
Erich Johann Albert Raeder werd geboren op 24 april 1876 in Wandsbek, een stad in de Pruisische provincie Sleeswijk-Holstein, destijds onderdeel van het Duitse Keizerrijk. Zijn vader, Hans Raeder, was een schoolhoofd met een autoritaire opvoedingsstijl. Deze opvoeding legde een sterke nadruk op discipline, spaarzaamheid, en gehoorzaamheid, waarden die Raeder de rest van zijn leven uitdroeg. Hans Raeder waarschuwde zijn kinderen ook tegen de gevaren van democratie, die hij zag als een systeem waarin regeringen zich lieten leiden door sektarische belangen in plaats van nationaal belang.
Begin van Zijn Marinecarrière
Raeder begon zijn loopbaan bij de Kaiserliche Marine (Keizerlijke Marine) in 1894. Dankzij zijn intelligentie en harde werk klom hij snel op in rang. In 1912 werd hij stafchef van admiraal Franz von Hipper, een positie die hem invloedrijke connecties opleverde. Van 1901 tot 1903 diende hij in de staf van prins Heinrich van Pruisen, waarmee hij een machtige beschermheer kreeg. Raeders koele en afstandelijke persoonlijkheid maakte hem echter moeilijk te doorgronden, zelfs voor zijn naaste collega’s.
Eerste Wereldoorlog
Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende Raeder als stafchef van admiraal Hipper en nam hij deel aan enkele van de belangrijkste zeeslagen van de oorlog, waaronder de Slag om de Doggersbank in 1915 en de Slag om Jutland in 1916. Hipper stond bekend om zijn hekel aan administratief werk, waardoor Raeder aanzienlijke macht kreeg. Hierdoor had hij een grotere invloed dan normaal was voor een stafchef. De oorlog had echter ook een persoonlijke tol; Raeders twee jongere broers sneuvelden, en zijn eerste huwelijk eindigde in een scheiding, iets wat hij als een grote schande beschouwde.
De Naweeën van de Eerste Wereldoorlog
Het Einde van de Kaiserliche Marine
De Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog leidde tot grote veranderingen binnen de marine. Raeder speelde een actieve rol in de nasleep van de oorlog, met name tijdens de marineopstanden van 1918-1919. Deze opstanden, veroorzaakt door muiterijen en de oprichting van matrozenraden, bedreigden de discipline binnen de marine. Raeder werkte nauw samen met de minister van Defensie, Gustav Noske, om de opstanden neer te slaan en de macht van de marineofficieren te herstellen.
De Kapp Putsch en Marginalisatie
In 1920 raakte Raeder betrokken bij de mislukte Kapp Putsch, een rechtse staatsgreep tegen de Weimarrepubliek. Net als veel andere marineofficieren steunde Raeder openlijk de couppoging. Als gevolg hiervan werd hij gemarginaliseerd binnen de marine en overgeplaatst naar de marinearchieven, waar hij hielp bij het schrijven van de officiële geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog. Ondanks deze tijdelijke teruggang hervatte Raeder zijn carrière in de jaren 1920 en werd hij in 1925 bevorderd tot vice-admiraal.
Herstel van Zijn Carrière
Op 1 oktober 1928 werd Raeder benoemd tot chef van het Marinecommando (Chef der Marineleitung) van de Reichsmarine, de marine van de Weimarrepubliek. Deze functie gaf hem de leiding over de wederopbouw van de Duitse marine binnen de beperkingen van het Verdrag van Versailles, dat Duitsland verbood om een sterke marine te onderhouden. Raeder werkte nauw samen met de Duitse regering om de marine in het geheim te versterken, in voorbereiding op toekomstige militaire campagnes.
De Opkomst van de Kriegsmarine
Overgang naar de Kriegsmarine
Op 1 juni 1935 werd de Reichsmarine omgedoopt tot de Kriegsmarine na de herbewapening van Duitsland onder Adolf Hitler. Raeder werd benoemd tot Oberbefehlshaber der Kriegsmarine (opperbevelhebber van de Kriegsmarine). Hij speelde een sleutelrol in het herstructureren en uitbreiden van de marine, in lijn met Hitlers ambities voor een sterke Duitse strijdmacht. Op 20 april 1936 werd Raeder bevorderd tot de rang van Generaladmiral, en op 30 januari 1937 ontving hij het Gouden Partijinsigne van de NSDAP, waarmee hij officieel werd ingeschreven in de partij.
