
In mei 1940 was Rotterdam slecht voorbereid op een directe aanval, wat cruciale gevolgen had voor de strijd om de Maasbruggen. De stad had geen voorbereide verdedigingswerken en was niet opgenomen in een strategisch verdedigingsplan. Dit kwam vooral doordat Rotterdam relatief ver van de grenzen van de Vesting Holland lag, het gebied dat de kern van de Nederlandse verdediging vormde. Bovendien bevond de stad zich op enige afstand van de kust, waardoor men minder directe aanvallen verwachtte. De Maasbruggen zouden echter een sleutelrol spelen in de Duitse opmars, waardoor de gevechten hier intens en beslissend werden.
Nederlands militaire eenheden in Rotterdam
De troepen die in Rotterdam waren gelegerd, bestonden voornamelijk uit opleidingscentra en kleinere, diverse eenheden. Een modern artilleriebataljon, uitgerust met twaalf 105 mm-kanonnen (Model 1927), was in Hillegersberg gestationeerd, een wijk in het noorden van Rotterdam. De reikwijdte van deze kanonnen was ruim 16.000 meter, wat voldoende was om vrijwel elk doel rond Rotterdam te bereiken.
De commandant van het garnizoen was kolonel P.W. Scharroo, een militaire ingenieur. Hij had de leiding over ongeveer 7.000 manschappen, maar slechts 1.000 van hen hadden een directe gevechtsfunctie, waaronder mariniers en soldaten van het 39e Regiment Infanterie (39RI). Rondom de Nieuwe Maas waren zeven secties lichte luchtafweerartillerie (AAA) opgesteld, bewapend met zware machinegeweren zoals de Vickers en MG 08, en Oerlikon 20 mm-kanonnen. In het noordelijke deel van de stad was een batterij zware luchtafweer gestationeerd, en in het Waalhaven-gebied waren nog eens twee batterijen zware luchtafweer en vier secties lichte luchtafweer aanwezig .
Het Duitse plan: verrassingsaanval op de Maasbruggen
Het oorspronkelijke Duitse plan bestond uit een aanval vanaf het Waalhaven-vliegveld met als doel de bruggen over de Nieuwe Maas in Rotterdam te veroveren. Hierbij wilden de Duitsers gebruik maken van het verrassingselement. Na evaluatie van het plan besloten de Duitsers echter dat de kans op succes te klein was. Daarom werd een alternatieve strategie ontwikkeld, waarbij twaalf speciaal aangepaste watervliegtuigen, Heinkel He 59D’s, ingezet zouden worden om troepen direct in het centrum van Rotterdam af te zetten.
Deze vliegtuigen zouden twee pelotons van de 11e Compagnie van het 16e luchtlandingregiment aanvoeren, versterkt met vier ingenieurs en een driehoofdige troep. In totaal zouden ongeveer 90 Duitse soldaten worden ingezet om de bruggen te veroveren. Na de eerste golf zouden nog eens 36 parachutisten landen in de buurt van het Feyenoordstadion om verdere versterking te bieden.
De eerste Duitse aanval op 10 mei 1940
In de vroege ochtend van 10 mei 1940 landden twaalf Heinkel He 59D watervliegtuigen op de Nieuwe Maas. Rubberboten werden te water gelaten om de troepen aan land te brengen. Ongeveer 80 Duitse soldaten slaagden erin om zowel op de oevers als op het eiland in de rivier te landen. De bruggen werden zonder noemenswaardige weerstand veroverd, aangezien deze nauwelijks waren bewaakt. De enige tegenstand kwam van enkele Nederlandse politieagenten.
Oberstleutnant Dietrich von Choltitz, commandant van het 3e bataljon van het 16e luchtlandingregiment, had zijn troepen geland op het Waalhaven-vliegveld en stuurde hen onmiddellijk naar de bruggen. In het zuidelijke deel van de stad was slechts een kleine groep Nederlandse soldaten aanwezig, waaronder eenheden van bakkerijen, slagerijen en ongeveer 90 infanteristen, die waren versterkt door teruggetrokken troepen van het vliegveld. Deze Nederlandse eenheden verstopten zich in huizen langs de route naar de bruggen en voerden hinderlagen uit op de oprukkende Duitse troepen. Beide zijden leden hierbij verliezen.
Versterkingen en intensivering van de gevechten
Na verloop van tijd bracht het Duitse leger versterkingen naar de bruggen. Dit waren onder meer anti-tankkanonnen en extra infanterietroepen. Ondertussen hadden de Nederlandse troepen in het noordelijke deel van de stad zich gehergroepeerd en versterkingen ontvangen. Diverse kleine eenheden werden gestuurd naar strategische posities in de stad, waaronder de drie nabijgelegen treinstations en verschillende locaties langs de Nieuwe Maas, waar landingen waren gemeld.
