigingspost en vuurleiding, waar ze werden vergeleken met visuele waarnemingen van uitkijken. Dit borgde een gestandaardiseerde meld- en besluitvormingslijn zonder centrale verwerkingsruimte.
Er is geen bevestigde documentatie dat HMS Exeter over ASDIC beschikte. Onderzeebootwaarneming berustte daarom op visuele meldingen en informatie van escorteschepen met sonar.
HMS Exeter had geen Combat Information Center (CIC) of Action Information Centre (AIC). Sensor- en waarnemingsgegevens werden decentraal verwerkt door brug, vuurleiding en communicatieposten. De afwezigheid van een CIC/AIC woog vooral in vergelijking met geallieerde schepen die vanaf 1943 wel zo’n centrum en nieuwere radar invoerden; Japanse zware kruisers hadden in 1942 geen scheepsradar en geen CIC. De aanwezigheid of afwezigheid van CIC/AIC bepaalde in de Tweede Wereldoorlog mede de gevechtskracht van een schip.
Modificaties
In 1932 werd het open hoofddek gedeeltelijk overkapt en werden vaste katapulten geplaatst voor Fairey IIIF-verkenningsvliegtuigen. In 1934 werden de oorspronkelijke luchtafweerinstallaties vervangen door zwaardere mitrailleurs. Na de zware beschadigingen in 1939 werd het schip in 1940–1941 ingrijpend hersteld in Devonport. De brug werd vergroot en aangepast voor een tweede vuurleidingsinstallatie. De luchtafweer werd gemoderniseerd met dubbele 102 mm-kanonnen en octopule 2-ponderinstallaties. Er werden voorzieningen aangebracht voor Oerlikon 20 mm-kanonnen, maar deze werden niet geïnstalleerd door productiegebrek.
Status schip tijdens de oorlog
Bij het begin van de oorlog was HMS Exeter op technisch gebied verouderd ten opzichte van nieuwere kruisers, vooral wat betreft bepantsering en luchtafweer. Door regelmatig onderhoud en moderniseringen bleef zij operationeel inzetbaar. De verbeteringen in 1940–1941 verhoogden de gevechtscapaciteit, met name op het gebied van luchtafweer en vuurleiding. HMS Exeter was binnen ABDACOM een van de weinige radar-uitgeruste kruisers; in vergelijking met Japanse zware kruisers was zij qua vuurkracht, torpedobewapening en bescherming niet in het voordeel.
Het ontbreken van een geïntegreerd informatiecentrum bleef een beperking ten opzichte van geallieerde schepen die vanaf 1943 wel over een CIC/AIC en nieuwere radar beschikten.
Operationele geschiedenis
Vredesjaren en vroege inzet
Na de indienststelling in 1931 werd HMS Exeter toegewezen aan de Atlantic Fleet. In 1934 volgde overplaatsing naar het America and West Indies Station met het Royal Naval Dockyard in Bermuda als uitvalsbasis. Tijdens de Abyssinië-crisis van 1935–1936 werd het schip tijdelijk ingezet in de Middellandse Zee. In de jaren tot 1939 bestonden de taken uit patrouilles, oefeningen en representatieve bezoeken in de Atlantische Oceaan en het Caribisch gebied.
Slag bij de Rivierplaat (13 december 1939)
Bij het uitbreken van de oorlog werd Exeter onderdeel van Force G in de Zuid-Atlantische Oceaan, met de opdracht Duitse handelsonderbrekers te onderscheppen. Op 13 december 1939 raakte zij samen met de lichte kruisers Ajax en Achilles in gevecht met het Duitse pantserschip Admiral Graf Spee. Exeter werd zevenmaal geraakt door 283 mm-granaten; 61 bemanningsleden kwamen om en 23 raakten gewond. Het schip trok zich terug naar de Falklandeilanden voor noodreparaties. Enkele dagen later werd de Duitse kruiser in de haven van Montevideo door de eigen bemanning tot zinken gebracht.
Reparaties en inzet in de Indische Oceaan (1940–1941)
Na voorlopige herstelwerkzaamheden in Stanley onderging Exeter in Devonport een uitgebreide reparatie en modernisering (februari 1940–maart 1941). Vervolgens werd zij ingezet voor konvooiescorte in de Indische Oceaan. Na het uitbreken van de oorlog in de Grote Oceaan in december 1941 werd het schip naar Singapore gedirigeerd, kort na het verlies van HMS Prince of Wales en HMS Repulse. Exeter werd daarop opgenomen in de geallieerde vloot onder ABDACOM en voerde escortes en patrouilles uit in de aanloop naar de Japanse opmars in de Nederlands-Indische archipel.
Operaties rond Bangka en Gaspar-straat (februari 1942)
Binnen ABDACOM behoorde HMS Exeter tot de weinige kruisers met radar; tegenover Japanse zware kruisers was zij qua vuurkracht, torpedobewapening en bescherming niet in het voordeel. Midden februari 1942 nam Exeter deel aan een sortie van het geallieerde eskader onder schout-bij-nacht Karel Doorman, dat via de Gaspar-straat richting Bangka voer om Japanse invasiemachten te stuiten. De formatie werd herhaaldelijk aangevallen door Japanse marinevliegtuigen. De luchtaanvallen veroorzaakten voornamelijk scherf- en materiële schade; de operatie werd afgebroken en de schepen keerden terug naar Java.
