Home Slagen, Veldtochten, Zeeslagen en Operaties Duitse Invasie van Nederland 1940: Strategie en Gevechten

Duitse Invasie van Nederland 1940: Strategie en Gevechten

Afbeelding uit de propagandafilm 'Why We Fight' toont de Duitse invasie van Nederland in mei 1940 tijdens Operatie Fall Gelb.
Afbeelding uit de Amerikaanse propagandafilm 'Why We Fight' toont de Duitse opmars tijdens de invasie van Nederland in mei 1940.

De Duitse invasie van Nederland begon op 10 mei 1940 als onderdeel van Fall Gelb. De aanval bestond uit twee samenhangende stoten: de Grebbeberg moest de Nederlandse krijgsmacht binden, terwijl de hoofdroute door Noord-Brabant naar Moerdijk en Rotterdam liep. Reijnders had deze route juist beoordeeld. Met Rotterdam lag Nederland open en had de Grebbeberg geen militair nut.

Militaire en Politieke Situatie

Na de Duitse inval in Polen op 1 september 1939 verklaarden Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk Duitsland de oorlog. Nederland hield vast aan zijn neutraliteit, zoals het tijdens de Eerste Wereldoorlog had gedaan. De regering wilde geen formele militaire afspraken met Frankrijk, België of het Verenigd Koninkrijk maken, omdat zulke afspraken volgens haar de neutraliteit aantastten. Daardoor ontbrak bij het begin van de Duitse aanval een uitgewerkte bevelsstructuur voor samenwerking met de geallieerden.

De Nederlandse krijgsmacht werd op 28 augustus 1939 gemobiliseerd, maar jarenlange bezuinigingen hadden de modernisering vertraagd. Het leger beschikte over veel dienstplichtigen, maar had weinig pantservoertuigen, moderne verbindingsmiddelen, luchtafweer en antitankgeschut. Een groot deel van de artillerie was oud en werd met paarden verplaatst. De Nederlandse luchtstrijdkrachten bezaten enkele goede Fokker-toestellen, maar te weinig vliegtuigen om langdurig weerstand te bieden aan de Luftwaffe.

Generaal Izaäk Herman Reijnders werd bij de mobilisatie benoemd tot opperbevelhebber van Land- en Zeemacht. Hij zag de Peel-Raamstelling als de verdedigingslijn die de Duitse opmars door Noord-Brabant moest vertragen en de aansluiting met Franse troepen diende. Na een conflict met minister van Defensie Adriaan Dijxhoorn kreeg Reijnders op 6 februari 1940 ontslag en volgde generaal Henri Winkelman hem op. Winkelman maakte de Grebbelinie tot hoofdverdediging en verminderde daarmee de Nederlandse gevechtskracht op de route naar Moerdijk, Dordrecht en Rotterdam.

Locatie

De Peel-Raamstelling liep van de omgeving van Grave zuidwaarts langs de Raam, het Defensiekanaal en de Peel tot aan de Belgische grens. De stelling lag tussen de Duitse grens en de verkeersroutes door Noord-Brabant naar Breda en de Moerdijkbruggen. Wie deze linie doorbrak, kon via het Brabantse wegennet naar het Hollands Diep oprukken. Vanaf Moerdijk liep de kortste grondroute via Dordrecht naar Rotterdam en de zuidelijke toegang van de Vesting Holland.

De Grebbelinie lag verder naar het noorden, tussen het IJsselmeer en de Nederrijn. Grote delen konden door inundaties worden beschermd, maar bij de Grebbeberg bood het hogere terrein bij Rhenen een droge toegang. Deze sector lag niet op de Duitse hoofdroute naar de luchtlandingstroepen bij Moerdijk en Rotterdam. Voor het Duitse opperbevel was de strijd om de Grebbeberg slechts een bijzaak of zijtoneel, bedoeld om Nederlandse troepen te binden.