De eerste georganiseerde Nederlandse tegenaanval bestond uit een klein detachement mariniers en een incomplete compagnie genie. Zij slaagden erin om de Duitse troepen bij de noordelijke oever van de bruggen in te sluiten en langzaam terug te dringen naar een smalle perimeter rondom de verkeersbrug. Ondanks de zware gevechten en aanzienlijke verliezen aan beide kanten, konden de Nederlanders geen beslissende doorbraak forceren. Hierdoor bleven de Duitsers standhouden in het centrum van de stad.
De strijd om de Maasbruggen: 10-12 mei 1940
De Nederlandse verdediging in het noorden van Rotterdam
Na de eerste schermutselingen op 10 mei 1940 groeide het besef bij de Nederlandse commandant kolonel Scharroo dat Rotterdam te maken had met een goed georganiseerde Duitse aanval. De Nederlandse troepen aan de noordkant van de Maas werden op scherp gezet, en Scharroo vroeg om versterkingen vanuit Den Haag. De Nederlandse verdediging bestond voornamelijk uit mariniers, genie-eenheden en kleinere infanteriedetachementen die verspreid waren over de stad. Daarnaast was er steun vanuit de Koninklijke Marine in de vorm van twee kleine oorlogsschepen: de kanonneerboot Z5 en de motortorpedoboot TM51. Beide schepen voerden op 10 mei beschietingen uit op Duitse posities bij de noordelijke bruggenhoofden, maar zonder groot effect. De Duitse luchtmacht, de Luftwaffe, reageerde snel met luchtaanvallen, waarbij de torpedoboot zwaar beschadigd raakte.
De Duitsers versterkten ondertussen hun posities op het Noordereiland, een strategisch eiland in de Nieuwe Maas dat zowel het verkeers- als het spoorbruggencomplex beheerste. Ze plaatsten zware machinegeweren en mortieren in gebouwen langs de oever en brachten anti-tankgeschut in stelling. Door deze versterkingen werden de Nederlandse troepen gedwongen zich terug te trekken van enkele posities langs de rivier. De patstelling die op 10 mei ontstond, bleef standhouden tot de Nederlandse capitulatie op 14 mei.
De komst van Nederlandse versterkingen op 11 mei
In de nacht van 10 op 11 mei arriveerden de eerste Nederlandse versterkingen in Rotterdam. Deze troepen waren afkomstig van de noordelijke sector van de Vesting Holland en bestonden uit infanterie en enkele artillerie-eenheden. Kolonel Scharroo reorganiseerde zijn troepen en plaatste hen langs de gehele noordelijke oever van de rivier en rond het centrum van de stad. Ondanks dat het garnizoen in Rotterdam steeds verder werd versterkt, was de commandant bezorgd over de meldingen van vermeende Duitse landingen in het westen, noorden en oosten van de stad. Deze meldingen bleken echter vaak vals alarm te zijn, maar zorgden voor een aanzienlijke vertraging bij de organisatie van gecoördineerde tegenaanvallen op de Duitse posities bij de bruggen.
Om 04:00 uur op 11 mei hervatte de strijd bij de bruggen. De Duitsers waren er in geslaagd om hun bezetting van het Nationale Levensverzekeringsgebouw aan de noordzijde van de verkeersbrug te handhaven. Dit gebouw was van groot strategisch belang, omdat het uitkeek over de bruggen en de aangrenzende Nederlandse posities. De Nederlandse troepen slaagden er niet in om het gebouw te heroveren, ondanks meerdere pogingen. Tegelijkertijd konden de Duitsers geen nieuwe versterkingen naar het gebouw sturen door het effectieve Nederlandse vuur op de bruggen. De Nederlandse luchtmacht voerde ook bombardementen uit op de Duitse posities in de buurt van de bruggen, maar de Duitse luchtafweer en de aanwezigheid van Messerschmitt Bf 110-jagers beperkten de effectiviteit van deze aanvallen aanzienlijk.
De strijd om het Nationale Levensverzekeringsgebouw
Het Nationale Levensverzekeringsgebouw vormde gedurende meerdere dagen het zwaartepunt van de strijd om de controle over de Maasbruggen. Nederlandse troepen ondernamen op 11 mei meerdere pogingen om het gebouw te heroveren, maar telkens zonder succes. De Duitse troepen, hoewel geïsoleerd en slecht bevoorraad, hielden stand door goed gepositioneerde machinegeweren en mortierstellingen. Tegelijkertijd slaagden de Nederlandse troepen erin om de Duitse versterkingen die via de bruggen probeerden te komen, tegen te houden. Elke Duitse poging om met voertuigen of motoren de brug over te steken werd met vuur uitgeschakeld, waardoor het bruggebied een dodelijke val werd voor de Duitse soldaten.
