Maurice Gamelin en de Franse nederlaag van 1940

Maurice Gustave Gamelin (1872–1958) was een Franse generaal die in de jaren dertig aan het hoofd van het Franse leger kwam te staan en vanaf september 1939 het geallieerde opperbevel in Frankrijk voerde. Hij gold als een bekwame stafofficier en organisator, maar zijn naam bleef vooral verbonden aan de snelle nederlaag van Frankrijk in mei 1940.

Vroege leven en opleiding

Familieachtergrond

Maurice Gustave Gamelin werd op 20 september 1872 geboren in Parijs, aan de Boulevard Saint-Germain. Hij kwam uit een familie met een lange militaire traditie. Zijn vader Zéphyrin Gamelin had gediend in het Franse leger, was gewond geraakt bij Solferino en bereikte later de functie van inspecteur-generaal. Ook aan moederszijde bestonden nauwe banden met de krijgsmacht. Die omgeving, samen met de Franse nederlaag van 1870 en het verlies van Elzas-Lotharingen, bepaalde al vroeg zijn belangstelling voor een militaire loopbaan.

Saint-Cyr en vorming

Na zijn schooltijd aan het Collège Stanislas koos Gamelin voor de École Spéciale Militaire de Saint-Cyr, waar hij in 1891 werd toegelaten. Hij behoorde daar tot de beste cadetten en sloot zijn opleiding in 1893 af als eerste van zijn lichting. Vervolgens trad hij in dienst bij het 3e Algerijnse regiment Tirailleurs in Constantine. Daarna werkte hij in een topografische brigade en nam hij deel aan karteringswerk in Tunesië. Die combinatie van veldwerk, nauwkeurigheid en stafopleiding zou later kenmerkend blijven voor zijn manier van bevelvoeren.

Vroege loopbaan en intellectuele vorming

In 1899 werd Gamelin toegelaten tot de École de Guerre, de Franse oorlogsschool, waar hij in 1901 als tweede van zijn klas afstudeerde. Onder zijn docenten maakte vooral Ferdinand Foch indruk op hem. Na verschillende stafstages en troepencommando’s kreeg hij in 1904 het bevel over een compagnie chasseurs alpins. In 1906 publiceerde hij Étude philosophique sur l’art de la guerre, een studie voor officieren in opleiding. Daarmee vestigde hij zijn naam als militair denker. Kort daarna werd hij adjudant en vertrouweling van generaal Joseph Joffre, een relatie die zijn verdere loopbaan sterk beïnvloedde.

Deelname aan de Eerste Wereldoorlog

Bij Joffre en de Marne

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog maakte Gamelin deel uit van de directe omgeving van opperbevelhebber Joseph Joffre. Vanuit het Grand Quartier Général vervulde hij een rol als adviseur, verbindingsofficier en medewerker van het operationele bureau. In de dagen voorafgaand aan de Eerste Slag aan de Marne behoorde hij tot de officieren die een tegenaanval voorstelden in plaats van een verdere terugtocht. De planning van die veldslag was het werk van meerdere stafofficieren, maar Gamelin leverde daaraan een zichtbaar aandeel en verwierf daardoor aanzien binnen de legerleiding.

Van stafwerk naar frontcommando

In 1915 werd hij hoofd van het 3e bureau voor de noordelijke en noordoostelijke legers, waar hij betrokken was bij de voorbereiding van de geallieerde offensieven in Artois en Champagne. Na die fase vroeg hij om een troepencommando aan het front. In 1916 kreeg hij het bevel over de 2e Brigade Chasseurs in de Vogezen en later aan de Somme. Datzelfde jaar werd hij bevorderd tot kolonel en vervolgens, eerst tijdelijk en later definitief, tot brigadegeneraal. Die overgang van bureauwerk naar direct bevel gaf hem een breder militair profiel.