Rotterdam vormde het eindpunt van de Duitse zuidelijke opmars. De Maasbruggen, vliegveld Waalhaven, de Dordtse bruggen en de Moerdijkbruggen vormden samen één verkeersas. Duitse parachutisten moesten deze verbindingen intact veroveren, gevolgd door de aansluiting van de 9. Panzer-Division vanuit Noord-Brabant. Het Franse 7e Leger rukte volgens de Breda-variant van Plan D via Antwerpen naar Breda op en naderde dezelfde operationele ruimte vanuit het zuiden.

Kaart van Nederland in 1940 met de belangrijkste verdedigingslinies: Peel-Raamstelling, Grebbelinie en Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Strategische kaart toont de belangrijkste Nederlandse verdedigingslinies in mei 1940 tijdens de Duitse invasie: Grebbelinie, Peel-Raamstelling en Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Militaire Leiders

Reijnders had vóór zijn ontslag de Nederlandse verdediging voorbereid en het belang van Noord-Brabant onderkend. Hij verwachtte een Duitse doorbraakspoging bij Mill, hield rekening met luchtlandingen in het westen en wilde de Peel-Raamstelling voldoende lang vasthouden voor Franse ondersteuning. Winkelman nam in februari 1940 het opperbevel over en richtte de Nederlandse hoofdverdediging op de Grebbelinie en de Vesting Holland. Commandant Veldleger luitenant-generaal Godfried van Voorst tot Voorst voerde het bevel over de Nederlandse hoofdmacht achter de Grebbelinie.

Kolonel Leonardus Johannes Schmidt voerde het bevel over de Peeldivisie, die na de verplaatsing van het IIIe Legerkorps een groot deel van de Peel-Raamstelling moest bezetten. Kolonel Pieter Scharroo leidde de Nederlandse verdediging van Rotterdam. Generaal Maurice Gamelin stond aan het hoofd van de Franse strijdkrachten, terwijl generaal Henri Giraud het Franse 7e Leger commandeerde. Girauds leger moest via Antwerpen en Breda contact leggen met de Nederlandse verdediging.

Aan Duitse zijde stond Legergroep B onder generaal Fedor von Bock. Generaal Georg von Küchler voerde het bevel over het 18e Leger, dat Nederland moest aanvallen. Generaal Kurt Student leidde de luchtlandingstroepen en generaal Alfred Ritter von Hubicki commandeerde de 9. Panzer-Division. De combinatie van luchtlandingseenheden, infanteriedivisies en een pantserdivisie was ingericht voor een snelle verbinding tussen de Duitse grens en Rotterdam.

Doelstelling en planning

Fall Gelb moest de geallieerde legers naar Nederland en België trekken, terwijl de Duitse Legergroep A door de Ardennen naar Sedan en vervolgens naar het Kanaal oprukte. De Duitse leiding kende de geallieerde opzet van Plan D, waarin sterke Franse en Britse eenheden naar het noorden trokken. Binnen Nederland kreeg Rotterdam daarom hoge prioriteit. Een snelle Duitse bezetting van de Maasbruggen en de route door Noord-Brabant moest het Franse 7e Leger de pas afsnijden.

De aanval op Nederland bestond uit twee samenhangende stoten. De zuidelijke stoot moest de Maas en de Peel-Raamstelling doorbreken, de Moerdijkbruggen bereiken en aansluiting maken met de Fallschirmjäger bij Moerdijk, Dordrecht en Rotterdam. De stoot tegen de Grebbelinie moest de Nederlandse krijgsmacht in het midden van het land binden en de aandacht op Rhenen richten. Hierdoor bleven Nederlandse eenheden en reserves buiten de sector waar de Duitse grondtroepen de luchtlandingstroepen moesten bereiken.

Reijnders had vastgesteld dat de Peel-Raamstelling op de Duitse opmarsroute naar Rotterdam lag. Zijn verdedigingsplan verbond Noord-Brabant met de verwachte Franse opmars en behandelde de stelling niet als een vooruitgeschoven waarschuwingslijn. De linie moest de Duitse snelheid breken, tijd winnen en voorkomen dat de 9. Panzer-Division snel bij Moerdijk kwam. Daarmee sloot zijn opzet aan op de noordelijke uitvoering van Plan D.

