Friedrich Hossbach (1894 – 1980) Generaal van de infanterie

Friedrich Wilhelm Ludwig Hossbach (21 november 1894–10 september 1980) was een Duitse beroepsofficier in het keizerlijke leger, de Reichswehr en de Wehrmacht. Van 1934 tot 1938 was hij militair adjudant van Adolf Hitler. Hij stelde in november 1937 het verslag op dat bekendstaat als het Hossbach-memorandum. Tijdens de Tweede Wereldoorlog voerde hij divisies, een pantserkorps en het 4e Leger aan.

Vroege leven en opleiding

Hossbach werd geboren in Unna, in de toenmalige Pruisische provincie Westfalen. Zijn vader Heinrich Hossbach werkte als leraar; zijn moeder was Anna Hossbach, geboren Paulus. Hij groeide op in het Duitse Keizerrijk, waar het officiersberoep nauw verbonden was met het Pruisische militaire onderwijs. Vanaf 1905 volgde hij een cadettenopleiding, die hem voorbereidde op een loopbaan als beroepsmilitair.

Zijn opleiding voerde hem langs Pruisische cadettenscholen en eindigde bij de hoofdcadetteninstelling in Groß-Lichterfelde en de krijgsschool in Klein-Glienicke. Daar kreeg hij onderwijs in tactiek, wapenkunde, kaartlezen, exercitie en militaire administratie. Op 29 oktober 1913 trad hij als vaandrig toe tot het 2e Kurhessische Infanterieregiment nr. 82 van het Pruisische leger. Op 19 juni 1914 volgde zijn bevordering tot tweede luitenant.

Het regiment had zijn garnizoen in Göttingen, de stad waarmee Hossbach ook later verbonden bleef. Zijn eerste officiersmaanden vielen in een periode waarin de Europese spanningen snel toenamen. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 kreeg zijn opleiding vrijwel onmiddellijk een praktische voortzetting aan het front. De combinatie van regimentservaring en stafwerk bepaalde vervolgens een groot deel van zijn loopbaan.

Deelname aan de Eerste Wereldoorlog

Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende Hossbach aanvankelijk bij Infanterieregiment nr. 82 aan het westfront. Hij werd ingezet als pelotons- en compagnieofficier en vervulde vanaf eind 1914 de functie van adjudant bij het derde bataljon. Een adjudant verzorgde onder meer bevelsoverdracht, rapportage en de verbinding tussen commandant en ondergeschikte eenheden. Daardoor deed Hossbach al vroeg ervaring op met zowel gevechtsleiding als stafwerk.

Op 15 september 1916 werd hij regimentsadjudant van Infanterieregiment nr. 419. Vanaf 2 maart 1918 werkte hij als ordonnansofficier bij het generaalcommando van het XVIIIe Legerkorps, waar hij tot na de wapenstilstand bleef. Op 20 september 1918 werd hij bevorderd tot eerste luitenant. Voor zijn oorlogsdienst ontving hij onder meer beide klassen van het IJzeren Kruis, het Hanseatenkruis van Hamburg en het zwarte Gewondeninsigne.

Na de wapenstilstand van 11 november 1918 keerde Hossbach terug naar zijn oorspronkelijke regiment. Duitsland demobiliseerde een groot deel van zijn strijdkrachten, terwijl in verschillende grensgebieden en steden gewapende onrust bestond. Hossbach diende korte tijd in formaties die bij de grensbewaking en de overgang naar een kleiner beroepsleger waren betrokken. Zijn selectie voor de nieuwe Reichswehr maakte voortzetting van zijn militaire loopbaan mogelijk.

Interbellum: Reichswehr en het Hossbach-memorandum

In 1920 werd Hossbach opgenomen in de Reichswehr, het leger van de Weimarrepubliek. Dit leger mocht volgens het Verdrag van Versailles hoogstens 100.000 militairen tellen en geen formele generale staf bezitten. De opleiding van toekomstige stafofficieren ging daarom onder andere benamingen door, waaronder de opleiding tot Führergehilfe. Hossbach doorliep deze vorming en vervulde daarna functies bij troepenonderdelen en staven.