Het bevel in 1918

Na een korte periode als chef-staf van de Reservelegergroep kreeg Gamelin in 1917 het bevel over de 9e Infanteriedivisie. Tijdens het Duitse lenteoffensief van 1918 wist deze divisie, ondanks numerieke achterstand, de opmars bij Noyon te vertragen totdat versterkingen arriveerden. Later vocht de divisie ook in de Tardenois en in het kader van het slotoffensief van 1918. Tegen het einde van de oorlog gold Gamelin als een bekwaam divisiecommandant die ordelijk opereerde, de samenhang van zijn eenheden bewaakte en geen onnodige verliezen nastreefde.

Interbellum: van buitenlandse opdrachten tot opperbevel

Brazilië en de Levant

Na de oorlog werd Gamelin in 1919 uitgezonden naar Brazilië, waar hij de Franse militaire missie ging leiden. Daar adviseerde hij over de organisatie van het Braziliaanse leger en over de plaats van de krijgsmacht in een instabiel politiek klimaat. Na zijn terugkeer kreeg hij in 1925 een nieuwe opdracht in de Levant. Als bevelhebber van de Franse troepen in Syrië en Libanon leidde hij de onderdrukking van de Grote Syrische Opstand. De Franse beschieting van Damascus in oktober 1925 vond plaats onder zijn bevel en bracht hem internationale aandacht, maar ook blijvende kritiek.

Opkomst in de legerleiding

In de tweede helft van de jaren twintig en het begin van de jaren dertig steeg Gamelin snel binnen de hoogste legerkringen. Hij voerde achtereenvolgens commando over grote formaties en werd in 1931 chef van de generale staf van het leger. Daarmee kwam hij in het centrum van de Franse defensiepolitiek terecht. In 1935 volgde hij Maxime Weygand op als vicevoorzitter van de Conseil supérieur de la guerre, terwijl hij tegelijk chef van de generale staf bleef. In de praktijk betekende dit dat hij in vredestijd de leidende militair van Frankrijk werd en bij oorlog als toekomstig opperbevelhebber gold.

Republiek, politiek en herbewapening

Gamelin stond bekend als een overtuigd republikein en stelde zich op het standpunt dat het leger buiten partijpolitiek moest blijven. Na de verkiezing van het Volksfront in 1936 verzekerde hij premier Léon Blum dat hij de krijgsmacht uit de politieke strijd zou houden. Tegelijk werkte hij nauw samen met Édouard Daladier, met wie hij de noodzaak van herbewapening deelde. Toch bleef zijn optreden in de buitenlandse crises van het interbellum voorzichtig. Tijdens de Rijnlandcrisis van 1936 droeg zijn terughoudende beoordeling van de militaire mogelijkheden eraan bij dat Frankrijk niet ingreep tegen de Duitse herbezetting.

Doctrine, mechanisatie en de Maginotlinie

Als chef van het Franse leger stond Gamelin niet stil bij één enkel verdedigingsmiddel, maar zijn strategische denken bleef sterk gericht op een langdurige uitputtingsoorlog. De Maginotlinie paste in dat kader als vaste verdedigingsgordel, al zag hij die niet als enige oplossing. Hij verzette zich tegen een volledige verlenging van die linie tot aan België, mede omdat hij geld en materieel nodig achtte voor modernisering elders. Onder zijn leiding werd ook de Franse tactische instructie voor grote eenheden herzien, terwijl openlijke kritiek op de vastgestelde leer weinig ruimte kreeg. Hij steunde gemotoriseerde en gepantserde eenheden, maar bleef tanks vooral zien als steun voor infanterie en niet als zelfstandig beslissingswapen.