Winkelman koos voor de Grebbelinie als hoofdverdediging en liet het IIIe Legerkorps en de Lichte Divisie uit Noord-Brabant terugnemen. De Peel-Raamstelling bleef daardoor met een kleinere bezetting achter, terwijl juist daar de Duitse route naar Rotterdam liep. De Franse opmars naar Breda vereiste een Nederlandse verdediging waarop het 7e Leger kon aansluiten. Door Noord-Brabant militair te verzwakken, had Nederland rechtstreeks invloed op het mislukken van Plan D.

Kaart met Plan D (Dyle Plan) en Duitse aanvalsroutes tijdens Fall Gelb, inclusief invasies van Nederland, België en Frankrijk in 1940.
Kaart toont het geallieerde Plan D (Dyle Plan) en de Duitse aanvalsroutes van Fall Gelb tijdens de invasies van Nederland, België en Frankrijk in 1940.

Militaire eenheden

De gemobiliseerde Nederlandse landmacht telde ongeveer 280.000 militairen, verdeeld over onder meer negen divisies en verschillende zelfstandige brigades en stellingtroepen. Het leger had geen inzetbare tankeenheden en beschikte over ongeveer veertig pantserwagens en vijf kleine Carden-Loyd-tankettes. Er waren ongeveer 676 veldgeschutstukken en houwitsers, waarvan slechts een deel modern was. De infanterie gebruikte vooral Mannlicher-geweren, lichte en zware mitrailleurs en een beperkt aantal moderne antitankwapens.

De Luchtvaartafdeling beschikte bij het begin van de strijd over ongeveer 125 inzetbare gevechtsvliegtuigen. Daartoe behoorden Fokker D.XXI-jagers, tweemotorige Fokker G.I-jachtkruisers en Fokker T.V-bommenwerpers. Deze toestellen behaalden plaatselijke resultaten, maar hun aantal, reserveonderdelen en brandstofvoorraden waren onvoldoende voor een langdurige luchtoorlog. Veel toestellen gingen op 10 mei op vliegvelden of tijdens luchtgevechten verloren.

Het Duitse 18e Leger zette in het zuiden de 9. Panzer-Division en infanteriedivisies in voor de opmars door Noord-Brabant. De 256. Infanterie-Division viel de Peel-Raamstelling bij Mill aan, terwijl de 207. Infanterie-Division en SS-Standarte Der Führer tegen de Grebbeberg optraden. De 7. Flieger-Division leverde parachutisten en de 22. Luftlande-Infanterie-Division voerde luchtlandingstroepen aan. Het Franse 7e Leger bracht onder meer gemechaniseerde en gemotoriseerde formaties naar Antwerpen, Zeeland en West-Brabant.

Het verloop van de Duitse invasie

De aanval van 10 mei 1940

In de vroege ochtend van 10 mei vielen Duitse vliegtuigen Nederlandse vliegvelden, verbindingen en militaire doelen aan. Parachutisten en luchtlandingstroepen landden rond Den Haag, Rotterdam, Dordrecht en Moerdijk. Bij Den Haag moesten zij koningin Wilhelmina, de regering en het militaire opperbevel gevangennemen. Nederlandse tegenaanvallen bij Ypenburg, Ockenburg en Valkenburg verstoorden deze operatie en verhinderden de snelle bezetting van de residentie.

In het zuiden bereikten Duitse parachutisten daar betere resultaten. Zij veroverden de Moerdijkbruggen intact, bezetten delen van Dordrecht en namen vliegveld Waalhaven in. Duitse troepen vestigden bovendien een bruggenhoofd bij de Rotterdamse Maasbruggen. Nederlandse mariniers en landmachteenheden verhinderden dat dit bruggenhoofd onmiddellijk tot een volledige bezetting van het stadscentrum leidde.