Plan Z en Voorbereidingen voor de Oorlog
In de late jaren 1930 presenteerde Raeder het ambitieuze Plan Z, een grootschalig scheepsbouwprogramma gericht op het creëren van een Duitse vloot die kon wedijveren met de Royal Navy. Het plan omvatte de bouw van slagschepen, vliegdekschepen, kruisers en U-boten. Raeder benadrukte echter dat de marine minstens vijf jaar nodig had om voldoende voorbereid te zijn op een grootschalige oorlog. Toen de Tweede Wereldoorlog in 1939 uitbrak, was de Kriegsmarine nog steeds onvolledig en onvoldoende uitgerust om het tegen de Britse marine op te nemen.
Vroege Successen en Strategie
In de beginjaren van de oorlog koos Raeder voor een strategie van konvooirazzia’s in plaats van directe confrontaties met de Britse vloot. Duitse oorlogsschepen, zoals de zware kruiser Admiral Graf Spee, voerden aanvallen uit op geallieerde scheepvaartroutes. Hoewel deze aanvallen enig succes hadden, leidde de uitkomst van de Slag om de River Plate in december 1939 tot frustratie bij Raeder. Hij bekritiseerde kapitein Hans Langsdorff voor het tot zinken brengen van zijn eigen schip in plaats van door te vechten.
De Noorse Campagne
Een van de meest complexe operaties onder Raeders leiding was de invasie van Noorwegen in april 1940, bekend als Operatie Weserübung. Deze campagne had tot doel de geallieerden te verhinderen gebruik te maken van Noorse marinebases en toegang tot de vitale ijzerertsimporten van Duitsland. Hoewel de invasie succesvol was, betaalde de Kriegsmarine een hoge prijs: veel schepen, waaronder twee lichte kruisers en tien torpedobootjagers, gingen verloren. De verliezen verzwakten de Duitse oppervlaktevloot aanzienlijk.
Middelpunt van de Oorlog
Strategische Veranderingen na de Franse Overgave
Na de overgave van Frankrijk in juni 1940 kreeg de Kriegsmarine toegang tot strategisch belangrijke havens aan de Franse westkust, zoals Saint-Nazaire en Lorient. Deze havens stelden Duitse oorlogsschepen in staat om verder de Atlantische Oceaan in te trekken en geallieerde konvooien aan te vallen. Ondanks deze nieuwe mogelijkheden werd Raeders plan om Franse marineschepen in beslag te nemen tegengehouden door Hitler, die vreesde dat dit de Franse marine zou drijven in de armen van de Royal Navy.
Operatie Rheinübung en de Bismarck
In mei 1941 lanceerde de Kriegsmarine Operatie Rheinübung, een poging om geallieerde scheepvaartroutes in de Atlantische Oceaan te verstoren. De missie, onder leiding van admiraal Günther Lütjens, omvatte het slagschip Bismarck en de zware kruiser Prinz Eugen. Het resultaat was catastrofaal; de Bismarck werd tot zinken gebracht, wat het vertrouwen in oppervlaktevloten ondermijnde. Hitler beschouwde de verliezen als bewijs dat kapitaalschepen niet effectief waren tegen de Royal Navy.
De Afname van Raeders Invloed
Kritiek op de Kriegsmarine
Na de verliezen van de Bismarck en andere kostbare schepen tijdens de Noorse campagne en Operatie Rheinübung, begon Hitlers vertrouwen in de Kriegsmarine te wankelen. Hij bekritiseerde Raeders focus op kapitaalschepen en gaf de voorkeur aan U-boten, die effectiever bleken in het verstoren van geallieerde bevoorradingslijnen. Deze strategische verschuiving naar een meer U-bootgerichte oorlogvoering bracht Raeder in conflict met Karl Dönitz, de commandant van de Duitse U-bootvloot.
De Barentszzee en Raeders Ontslag
De Slag in de Barentszzee in december 1942 was een van de laatste tegenslagen voor Raeder. Tijdens deze slag slaagden Britse schepen erin om een geallieerd konvooi te beschermen tegen Duitse aanvallen, ondanks de inzet van zware Duitse schepen zoals de Lützow en de Admiral Hipper. Hitler, die woedend was over het falen, beschuldigde de Kriegsmarine van een gebrek aan strijdlust. In januari 1943 bood Raeder zijn ontslag aan, dat door Hitler werd aanvaard. Hij werd opgevolgd door Karl Dönitz, die zich volledig richtte op de U-bootcampagne.