Hij diende onder meer bij het 17e Infanterieregiment en werkte vanaf 1930 binnen het Reichswehrministerium in Berlijn. Op 1 maart 1927 werd hij bevorderd tot kapitein en in de volgende jaren verrichtte hij zowel stafwerk als een functie als compagniecommandant. Op 1 maart 1934 volgde zijn bevordering tot majoor. Zijn ervaring met personeelszaken en besluitvorming in de legerleiding bracht hem dicht bij de hoogste militaire bestuurslaag.

Op 4 augustus 1934, twee dagen na de dood van rijkspresident Paul von Hindenburg, werd Hossbach militair adjudant van Adolf Hitler. Hij vertegenwoordigde in die functie het leger bij Hitler en vormde een verbinding tussen het staatshoofd en de legerleiding. Vanaf juli 1935 leidde hij daarnaast de centrale afdeling van de generale staf van het leger. Hij werd op 1 september 1935 luitenant-kolonel en op 1 maart 1937 kolonel.

Als adjudant woonde Hossbach op 5 november 1937 een besloten bespreking in de Rijkskanselarij in Berlijn bij. Behalve Hitler waren minister van Oorlog Werner von Blomberg, legeropperbevelhebber Werner von Fritsch, luchtmachtchef Hermann Göring, marinechef Erich Raeder en minister van Buitenlandse Zaken Konstantin von Neurath aanwezig. De bijeenkomst begon naar aanleiding van vragen over de verdeling van grondstoffen voor de bewapening. Hitler gebruikte het overleg vervolgens om zijn opvattingen over de buitenlandse politiek en territoriale uitbreiding uiteen te zetten.

Hossbach werkte de inhoud op 10 november 1937 uit, vijf dagen na de bespreking, aan de hand van zijn eigen aantekeningen. Zijn tekst was geen woordelijk stenogram en evenmin een door alle aanwezigen goedgekeurd protocol. Het document droeg de Duitse aanduiding Niederschrift en werd later algemeen het Hossbach-memorandum genoemd. Die aard van de tekst is van belang: hij legde de hoofdlijnen en argumenten vast, maar niet iedere uitgesproken zin.

Volgens de notitie stelde Hitler dat Duitsland meer grondgebied en bestaansruimte nodig had en dat geweld daarvoor uiteindelijk noodzakelijk kon worden. Oostenrijk en Tsjechoslowakije werden genoemd als eerste doelen van uitbreiding, terwijl 1943 tot 1945 als uiterste tijdsruimte voor optreden werd besproken. Eerdere actie kon volgens Hitler volgen wanneer Frankrijk intern verzwakt raakte of in een andere oorlog verwikkeld werd. Blomberg en Fritsch wezen tijdens de bijeenkomst op de militaire risico’s en op mogelijke reacties van Frankrijk en Groot-Brittannië.

Na de oorlog kreeg de notitie een plaats in het proces tegen de voornaamste Duitse oorlogsmisdadigers in Neurenberg. Zij werd daar geregistreerd als document 386-PS en door de Amerikaanse aanklagers ingebracht als bewijsstuk USA-25. De aanklagers gebruikten haar als bewijs voor plannen tot gewelddadige uitbreiding vóór het uitbreken van de Europese oorlog in 1939. Hossbach verklaarde in 1946 dat de overgeleverde tekst wat inhoud en stijl betreft in hoofdzaak overeenkwam met zijn eigen verslag.

Begin 1938 raakte Hossbach betrokken bij de Blomberg-Fritsch-crisis, waarbij de hoogste legerleiding ingrijpend werd gewijzigd. Hitler informeerde hem over een beschuldiging van homoseksueel gedrag tegen Werner von Fritsch en verlangde vertrouwelijkheid. Hossbach waarschuwde Fritsch toch, zodat deze zich tegen de beschuldiging kon verdedigen. De aantijging bleek op persoonsverwisseling te berusten, maar Fritsch verloor desondanks zijn positie als opperbevelhebber van het leger.

Op 28 januari 1938 werd Hossbach ontheven uit zijn functie als militair adjudant; luitenant-kolonel Rudolf Schmundt volgde hem op. De maatregel beëindigde zijn directe toegang tot Hitler, maar niet zijn loopbaan in de Wehrmacht. Later dat jaar kreeg hij opnieuw een troepencommando, als commandant van Infanterieregiment 82. Zijn optreden in de Fritsch-zaak vormde geen volledige breuk met het nationaalsocialistische bewind, want hij bleef daarna hoge bevelsfuncties vervullen.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog

Kort voor de Duitse aanval op Polen in september 1939 werd Hossbach als stafchef bij het XXXe Legerkorps geplaatst. Daarna werkte hij korte tijd als stafchef van het IIe Legerkorps, voordat hij terugkeerde naar Infanterieregiment 82. Met dit regiment nam hij in 1940 deel aan de veldtocht in het westen. Op 7 oktober 1940 ontving hij als kolonel en regimentscommandant het Ridderkruis van het IJzeren Kruis.