Bij Gennep kwam de spoorbrug over de Maas onbeschadigd in Duitse handen. Een Duitse pantsertrein en een troepentrein reden vervolgens door de Peel-Raamstelling bij Mill en brachten infanterie achter de Nederlandse posities. Nederlandse militairen lieten de pantsertrein bij de terugrit ontsporen en boden gedurende de dag weerstand. De plaatselijke doorbraak betekende niet dat de gehele Peel-Raamstelling militair was verslagen, maar het bevel tot ontruiming veranderde de plaatselijke doorbraak in een terugtocht uit heel Noord-Brabant.

Krupp 7.5cm Feldkanone, voorbeeld van verouderd Nederlands artilleriematerieel tijdens de Duitse invasie van Nederland in mei 1940.
De Krupp 7.5cm Feldkanone, een verouderd artilleriestuk, werd door het Nederlandse leger gebruikt tijdens de Duitse invasie in 1940.

De Grebbeberg als zijtoneel

Op 11 mei begon de Duitse aanval op de Grebbeberg. SS-Standarte Der Führer en onderdelen van de 207. Infanterie-Division vielen de voorposten en daarna de hoofdweerstandsstrook aan. De Nederlandse verdedigers vochten onder zwaar artillerievuur en hadden te maken met gebrekkige verbindingen, versnipperde bevelvoering en onvoldoende voorbereide tegenaanvallen. De gevechten duurden tot 13 mei, waarna de Nederlandse troepen naar de Nieuwe Hollandse Waterlinie teruggingen.

De aanval bij Rhenen bereikte het Duitse doel om de Nederlandse krijgsmacht te binden. Voor het Duitse opperbevel was de strijd om de Grebbeberg slechts een bijzaak of zijtoneel. Het Nederlandse opperbevel hield daar de hoofdmacht en verschillende reserves vast, terwijl de Duitse zuidelijke stoot door Noord-Brabant naar Moerdijk trok. De gevechten hadden voor Nederland geen militair nut en geen invloed op de uitkomst.

In het noorden hield de Nederlandse stelling bij Kornwerderzand stand tegen aanvallen van de Duitse 1. Kavallerie-Division. Betonnen kazematten, goed voorbereide vuurvelden en ondersteuning door Hr.Ms. Johan Maurits van Nassau stopten de Duitse opmars over de Afsluitdijk. Dit plaatselijke resultaat veranderde de situatie bij Moerdijk niet. De beslissing viel in de verbinding tussen Noord-Brabant, Dordrecht en Rotterdam.

De ontruiming van de Peel-Raamstelling

De Peel-Raamstelling werd in de nacht van 10 op 11 mei verlaten. De terugtocht naar de Zuid-Willemsvaart en verder westwaarts verliep zonder vaste samenhang, omdat verbindingsmiddelen en transport ontbraken en verschillende bevelen elkaar doorkruisten. Zware wapens, munitie en uitrusting moesten gedeeltelijk worden achtergelaten. Hierdoor ontstond het militaire vacuüm dat Reijnders met zijn verdediging van de Peel-Raamstelling had willen voorkomen.

De kwetsbare Breda-variant

Het Franse Plan D ging ervan uit dat het Nederlandse leger standhield in de Peel-Raamstelling in Oost-Brabant. Het Franse 7e Leger moest via Antwerpen naar Breda en Tilburg oprukken en daar op de Nederlandse linie aansluiten. Zo moest een gesloten defensief front ontstaan dat van Antwerpen tot diep in Nederland doorliep. De Peel-Raamstelling vormde daardoor het noordelijke aansluitpunt van de geallieerde verdediging.

Tot grote verbijstering van de Fransen gaf Winkelman al in de vroege ochtend van 10 mei bevel om de Peel-Raamstelling te evacueren en de troepen achter de Waal terug te trekken. Toen de Franse eenheden Noord-Brabant binnenreden, kwamen zij in een militair vacuüm terecht. De stellingen waarop zij moesten aansluiten waren niet langer bezet. Het gesloten Nederlands-Franse front waarop Plan D was gebaseerd, bestond daardoor niet meer.