Naar de oorlog van 1939

Gamelin ging ervan uit dat een nieuwe oorlog lang zou duren. Volgens zijn opvatting konden Frankrijk en Groot-Brittannië Duitsland economisch uitputten door blokkade, terwijl zij tegelijk hun eigen productie en legers opbouwden voor een later offensief. Die benadering beïnvloedde ook zijn houding in 1938 en 1939. Tijdens de crisis rond Tsjechoslowakije waarschuwde hij voor zware verliezen bij een direct offensief. In de Danzig-crisis gaf hij Poolse gesprekspartners een te gunstig beeld van de Franse mogelijkheden, terwijl het Franse leger in werkelijkheid nog niet in staat was tot een snelle grote aanval.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog

Oorlogsconcept en commandostructuur

Na de Duitse aanval op Polen en de Franse mobilisatie in september 1939 voerde Gamelin het opperbevel over de geallieerde strijdkrachten in Frankrijk. Zijn uitgangspunt bleef een lange oorlog, waarin tijd in het voordeel van de geallieerden zou werken. Tijdens de schemeroorlog beperkte hij zich tot een klein offensief in het Saarland, dat snel werd beëindigd. Zijn commandostructuur bleek intussen omslachtig. Het hoofdkwartier was verdeeld over verschillende locaties, de verbindingen waren traag en voor berichten werd vaak gebruikgemaakt van ordonnansen in plaats van moderne radioverbindingen.

De Dyle-lijn en de Bredavariant

De Belgische neutraliteit maakte de Franse planning ingewikkeld. Gamelin wilde voorkomen dat een Duitse aanval diep in België zou doorstoten voordat Franse en Britse troepen daar stelling konden nemen. Daarom ontwikkelde hij het Dyle-plan, waarbij de geallieerden na een Duitse aanval snel naar centraal België zouden oprukken. In maart 1940 breidde hij dit plan uit met de Bredavariant, bedoeld om contact te leggen met het Nederlandse leger. Daardoor werden extra divisies, waaronder sterke mobiele eenheden, naar het noorden gestuurd. Het gevolg was dat de reserves achter het midden van het front kleiner werden.

De Duitse doorbraak in mei 1940

Toen Duitsland op 10 mei 1940 aanviel, zette Gamelin het Dyle-Breda-plan onmiddellijk in werking. De geallieerde legers trokken België binnen, terwijl de hoofdaanval van het Duitse leger via de Ardennen liep. Gamelin had deze route wel overwogen, maar achtte haar minder geschikt voor een snelle massa-operatie. In een Franse oefening van 1938 was al gesuggereerd dat gemechaniseerde colonnes de Maas zeer snel konden bereiken, maar dat scenario was binnen de legerleiding niet leidend geworden. In de praktijk bereikten Duitse pantsercolonnes de Maas veel sneller dan het Franse opperbevel had verwacht, waarna de doorbraak bij Sedan het geallieerde front openbrak.

Het verlies van initiatief en het ontslag

De gebeurtenissen van 15 tot en met 19 mei 1940 maakten duidelijk dat het Franse opperbevel geen samenhangend antwoord meer had op de snelheid van de Duitse opmars. De bevelvoering werd bovendien diffuser toen Gamelin verantwoordelijkheden over Britse en Belgische troepen verder delegeerde binnen een al ingewikkelde commandolijn. Tijdens een bespreking met Paul Reynaud en Winston Churchill moest hij erkennen dat er geen sterke manoeuvre-reserve meer beschikbaar was. Dat antwoord is later het bekendste symbool geworden van zijn falen als opperbevelhebber. Op 19 mei 1940 werd hij door Reynaud ontslagen en vervangen door Maxime Weygand.

Vichy, Riom en Duitse gevangenschap

Na de Franse nederlaag raakte Gamelin politiek geïsoleerd. Het Vichy-regime arresteerde hem in september 1940 en maakte hem later een van de beklaagden in het Proces van Riom, dat moest aantonen dat de nederlaag was veroorzaakt door de Derde Republiek en haar militaire leiding. Gamelin koos er tijdens het proces voor grotendeels te zwijgen. In 1943 werd hij door de Duitsers weggevoerd naar een aan Buchenwald verbonden verblijf en daarna overgebracht naar Slot Itter in Tirol. Daar werd hij in mei 1945 bevrijd, in de laatste dagen van de oorlog in Europa.