Vanaf juni 1941 vocht Hossbach met zijn regiment in de Duitse oorlog tegen de Sovjet-Unie. De eenheid maakte deel uit van de 31e Infanteriedivisie en rukte op in de centrale sector van het oostfront. De gevechten en de grote afstanden stelden andere eisen aan bevoorrading en leiding dan de campagne in West-Europa. Op 22 juli 1941 kreeg hij het Erebladgesp van het leger voor zijn optreden als commandant.

In januari 1942 nam Hossbach enkele dagen waarnemend het bevel over de 31e Infanteriedivisie. Op 1 maart werd hij generaal-majoor en een maand later kreeg hij de 82e Infanteriedivisie onder zijn bevel. Hij leidde deze divisie tot juli 1942 en werd op 1 augustus bevorderd tot luitenant-generaal. Na een periode in de Führerreserve, waarin officieren zonder vast commando beschikbaar bleven, keerde hij in mei 1943 terug als commandant van de 31e Infanteriedivisie.

Met die divisie nam Hossbach in juli 1943 deel aan Operatie Citadel, het Duitse offensief rond Koersk. Nadat het offensief was vastgelopen, kreeg hij in augustus het bevel over het LVI Pantserkorps, oftewel het 56e Pantserkorps. Op 1 november 1943 volgde zijn bevordering tot generaal der infanterie. Hoewel de naam van het korps naar pantsertroepen verwees, kon de samenstelling afhankelijk van de opdracht ook infanteriedivisies en andere eenheden omvatten.

Op 18 juli 1944 kreeg Hossbach het bevel over het 4e Leger. Dit leger was tijdens het Sovjetoffensief Operatie Bagration zwaar getroffen en moest tijdens de terugtocht opnieuw worden geordend. In de daaropvolgende maanden bezette het verdedigingsstellingen in Oost-Pruisen. Hossbach ontving op 21 november 1944, zijn vijftigste verjaardag, een belastingvrije schenking van 50.000 rijksmark van Hitler, zoals meer hoge officieren en bestuurders dergelijke geldgeschenken kregen.

Het Sovjetleger begon op 13 januari 1945 een groot offensief tegen Oost-Pruisen. Door de snelle doorbraak dreigde het 4e Leger te worden afgesneden tussen Sovjettroepen en de Oostzee. Hossbach liet stellingen bij Lötzen ontruimen en beval een terugtocht in westelijke richting, hoewel Hitlers bevelen het vasthouden van het gebied voorschreven. Zijn doel was de omsingeling en vernietiging van een groot deel van het leger te voorkomen. De vergelijking met een „tweede Stalingrad” verwees naar het risico dat ingesloten troepen zonder uitweg zouden worden vernietigd of krijgsgevangen gemaakt.

De poging om richting Elbing uit de omsingeling te breken begon in de nacht van 26 januari, maar bereikte het gestelde doel niet. Hitler onthefte Hossbach op 29 januari 1945 van zijn commando en verving hem door generaal Friedrich-Wilhelm Müller. Daarmee eindigde Hossbachs actieve dienst als legercommandant. De gebeurtenissen maakten zichtbaar hoe Hitlers bevel tot standhouden botste met de militaire beoordeling van een terugtocht uit een bijna gesloten omsingeling.

Tegen het einde van de oorlog werd Hossbach wegens een oorontsteking behandeld in het academisch ziekenhuis van Göttingen. Op 8 april 1945 werd hij gewaarschuwd voor een door plaatselijke nationaalsocialistische autoriteiten georganiseerde poging om hem aan te houden. Toen de groep bij zijn verblijf verscheen, schoot hij vanaf een balkon met een pistool en ontstond een kort vuurgevecht. Een geüniformeerde Gestapofunctionaris, twee politieagenten in burger en een SS-lid vertrokken vervolgens per auto voordat Amerikaanse troepen de stad bereikten.