Het Franse plan stuurde de beste mobiele en gemotoriseerde divisies naar de regio Breda en Tilburg, met de 1re Division Légère Mécanique voorop. Door de directe Nederlandse terugtocht en de Duitse bezetting van de Moerdijkbruggen kwamen deze Franse eenheden in een kwetsbare positie terecht. Zij werden aangevallen door de Luftwaffe en bedreigd door de oprukkende 9. Panzer-Division. Zonder Nederlandse verdedigingslinie konden zij hun gevechtskracht niet volgens Plan D ontplooien.

Op 12 mei bereikten voorste eenheden van de 9. Panzer-Division de Duitse parachutisten bij de Moerdijkbruggen. Een dag later trokken Duitse tanks over de bruggen en door het Eiland van Dordrecht richting Rotterdam. De Lichte Divisie voerde tegenaanvallen uit bij Dordrecht, maar moest nu een reeds gevormde Duitse verbinding bestrijden. De verplaatsing van deze divisie uit Noord-Brabant had niet verhinderd dat de Duitse grondtroepen Moerdijk bereikten.

Rotterdam en de capitulatie

Op 13 en 14 mei hielden Nederlandse troepen de noordelijke Maasoever en delen van Rotterdam in handen. De Duitse legerleiding wilde de weerstand snel beëindigen, omdat vertraging bij Rotterdam de aansluiting tussen de zuidelijke stoot en de Vesting Holland belemmerde. Op 14 mei ontving kolonel Scharroo een Duits ultimatum waarin de overgave van de stad werd geëist. Tijdens de onderhandelingen naderden Duitse Heinkel He 111-bommenwerpers Rotterdam.

Om 13.27 uur begon het bombardement op de stad. Rode lichtsignalen bereikten niet alle formaties, waarna 54 bommenwerpers hun lading boven Rotterdam afwierpen. Grote delen van het centrum, Kralingen, Crooswijk en omliggende wijken werden verwoest of brandden uit. Ongeveer 800 mensen kwamen door het bombardement en de branden om het leven en circa 80.000 inwoners verloren hun woning.

Na het bombardement en een Duitse dreiging tegen Utrecht besloot Winkelman de strijd met de hoofdmacht te beëindigen. Op 15 mei ondertekende hij in Rijsoord de capitulatie voor de Nederlandse strijdkrachten, met uitzondering van Zeeland. Daar vochten Nederlandse en Franse eenheden nog tot 17 mei. De verwoesting van Middelburg en de terugtocht van de Franse troepen beëindigden ook in Zeeland het georganiseerde verzet.

De Nederlandse overgave in mei 1940: Een Nederlandse soldaat loopt met een witte vlag tijdens de Duitse invasie van Nederland.
Een Nederlandse soldaat draagt een witte vlag tijdens de overgave aan de Duitse troepen op 15 mei 1940, na het bombardement op Rotterdam.

Resultaat

Het Duitse 18e Leger behaalde het tactische doel om de Moerdijkbruggen, Dordrecht en de route naar Rotterdam in handen te krijgen. De luchtlandingen bij Den Haag mislukten en Kornwerderzand bleef onneembaar, maar deze Nederlandse resultaten hadden geen invloed op de uitkomst. Met Rotterdam lag Nederland open en had de Grebbelinie geen militaire betekenis. De Grebbeberg bleef voor het Duitse opperbevel een zijtoneel dat de Nederlandse krijgsmacht bond, terwijl de 9. Panzer-Division de luchtlandingstroepen bereikte.

Het strategische resultaat was de isolatie van de Vesting Holland en het afsnijden van het Franse 7e Leger. De Nederlandse terugtrekking uit Noord-Brabant verhinderde de aansluiting waarop de Breda-variant van Plan D was gebaseerd. De Fransen moesten hun opmars afbreken en naar Antwerpen en Zeeland teruggaan. Nederland had daarmee rechtstreeks invloed op het mislukken van de noordelijke uitvoering van Plan D en op de Duitse vrijheid van handelen rond Rotterdam.