Na de oorlog

Memoires en teruggetrokken bestaan

Na 1945 keerde Gamelin terug naar Frankrijk en begon hij direct aan zijn memoires. Tussen 1946 en 1947 verschenen de drie delen van Servir, waarin hij zijn loopbaan en de jaren 1930–1940 vanuit zijn eigen standpunt reconstrueerde. Later publiceerde hij ook Manœuvre et victoire de la Marne, een studie over de Marneveldslag. Zijn memoires werden echter niet ontvangen als een definitief weerwoord op zijn critici. Veel lezers en historici vonden dat hij de verantwoordelijkheid te sterk bij ondergeschikten legde en zijn eigen aandeel te beperkt beoordeelde.

Historisch oordeel

Het latere oordeel over Gamelin is gemengd gebleven. Over zijn bekwaamheid als stafofficier, planner en organisator bestaat weinig twijfel. Evenmin wordt betwist dat hij in de Eerste Wereldoorlog een verdienstelijke rol vervulde en in het interbellum een leidende bestuurder van de Franse defensie was. De zwaarste kritiek betreft zijn optreden in 1939 en 1940: zijn vertrouwen in een lange oorlog, zijn terughoudende stijl van leidinggeven, de verspreiding van het hoofdkwartier en zijn verkeerde inschatting van de Ardennen maakten het Franse antwoord op de Duitse aanval traag en weinig samenhangend.

Overlijden

In zijn laatste jaren leefde Gamelin grotendeels teruggetrokken in Parijs. Hij onderhield nog slechts met een kleine kring contact en trad weinig in het openbaar op. Op 22 januari 1958 viel hij van een trap en liep hij een ernstige hoofdwond op. Hij overleed op 18 april 1958 in het militaire ziekenhuis Val-de-Grâce aan een hersenbloeding. Voor zijn begrafenis wenste hij geen uitgebreide militaire eerbewijzen. Daarmee eindigde het leven van een officier die decennialang tot de Franse top had behoord, maar wiens naam vooral met 1940 verbonden bleef.

Militaire Rangen

Gamelins loopbaan verliep in een vrijwel ononderbroken stijgende lijn. Hij werd in 1893 tweede luitenant, bereikte na de oorlogsschool de rang van kapitein en werd in 1911 commandant. Tijdens de Eerste Wereldoorlog volgden bevorderingen tot luitenant-kolonel, kolonel en brigadegeneraal. In het interbellum werd hij generaal van divisie en daarna generaal van een legerkorps. In de jaren dertig bereikte hij de hoogste Franse legerleiding als chef van de generale staf en vicevoorzitter van de Conseil supérieur de la guerre, de functie die hem in oorlogstijd tot opperbevelhebber maakte.

Onderscheidingen

Gamelin ontving een groot aantal Franse en buitenlandse onderscheidingen. In Frankrijk kreeg hij achtereenvolgens het ridderschap, officierschap, commandeurschap, grootofficierschap en uiteindelijk het grootkruis van het Legioen van Eer. Daarnaast ontving hij de Médaille militaire, het Croix de Guerre 1914–1918, het Croix de guerre des théâtres d’opérations extérieures en de geallieerde overwinnings- en herdenkingsmedailles van de Eerste Wereldoorlog. Buitenlandse orden kwamen onder meer uit het Verenigd Koninkrijk, België, Italië, de Verenigde Staten, Polen, Tsjechoslowakije, Finland, Litouwen, Letland, Brazilië, Griekenland, Japan, Monaco, Marokko, Tunesië, Libanon, Siam, Roemenië, Joegoslavië en Rusland.