Tegen het einde van 11 mei leek de situatie voor de Duitsers in het Nationale Levensverzekeringsgebouw precair te worden. Veel van hun munitievoorraden waren uitgeput, en een groot aantal van de soldaten was gewond of uitgeput door de aanhoudende gevechten. Desondanks slaagden de Nederlandse troepen er niet in om de Duitsers uit het gebouw te verdrijven, en de patstelling bleef voortduren.
De Duitse versterkingen en voorbereidingen voor de volgende fase
Terwijl de situatie in Rotterdam onbeslist bleef, voerden de Duitsers in de omgeving van de stad versterkingen aan. De belangrijkste hiervan was de komst van elementen van de 9e Pantserdivisie, die via de Moerdijkbruggen en Dordrecht naar Rotterdam oprukten. Deze eenheid, bestaande uit tanks en pantservoertuigen, vormde een directe bedreiging voor de Nederlandse verdediging van de stad.
De Duitse bevelhebber, generaal Schmidt, was echter terughoudend om onmiddellijk een aanval met tanks over de bruggen te lanceren. Hij ontving rapporten over sterke Nederlandse verdediging en de aanwezigheid van antitankwapens en artillerie langs de noordelijke oever van de Maas. De verliezen die Duitse pantservoertuigen al hadden geleden in eerdere gevechten bij Dordrecht en Barendrecht versterkten zijn aarzeling. In Barendrecht waren bijvoorbeeld vier Duitse tanks vernietigd door slechts één Nederlands antitankkanon. Dit zorgde ervoor dat Schmidt besloot te wachten op luchtsteun voordat hij een grootschalige aanval op Rotterdam zou uitvoeren.
De Duitse commandanten, waaronder Hermann Göring, opperbevelhebber van de Luftwaffe, en generaal Georg von Küchler, opperbevelhebber in het Nederlandse operatiegebied, bespraken de mogelijkheid van een luchtaanval op Rotterdam. Göring stelde een zware luchtaanval voor op de stad, terwijl Schmidt en zijn directe commandant, generaal Student, voorstander waren van een beperkte tactische aanval op de noordelijke bruggenhoofden. De voorbereidingen voor deze aanval zouden op 13 mei van start gaan, met de nadruk op een ultiem ultimatum aan de Nederlandse commandant.
De Duitse opmars en het ultimatum: 13-14 mei 1940
De voorbereidingen voor het bombardement op Rotterdam
Op 13 mei 1940 bevond de situatie in Rotterdam zich op een kritiek punt. Aan de noordkant van de Maas hadden de Nederlandse verdedigers standgehouden, maar hun positie bleef kwetsbaar. De Duitse commandanten, waaronder generaal Schmidt en generaal Student, beseften dat een doorbraak noodzakelijk was om de stad in handen te krijgen. Terwijl de 9e Pantserdivisie dichter bij de stad kwam, besloten de Duitse leiders dat een strategisch luchtbombardement nodig was om het verzet te breken. Hermann Göring, de bevelhebber van de Luftwaffe, pleitte voor een grootschalige luchtaanval op het centrum van Rotterdam, terwijl de veldcommandanten liever een beperkte, tactische aanval zagen die gericht was op de Nederlandse verdedigingslinies.
Op 13 mei ontving generaal Schmidt het bevel om een ultimatum aan de Nederlandse commandant, kolonel Scharroo, te presenteren. De Duitsers eisten de onvoorwaardelijke overgave van de stad Rotterdam om verdere vernietiging te voorkomen. Ondertussen werden de voorbereidingen voor het luchtbombardement voortgezet, waarbij de Kampfgeschwader 54 (KG 54), een vleugel van de Luftwaffe uitgerust met Heinkel He 111-bommenwerpers, werd ingezet om de aanval uit te voeren.
Het Duitse ultimatum en de reactie van kolonel Scharroo
In de vroege ochtend van 14 mei 1940 werd het Duitse ultimatum aan kolonel Scharroo overhandigd. In dit ultimatum eisten de Duitsers de overgave van de stad, met de dreiging van een verwoestend bombardement als de Nederlanders zouden weigeren. Kolonel Scharroo, een ervaren en vastberaden commandant, besloot echter om het Duitse ultimatum niet onmiddellijk te accepteren. Hij stuurde een formeel antwoord naar generaal Schmidt, waarin hij verzocht om een correct geformuleerd ultimatum, voorzien van de naam en rang van de Duitse bevelhebber. Dit was een poging om tijd te winnen voor verdere instructies van het Nederlandse opperbevel, geleid door generaal Winkelman.