De capitulatie bracht Nederland onder Duitse bezetting, terwijl koningin Wilhelmina en de regering vanuit Londen de oorlog voortzetten. Voor de bevolking volgden vijf jaren van bezetting, economische uitbuiting, vervolging, dwangarbeid en onderdrukking. Rotterdam verloor een groot deel van zijn historische binnenstad en tienduizenden inwoners moesten elders worden ondergebracht. De snelle militaire nederlaag bepaalde daardoor ook het politieke en maatschappelijke verloop van de oorlog in Nederland.

Miltaire en burger slachtoffers

Tijdens de meidagen sneuvelden meer dan 2.300 Nederlandse militairen en raakten ongeveer 7.000 militairen gewond. Aan Duitse zijde vielen ongeveer 2.000 doden en 6.000 tot 7.000 gewonden, terwijl meer dan duizend Duitse militairen als krijgsgevangenen naar het Verenigd Koninkrijk werden gebracht. De verliezen troffen vooral infanterie, luchtlandingstroepen, vliegtuigbemanningen en de eenheden rond de Grebbeberg, Dordrecht, Rotterdam en Den Haag. Na de capitulatie kon Nederland zijn verliezen niet aanvullen, omdat het leger werd ontwapend en ontbonden.

In Nederland kwamen tijdens de gevechten en bombardementen meer dan 2.000 burgers om. Het bombardement op Rotterdam kostte ongeveer 800 mensen het leven, terwijl gevechten en luchtaanvallen ook elders burgers troffen. Duitsland kon personele verliezen uit reserves aanvullen, maar ervaren parachutisten en vliegtuigbemanningen waren niet snel te vervangen. Het Franse 7e Leger behield een groot deel van zijn personeel, maar verloor door de gedwongen terugtocht tijd, samenhang en zijn geplande positie in Noord-Brabant.

Materiele verliezen

De Nederlandse Luchtvaartafdeling verloor in vijf dagen het grootste deel van haar vliegtuigen. Enkele toestellen weken uit naar het Verenigd Koninkrijk, maar herstel of aanvulling in Nederland was na de capitulatie niet meer mogelijk. Artillerie, voertuigen, wapens, voorraden en kazematten werden vernietigd, achtergelaten of door Duitsland buitgemaakt. De ontruiming van de Peel-Raamstelling vergrootte deze verliezen, omdat zwaar materieel tijdens de terugtocht niet volledig kon worden meegenomen.

De Luftwaffe verloor boven Nederland ongeveer 220 Junkers Ju 52-transportvliegtuigen door luchtafweer, luchtgevechten, noodlandingen en beschadigde vliegvelden. Dit verlies verminderde de Duitse luchttransportcapaciteit en kon niet op korte termijn volledig worden aangevuld. De 9. Panzer-Division behield echter voldoende voertuigen, brandstof en munitie om Rotterdam te bereiken. De intact veroverde Moerdijkbruggen voorkwamen bovendien dat de pantserdivisie tijd verloor aan een overgang over het Hollands Diep.

Rotterdam leed de zwaarste materiële schade. Ongeveer 25.000 woningen en 11.000 andere gebouwen gingen verloren, terwijl havens, spoorlijnen, wegen en nutsvoorzieningen beschadigd raakten. Elders werden bruggen opgeblazen, vliegvelden vernield en dorpen door beschietingen getroffen. De materiële schade kon tijdens de bezetting slechts gedeeltelijk worden hersteld en de wederopbouw van Rotterdam duurde vele jaren.

Rotterdam na het Duitse bombardement in 1940: Verwoeste binnenstad met rook en puin tijdens de Duitse invasie van Nederland.
De binnenstad van Rotterdam ligt in puin na het verwoestende Duitse bombardement op 14 mei 1940 tijdens de Duitse invasie van Nederland.

Conclusie

De Duitse invasie van Nederland bereikte haar voornaamste doel door de snelle grondverbinding met de luchtlandingstroepen bij Moerdijk, Dordrecht en Rotterdam. De Duitse aanval bestond uit twee samenhangende stoten. De Grebbeberg was voor het Duitse opperbevel slechts een bijzaak of zijtoneel dat de Nederlandse krijgsmacht moest binden. De zuidelijke stoot liep via de Peel-Raamstelling naar Rotterdam, waarna Nederland openlag en de Grebbeberg geen militair nut had.