Nog geen uur later kwamen Amerikaanse militairen bij het gebouw aan en namen Hossbach gevangen. Hij werd als Duitse generaal in geallieerde krijgsgevangenschap geplaatst en bleef daar tot 1947. Het incident in Göttingen veranderde niets aan die status. Na zijn vrijlating keerde hij terug naar het burgerleven en bekleedde hij geen nieuwe militaire functie.

Na de oorlog

Hossbach vestigde zich na zijn krijgsgevangenschap in Göttingen. In de eerste naoorlogse jaren publiceerde hij teksten over de verhouding tussen de Wehrmachtleiding en Hitler en over militaire verantwoordelijkheid vóór de oorlog. Tot zijn werken behoren Von der militärischen Verantwortlichkeit in der Zeit vor dem Zweiten Weltkriege uit 1948 en Zwischen Wehrmacht und Hitler, 1934–1938 uit 1949. Daarin beschreef hij gebeurtenissen waarbij hij zelf als adjudant aanwezig was geweest.

Ook schreef hij over de strijd in Oost-Pruisen en over de inzet van infanterie aan het oostfront. Schlacht um Ostpreußen en Infanterie im Ostfeldzug 1941/42 verschenen beide in 1951. In 1955 publiceerde hij een studie over de Pruisische legerhervormer Gerhard von Scharnhorst. Zijn publicaties zijn bruikbaar als getuigenissen van een deelnemer, maar vragen vergelijking met archiefstukken en onderzoek omdat een auteur zijn eigen optreden beschrijft.

Hossbach overleed op 10 september 1980 in Göttingen, 85 jaar oud. Hij werd in die stad begraven. Zijn naam bleef vooral verbonden aan de notitie van 10 november 1937, hoewel hij daarnaast ruim vijftig jaar binnen drie opeenvolgende Duitse legers had gediend. Zijn loopbaan omvatte zowel nabijheid tot Hitlers besluitvorming als operationele bevelvoering aan het oostfront.

Militaire Rangen

Hossbach doorliep tussen 1913 en 1943 de rangen van vaandrig tot generaal der infanterie. De data hieronder geven de formele bevorderingen weer; functies en rang liepen in het Duitse leger niet altijd gelijk op. Duitse generaalsrangen hebben bovendien geen volledig gelijke Nederlandse tegenhanger. Daarom staan de oorspronkelijke benamingen naast een gangbare Nederlandse vertaling.

  • Fähnrich, vaandrig: 29 oktober 1913.
  • Leutnant, tweede luitenant: 19 juni 1914.
  • Oberleutnant, eerste luitenant: 20 september 1918.
  • Hauptmann, kapitein: 1 maart 1927.
  • Major, majoor: 1 maart 1934.
  • Oberstleutnant, luitenant-kolonel: 1 september 1935.
  • Oberst, kolonel: 1 maart 1937.
  • Generalmajor, generaal-majoor: 1 maart 1942.
  • Generalleutnant, luitenant-generaal: 1 augustus 1942.
  • General der Infanterie, generaal der infanterie: 1 november 1943.

Onderscheidingen

Hossbach ontving onderscheidingen uit beide wereldoorlogen en uit zijn diensttijd in de Reichswehr en Wehrmacht. De toekenningen weerspiegelen zowel zijn frontdienst als zijn oplopende bevelsniveau. Waar de toekenningsdatum is vastgesteld, staat deze bij de decoratie vermeld. De historische namen zijn behouden om onderscheidingen met een vergelijkbare Nederlandse benaming van elkaar te scheiden.

  • IJzeren Kruis 1914, tweede klasse, toegekend op 26 september 1914.
  • IJzeren Kruis 1914, eerste klasse, toegekend op 26 mei 1916.
  • Hanseatenkruis van Hamburg.
  • Oostenrijks-Hongaars Militair Kruis van Verdienste, derde klasse met oorlogsdecoratie.
  • Gewondeninsigne 1918 in zwart.
  • Erekruis voor Frontstrijders 1914–1918.
  • Dienstonderscheidingen van de Wehrmacht.
  • Herinneringsmedaille van 1 oktober 1938.
  • Gesp bij het IJzeren Kruis, tweede klasse, toegekend op 11 mei 1940.
  • Gesp bij het IJzeren Kruis, eerste klasse, toegekend op 30 mei 1940.
  • Ridderkruis van het IJzeren Kruis, toegekend op 7 oktober 1940.
  • Erebladgesp van het leger, toegekend op 22 juli 1941.
  • Medaille Winterschlacht im Osten 1941/42.
  • Eikenloof bij het Ridderkruis, de 298e toekenning, verleend op 11 september 1943.