Terwijl de onderhandelingen over het ultimatum gaande waren, bleven de Duitse bommenwerpers van KG 54 zich voorbereiden op hun missie. Ondanks de pogingen van de Duitse grondtroepen om de aanval te stoppen, stegen de bommenwerpers op vanaf hun bases in de buurt van Bremen en zetten koers naar Rotterdam.
Het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940
Om 13:20 uur op 14 mei 1940 verschenen de eerste Duitse bommenwerpers boven Rotterdam. Hoewel er pogingen waren gedaan om het bombardement te annuleren of te beperken, was de communicatie tussen de luchtmacht en de grondtroepen niet effectief genoeg om de aanval volledig af te blazen. Terwijl rode seinfakkels werden afgevuurd door de Duitse grondtroepen om de bommenwerpers te waarschuwen, was het zicht beperkt door rook en nevel, waardoor een groot deel van de bommen toch werd afgeworpen.
De aanval, uitgevoerd door 90 Heinkel He 111-bommenwerpers, trof vooral het stadscentrum van Rotterdam. De bommenregen verwoestte een groot deel van de binnenstad, waarbij tussen de 800 en 900 burgers omkwamen en meer dan 80.000 mensen dakloos werden. Het bombardement veroorzaakte ook grootschalige branden, die de verwoesting van de stad verder verergerden.
Ondanks de zware schade aan de stad werden de Nederlandse verdedigingslinies grotendeels gespaard. De Duitse bombardementen waren namelijk niet specifiek gericht op de militaire posities, waardoor de Nederlandse troepen aan de noordzijde van de Maas nog steeds intact waren. Desondanks had het bombardement een enorme psychologische impact op de Nederlandse commandanten, en vooral op de burgerbevolking van Rotterdam.
De Nederlandse capitulatie
Na het bombardement op Rotterdam bevond kolonel Scharroo zich in een moeilijke positie. De stad was zwaar getroffen, en hoewel de Nederlandse verdediging nog standhield, was de dreiging van een volledige vernietiging van de stad duidelijk. De burgemeester van Rotterdam en andere lokale leiders drongen aan op een overgave om verdere verwoesting te voorkomen.
Op de middag van 14 mei, na overleg met generaal Winkelman, besloot kolonel Scharroo tot capitulatie over te gaan. Dit besluit was vooral ingegeven door de immense druk van het bombardement en de vrees voor verdere luchtaanvallen. De Nederlandse troepen in Rotterdam kregen het bevel om hun wapens neer te leggen, en rond 18:00 uur begonnen de eerste Duitse troepen de brandende stad binnen te trekken.
De formele capitulatie van Rotterdam vond plaats in de avond van 14 mei. Generaal Schmidt ontving kolonel Scharroo bij de Maasbruggen, waar de overgave werd geregeld. Hoewel Scharroo duidelijk zijn ongenoegen uitte over de verwoesting van de stad ondanks de onderhandelingen, was de overgave onvermijdelijk geworden. Het bombardement op Rotterdam was een van de beslissende momenten in de Nederlandse capitulatie, die de volgende dag officieel werd ondertekend door generaal Winkelman.
De nasleep van de capitulatie en de impact van het bombardement
De Duitse bezetting van Rotterdam en het einde van de strijd
Na de Nederlandse capitulatie op 14 mei 1940 trokken de Duitse troepen de verwoeste stad binnen. De strijd in Rotterdam was in feite ten einde, hoewel sommige geïsoleerde Nederlandse eenheden nog steeds onwetend waren van het staakt-het-vuren en sporadisch bleven vechten. Deze laatste schermutselingen stopten toen het nieuws van de overgave zich verspreidde.
De verwoesting van het centrum van Rotterdam was groot. De branden die na het bombardement waren ontstaan, duurden nog dagen voort. Grote delen van de stad waren compleet verwoest, en meer dan 80.000 Rotterdammers raakten dakloos. Veel historische gebouwen en wijken werden in de as gelegd, waaronder de oude binnenstad van Rotterdam. De materiële schade was enorm, maar het was vooral de menselijke tol—zowel in termen van levens als psychologische impact—die de stad voor altijd zou veranderen.