Conclusie

Maurice Gamelin was een product van de Franse militaire cultuur na 1870: uitstekend geschoold, sterk in stafwerk en overtuigd van methodische oorlogsvoering. Die eigenschappen ondersteunden zijn opmars naar de top van het leger en pasten bij de Franse defensiepolitiek van het interbellum. In 1940 bleken dezelfde eigenschappen minder geschikt voor een oorlog die werd beslist door snelheid, improvisatie en geconcentreerde mobiele kracht. Daardoor bleef zijn nalatenschap verdeeld tussen bestuurlijke bekwaamheid en militair falen.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Agence de presse Meurisse, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Alexander, Martin S. (1992). The Republic in Danger: General Maurice Gamelin and the Politics of French Defence, 1933–1940. New York: Cambridge University Press. ISBN 0-521-37234-8.
  3. Schiavon, Max (2021). Gamelin: la tragédie de l’ambition. Paris: Perrin. ISBN 978-226-208-001-3.
  4. Jackson, Julian (2004). The Fall of France: The Nazi Invasion of 1940. Oxford: Oxford University Press. ISBN 978-019-280-550-8.
  5. Kiesling, Eugenia C. (1996). Arming Against Hitler: France and the Limits of Military Planning. Lawrence, KS: University Press of Kansas. ISBN 978-070-060-764-8.
  6. Le Goyet, Pierre (1976). Le mystère Gamelin. Paris: Presses de la Cité. ISBN 978-225-819-002-3.
  7. Shirer, William L. (1971). The Collapse of the Third Republic: An Inquiry into the Fall of France in 1940. Richmond Hill, ON: Simon & Schuster. ISBN 978-067-178-509-3.
  8. Harding, Stephen (2013). The Last Battle: When U.S. and German Soldiers Joined Forces in the Waning Hours of World War II in Europe. Philadelphia: Da Capo Press. ISBN 978-0-306-82209-4.
  9. Streicher, Jean-Claude (2014). Le général Huntziger: l’Alsacien du maréchal Pétain. Colmar: J. Do Bentzinger. ISBN 978-284-960-435-9.
  10. Adamthwaite, Anthony (1977). France and the Coming of the Second World War, 1936-1939. London: Taylor & Francis. ISBN 9781000352788.
  11. Krause, Jonathan; Philpott, William (2023). French Generals of the Great War: Leading the Way. Barnsley: Pen and Sword Books. ISBN 978-1781592526.
  12. Alexander, Martin S. (1991). “Maurice Gamelin and the defeat of France, 1939–40”. In Bond, Brian (red.). Fallen Stars. Eleven Studies of Twentieth Century Military Disaster. London: Brassey’s. ISBN 0-08-040717-X.
  13. Garçon, Ségolène (2007). “Travailler au Grand Quartier général des Forces Terrestres en 1939-1940”. Revue historique des armées 248. ISSN 1965-0779.
  14. Parker, R. A. C. (1956). “The First Capitulation: France and the Rhineland Crisis of 1936”. World Politics 8(3). DOI 10.2307/2008855. JSTOR 2008855.
  15. Alexander, Martin S. (1996). “‘Fighting to the Last Frenchman’? Reflections on the BEF Deployment to France and the Strains in the Franco-British Alliance, 1939-40”. Historical Reflections / Réflexions Historiques 22(1). JSTOR 41299057.
  16. Imlay, Talbot Charles (2004). “A Reassessment of Anglo-French Strategy during the Phony War, 1939-1940”. The English Historical Review 119(481). DOI 10.1093/ehr/119.481.333.
  17. Salerno, Reynolds M. (1997). “The French Navy and the Appeasement of Italy, 1937-9”. The English Historical Review 112(445). DOI 10.1093/ehr/CXII.445.66.
  18. Stafford, P. R. (1984). “The French Government and the Danzig Crisis: The Italian Dimension”. The International History Review 6(1). DOI 10.1080/07075332.1984.9640333.
  19. Thomas, Martin (1999). “France and the Czechoslovak crisis”. Diplomacy & Statecraft 10(2–3). DOI 10.1080/09592299908406127.
  20. Maiolo, Joseph (2010). Cry Havoc: How the Arms Race Drove the World to War, 1931-1941. New York: Basic Books. ISBN 9780465022670.
  21. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.