Daarnaast werd Hossbach op 18 oktober 1943, 6 april 1944 en 31 oktober 1944 vermeld in het Wehrmachtbericht. Dit dagelijkse legerbericht was een officieel propagandamiddel van het nationaalsocialistische bewind en een vermelding daarin was geen afzonderlijke medaille. Het onderscheid tussen militaire decoraties en propagandistische berichtgeving is daarom nodig bij de beoordeling van zulke overzichten. De toekenningen zeggen op zichzelf niets over de politieke of juridische beoordeling van de oorlog waarin zij werden verleend.

Conclusie

Friedrich Hossbach was een beroepsmilitair die vanuit het keizerlijke leger via de Reichswehr opklom tot een van de legercommandanten van de Wehrmacht. Zijn functie als militair adjudant bracht hem tussen 1934 en 1938 dicht bij Hitler en de hoogste legerleiding. Het door hem opgestelde verslag van de bespreking van 5 november 1937 werd later een veelgebruikte bron voor onderzoek naar de Duitse expansiepolitiek. Daarbij moet het document worden gelezen als een vijf dagen later vervaardigde samenvatting, niet als een woordelijk protocol.

Zijn waarschuwing aan Werner von Fritsch leidde tot zijn ontslag als adjudant, maar Hossbach zette zijn loopbaan onder het nationaalsocialistische bewind voort. Tijdens de Tweede Wereldoorlog voerde hij achtereenvolgens een regiment, divisies, het LVI Pantserkorps en het 4e Leger aan. In januari 1945 werd hij ontslagen nadat hij tegen Hitlers standhoudbevelen een terugtocht en uitbraak uit Oost-Pruisen had bevolen. Na 1947 leefde hij in Göttingen en publiceerde hij over gebeurtenissen waaraan hij zelf had deelgenomen.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: See page for author, CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons
  2. Bradley, Dermot (red.) (2002). Die Generale des Heeres 1921–1945. Band 6: Hochbaum–Klutmann. Bissendorf: Biblio Verlag. ISBN 3-7648-2582-0.
  3. Scherzer, Veit (2007). Ritterkreuzträger 1939–1945: Die Inhaber des Ritterkreuzes des Eisernen Kreuzes 1939. Tweede druk. Ranis/Jena: Scherzers Militaer-Verlag. ISBN 978-3-938845-17-2.
  4. Thomas, Franz (1997). Die Eichenlaubträger 1939–1945. Band 1: A–K. Osnabrück: Biblio Verlag. ISBN 3-7648-2299-6.
  5. Janßen, Karl-Heinz en Fritz Tobias (1994). Der Sturz der Generäle: Hitler und die Blomberg-Fritsch-Krise 1938. München: C.H. Beck. ISBN 3-406-38109-X.
  6. Wendt, Bernd-Jürgen (1987). Großdeutschland: Außenpolitik und Kriegsvorbereitung des Hitler-Regimes. München: Deutscher Taschenbuch Verlag. ISBN 3-423-04518-3.
  7. Bußmann, Walter (1968). “Zur Entstehung und Überlieferung der Hoßbach-Niederschrift.” Vierteljahrshefte für Zeitgeschichte, jaargang 16, pp. 373–384. ISSN 0042-5702.
  8. Smith, Bradley F. (1990). “Die Überlieferung der Hoßbach-Niederschrift im Lichte neuer Quellen.” Vierteljahrshefte für Zeitgeschichte, jaargang 38, pp. 329–336. ISSN 0042-5702.
  9. Ziemke, Earl F. (1975). The U.S. Army in the Occupation of Germany, 1944–1946. Washington, D.C.: Center of Military History, United States Army. ISBN 978-0-16-023944-1.
  10. Ueberschär, Gerd R. en Winfried Vogel (2000). Dienen und Verdienen: Hitlers Geschenke an seine Eliten. Frankfurt am Main: Fischer Taschenbuch Verlag. ISBN 3-596-14966-5.
  11. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.