De Duitse bezettingsmacht zette zich na de overgave in om de controle over Rotterdam te consolideren. Strategisch was de stad van groot belang vanwege de ligging aan de Maas en de nabijheid van de haven, een van de grootste in Europa. De Duitse legerleiding kon na de inname van Rotterdam verder oprukken naar het hart van Nederland, wat bijdroeg aan de uiteindelijke capitulatie van het gehele land op 15 mei 1940.
De bredere gevolgen van het bombardement
Het bombardement op Rotterdam had niet alleen directe gevolgen voor de stad, maar ook voor de bredere Nederlandse oorlogsvoering en internationale diplomatieke reacties. De verwoesting van een groot deel van de stad leidde tot wereldwijde verontwaardiging, met name in neutrale en geallieerde landen. Het bombardement werd door velen gezien als een voorbeeld van Duitse terreurbombardementen, een tactiek die ook in andere Europese steden werd toegepast.
Hoewel het bombardement aanvankelijk een militaire doelstelling had—het doorbreken van het Nederlandse verzet bij de bruggen—werd het vooral een symbool van de brute kracht van de Blitzkrieg-tactieken die de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikten. In Nederland zelf leidde de vernietiging van Rotterdam tot een versnelde capitulatie van de rest van het land. Generaal Henri Winkelman, de opperbevelhebber van het Nederlandse leger, besloot op 15 mei 1940 de wapens neer te leggen om verdere bombardementen op andere steden, zoals Utrecht, te voorkomen.
Internationaal gezien diende het bombardement op Rotterdam als een waarschuwing voor andere Europese landen over de snelheid en intensiteit waarmee de Duitsers militaire overwinningen konden behalen. Het was ook een voorbode van de zwaardere bombardementen die later in de oorlog zouden plaatsvinden, met name in Groot-Brittannië tijdens de Slag om Engeland.
De wederopbouw van Rotterdam
Na de oorlog begon de lange en moeizame wederopbouw van Rotterdam. De verwoesting van de binnenstad bood echter ook de mogelijkheid om de stad opnieuw te ontwerpen. In plaats van het oude, middeleeuwse stratenpatroon te herstellen, werd gekozen voor een moderne stadsplanning. Deze beslissing leidde ertoe dat Rotterdam vandaag de dag bekend staat om zijn vooruitstrevende architectuur en moderne skyline, een direct gevolg van de verwoesting die plaatsvond op 14 mei 1940.
De herinnering aan het bombardement blijft echter levendig in de stad. Elk jaar wordt er op 14 mei een herdenking gehouden voor de slachtoffers van het bombardement en de strijd in Rotterdam. Monumenten, zoals het standbeeld “De Verwoeste Stad” van de beeldhouwer Ossip Zadkine, dienen als blijvende herinneringen aan de tragische gebeurtenissen van die dagen.
Conclusie
De strijd om de Maasbruggen in Rotterdam was een van de meest strategische gevechten tijdens de Duitse invasie van Nederland in mei 1940. De controle over deze bruggen was essentieel voor de Duitse opmars naar het westen, met als doel de verbinding met de rest van het land veilig te stellen en de Nederlandse weerstand in de Vesting Holland te breken. Ondanks dappere pogingen van de Nederlandse verdedigers om de Duitse opmars te vertragen, konden ze niet voorkomen dat de bruggen uiteindelijk in Duitse handen vielen.
Het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940, hoewel een tragisch en destructief moment, was direct verbonden aan de strijd om de bruggen. De vernietiging van het stadscentrum leidde tot een psychologische druk op zowel de Nederlandse militairen als de burgerbevolking, wat de capitulatie versnelde. Met de inname van Rotterdam, en specifiek de controle over de Maasbruggen, was de weg vrij voor de Duitse troepen om verder op te rukken in Nederland.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Bundesarchiv, Bild 146-1984-021-17 / Fasshauer / CC-BY-SA 3.0, CC BY-SA 3.0 DE, via Wikimedia Commons
- Amersfoort, H., & Kamphuis, P. (1984). Mei 1940: De strijd op Nederlands grondgebied. Den Haag: Sdu Uitgevers.
- Foray, J. M. (2011). The Fall of Rotterdam: German Blitzkrieg and Dutch Surrender, 1940. New York: Cambridge University Press.
- Wagenaar, A. (1994). Rotterdam en het bombardement: 1940-1945. Rotterdam: De Hef Uitgevers.
- Lyman, R. (2006). The Blitzkrieg Myth: How Hitler and the Allies Misread the Strategic Realities of World War II. New York: Basic Books.
- Bronnen Mei1940