Reijnders had gelijk met zijn beoordeling van de Peel-Raamstelling. Hij zag dat deze linie op de Duitse opmarsroute naar Rotterdam lag en dat zij tijd moest winnen voor de ontplooiing van het Franse 7e Leger. Zijn plan verbond de verdediging van Noord-Brabant met Moerdijk, Rotterdam, Antwerpen en Plan D. De Grebbelinie lag verkeerd, verbrak die samenhang en had geen invloed op de uiteindelijke uitkomst.

Winkelmans terugname van het IIIe Legerkorps en de Lichte Divisie verzwakte de Peel-Raamstelling op de plaats waar de Duitse pantsertroepen moesten worden tegengehouden. De ontruiming van de stelling maakte de verbinding tussen de 9. Panzer-Division en de Fallschirmjäger mogelijk. Daardoor konden de Fransen zich niet volgens Plan D in Noord-Brabant ontplooien en werd Rotterdam vanuit het zuiden bereikt. Nederland had door deze keuze rechtstreeks invloed op het mislukken van Plan D.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding 1:Dutch defense lines,  Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported license, Via Wiki Commens
  2. Afbeelding 2:  Bundesarchiv, Bild 146-2005-0003 / CC-BY-SA 3.0, Via Wiki Commens
  3. Afbeelding 3: Krupp 7.5cm Feldkanone, Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported license Via Wiki Commens
  4. Brongers, E.H. (2007). Generaal Reynders: een miskend bevelhebber 1939-1940. Soesterberg: Aspekt. ISBN 978-90-5911-603-0.
  5. Amersfoort, Herman en Kamphuis, Piet H. (red.) (2012). Mei 1940: De strijd op Nederlands grondgebied. Amsterdam: Boom. ISBN 978-94-6105-702-0.
  6. Amersfoort, Herman en Kamphuis, Piet H. (red.) (2010). May 1940: The Battle for the Netherlands. Leiden: Brill. ISBN 978-90-04-18438-1. ISSN 1385-7827.
  7. Kaufmann, J.E.; Kaufmann, H.W. (2007). Hitler’s Blitzkrieg Campaigns: The Invasion And Defense Of Western Europe, 1939–1940. Da Capo Press. ISBN 978-0-306-81691-8.
  8. Hooton, E.R. (1994). Phoenix Triumphant: The Rise and Rise of the Luftwaffe. Brockhampton Press. ISBN 1-86019-964-X.
  9. Hooton, E.R. (2007). Luftwaffe at War, Volume 2; Blitzkrieg in the West 1939–1940. London: Chevron/Ian Allan. ISBN 978-1-85780-272-6.
  10. Jentz, Thomas L. (1998). Die deutsche Panzertruppe 1933–1942 – Band 1 (in German). Wölfersheim-Berstadt: Podzun-Pallas-Verlag. ISBN 3-7909-0623-9.
  11. Shirer, William L. (1960). The Rise and Fall of the Third Reich: A History of Nazi Germany. New York: Simon & Schuster. ISBN 0-671-62420-2.
  12. Powaski, Ronald E. (2003). Lightning War: Blitzkrieg in the West, 1940. John Wiley. ISBN 978-0-471-39431-0.
  13. Powaski, Ronald E. (2008). Lightning War: Blitzkrieg in the West, 1940. Book Sales Inc. ISBN 978-0-7858-2097-0.
  14. Hoebeke, R.e. (2002). Slagveld Sloedam. Drukkerij Bareman. ISBN 90-9015327-6.
  15. Brongers, E.H. (2004). Opmars naar Rotterdam. Soesterberg: Aspekt. ISBN 978-90-5911-369-5.
  16. Frieser, Karl-Heinz (2005). The Blitzkrieg Legend: The 1940 Campaign in the West. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-294-2.
  17. Van Gent, Tobias (2022). De minister en de majesteit: Adriaan Dijxhoorn, minister van Defensie in oorlogstijd. Amsterdam: Boom. ISBN 978-90-2444-678-0.
  18. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.