Slag in de Javazee (27 februari 1942)
Op 27 februari 1942 trachtte het geallieerde eskader onder Doorman de Japanse invasievloot te onderscheppen. In de openingsfase werd Exeter getroffen door een 203 mm-granaat, die in de ketelruimte schade veroorzaakte en het stoomvermogen reduceerde. Het schip moest de linie verlaten onder rookdekking, terwijl de overige kruisers en torpedobootjagers de strijd vervolgden. De Nederlandse torpedobootjager Kortenaer zonk na een torpedotreffer; HMS Electra ging verloren tijdens een tegenaanval. Exeter bereikte Surabaya begeleid door Witte de With voor noodreparaties.
Tweede Slag in de Javazee en ondergang (1 maart 1942)
Na voorlopige herstelmaatregelen vertrok Exeter op 28 februari 1942 met HMS Encounter en USS Pope richting de Indische Oceaan. Op 1 maart onderschepten Japanse zware kruisers en torpedobootjagers de groep. Rond 09.30 uur openden de tegenstanders het vuur; omstreeks 11.20 uur veroorzaakte een treffer in de voorste ketelruimte een algeheel stroomverlies. De commandant gaf bevel het schip te verlaten en te scuttelen. Japanse torpedo’s, onder meer van de torpedobootjager Inazuma, troffen Exeter; het schip kapseisde en zonk. Encounter en Pope gingen eveneens verloren. Van Exeter werden 652 opvarenden gered als krijgsgevangenen; circa een kwart overleed in Japanse gevangenschap.
Na de oorlog
Lokalisatie van het wrak (2007)
In februari 2007 werd het wrak van HMS Exeter geïdentificeerd in de Javazee op ongeveer 60 meter diepte, circa 140 kilometer ten noordwesten van Bawean. Het lag op stuurboordzijde en werd formeel beschouwd als oorlogsgraf. In juli 2008 vond boven de positie een herdenkingsplechtigheid plaats.
Verdwijnen van het wrak (2016)
Bij een heronderzoek in 2016 bleek dat het wrak vrijwel volledig was verdwenen door grootschalige, niet-geautoriseerde bergingsactiviteiten. Deze constatering leidde tot verontwaardiging bij nabestaanden en betrokken instanties, mede omdat de locatie de status van oorlogsgraf had.
Conclusie
HMS Exeter vertegenwoordigde een tussenstap in de ontwikkeling van Britse zware kruisers uit het interbellum. Het ontwerp sloot aan bij verdragsbeperkingen en leverde een relatief licht gepantserd schip op met een effectief hoofdgeschut. Moderniseringen in 1940–1941 verbeterden de luchtafweer en introduceerden Type 279 (air/surface warning) en Type 284 (gunnery) radar, waarvoor de bemanning werd getraind in bediening en meldprocedures.
Het schip beschikte niet over ASDIC en had geen Combat Information Center (CIC) of Action Information Centre (AIC); sensor- en waarnemingsgegevens werden decentraal verwerkt via brug, vuurleiding en communicatieposten. In termen van Tweede Wereldoorlog-normen gold het ontbreken van een CIC/AIC vanaf 1943 als een nadeel in vergelijking met geallieerde schepen die toen wél over zo’n centrum en nieuwere radar beschikten.
Japanse zware kruisers hadden in 1942 geen scheepsradar en geen CIC, zodat het relatieve nadeel van Exeter vooral zichtbaar werd ten opzichte van later gemoderniseerde geallieerde marineschepen. De operationele loopbaan, van de Slag bij de Rivierplaat tot de ondergang tijdens de Tweede Slag in de Javazee, laat zien hoe een kruiser uit het verdragtijdperk zich handhaafde onder veranderende omstandigheden, maar uiteindelijk kwetsbaar bleef bij zware gevechten en luchtdreiging.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: HMS Exeter U.S. Navy, Public domain, via Wikimedia Commons
- Cox, Geoffrey R. (2014). Rising Sun, Falling Skies: The Disastrous Java Sea Campaign of World War II. Oxford: Osprey Publishing. ISBN 978-1-4728-1060-1.
- Dull, Paul S. (2007). A Battle History of the Imperial Japanese Navy, 1941–1945. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-219-5.
- Friedman, Norman (2010). British Cruisers: Two World Wars and After. Barnsley: Seaforth Publishing. ISBN 978-1-59114-078-8.
- Lenton, H. T. (1998). British & Empire Warships of the Second World War. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 1-55750-048-7.
- Raven, Alan; Roberts, John (1980). British Cruisers of World War Two. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-922-7.
- Shores, Christopher; Cull, Brian; Izawa, Yasuho (1992). Bloody Shambles: Volume One: The Drift to War to the Fall of Singapore. London: Grub Street. ISBN 0-948817-50-X.
- Shores, Christopher; Cull, Brian; Izawa, Yasuho (1993). Bloody Shambles: Volume Two: The Defence of Sumatra to the Fall of Burma. London: Grub Street. ISBN 0-948817-67-4.
- Whitley, M. J. (1995). Cruisers of World War Two: An International Encyclopedia. London: Cassell. ISBN 1-86019-874-0.
- Rohwer, Jürgen (2005). Chronology of the War at Sea 1939–1945: The Naval History of World War Two (3rd rev. ed.). Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 1-59114-119-2.
- Grove, Eric (1993). Sea Battles in Close Up: World War 2. Vol. 2. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 1-55750-758-9.
- Lacroix, Eric; Wells II, Linton (1997). Japanese Cruisers of the Pacific War. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-311-3.
- Kehn, Donald M. Jr. (2017). In The Highest Degree Tragic: The Sacrifice of the U.S. Asiatic Fleet in the East Indies during World War II. Lincoln: Potomac Books. ISBN 978-1-61234-820-9.
- Womack, Tom (2016). The Allied Defense of the Malay Barrier, 1941–1942. Jefferson: McFarland & Company. ISBN 978-1-47666-293-0.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.