Raeders Laatste Jaren in de Kriegsmarine
Na zijn ontslag werd Raeder benoemd tot Admiral-Inspekteur, een ceremonieel ambt zonder daadwerkelijke invloed. Hiermee eindigde zijn actieve rol in de leiding van de Kriegsmarine. Raeder trok zich grotendeels terug uit het openbare leven, terwijl de Kriegsmarine zich onder Dönitz verder ontwikkelde tot een U-bootmacht.
Gevangenschap en Berechting
Gevangenneming door de Geallieerden
In juni 1945, kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog, werd Raeder gevangengenomen door Sovjettroepen en overgebracht naar Moskou. Later dat jaar werd hij naar Neurenberg gebracht om terecht te staan tijdens de Processen van Neurenberg.
Veroordeling bij de Processen van Neurenberg
Raeder werd aangeklaagd op vier punten: samenzwering om misdaden tegen de vrede te plegen, het plannen en voeren van agressieve oorlogen, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Hij werd op alle punten schuldig bevonden en veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Raeder gaf aan verrast te zijn door de straf, omdat hij de doodstraf had verwacht.
Leven na de Vrijlating
In 1955, na tien jaar gevangenschap, werd Raeder vervroegd vrijgelaten vanwege zijn slechte gezondheid. Hij trok zich terug in Kiel, waar hij zijn memoires schreef, getiteld Mein Leben. Het werk werd geschreven met behulp van een ghostwriter en bevatte zijn persoonlijke kijk op zijn rol in de Kriegsmarine en de oorlog.
Conclusie en Nalatenschap
Erich Raeder overleed op 6 november 1960 in Kiel, op 84-jarige leeftijd. Hij werd begraven op het Nordfriedhof (Noordelijke Begraafplaats) in Kiel, naast zijn vrouw, die een jaar eerder was overleden. Raeders leven en carrière blijven onderwerp van historisch debat. Zijn leiderschap binnen de Kriegsmarine, vooral zijn nadruk op kapitaalschepen en de ambitieuze maar uiteindelijk onvoltooide uitvoering van Plan Z, wordt vaak bekritiseerd vanwege de strategische beperkingen die het oplegde aan de Duitse oorlogsvoering.
Raeder wordt vaak gezien als een symbool van de traditionele Duitse marinecultuur, gekenmerkt door discipline en loyaliteit. Zijn conflicten met Hitler en de NSDAP tonen echter ook de spanningen tussen de militaire hiërarchie en de politieke ambities van het Derde Rijk. Raeder handhaafde tot het einde van zijn leven dat hij handelde in het belang van Duitsland en de marine, ondanks de morele en juridische oordelen die tegen hem werden uitgesproken tijdens de Neurenbergse processen.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Royal Navy official photographer, Public domain, via Wikimedia Commons
- Bennett, Geoffrey (2005). Naval Battles of the First World War. Barnsley: Pen & Sword Military Classics. ISBN 978-1-84415-300-8.
- Wistrich, Robert (1982). Who’s Who in Nazi Germany. Macmillan Publishing Co. ISBN 0-02-630600-X.
- Murray, Williamson & Millet, Alan (2000). A War to Be Won: Fighting the Second World War. Cambridge: Belknap Press. ISBN 978-0-674-00680-5.
- Bird, Keith (2006). Erich Raeder: Admiral of the Third Reich. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 1-55750-047-9.
- Bird, Keith (2013). Erich Raeder: Admiral of the Third Reich. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-61251-375-1.
- Padfield, Peter (1984). Dönitz: The Last Führer. London: Victor Gollancz. ISBN 978-0-304-35870-0.
- Raeder, Erich (1960). My Life. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-55750-238-8.
- Scherzer, Veit (2007). Die Ritterkreuzträger 1939–1945: Die Inhaber des Ritterkreuzes des Eisernen Kreuzes 1939 von Heer, Luftwaffe, Kriegsmarine, Waffen-SS, Volkssturm sowie mit Deutschland verbündeter Streitkräfte nach den Unterlagen des Bundesarchives. Jena, Germany: Scherzers Militaer-Verlag. ISBN 978-3-938845-17-2.
- Shirer, William (1960). The Rise and Fall of the Third Reich. New York: Simon & Schuster. ISBN 0-671-62420-2.
- Wette, Wolfram (2006). The Wehrmacht: History, Myth, Reality. Cambridge: Harvard University Press. ISBN 0-674-02213-0.
- Weinberg, Gerhard (1970). The Foreign Policy of Hitler’s Germany: Diplomatic Revolution in Europe. Chicago: University of Chicago Press. ISBN 978-0-391-03825-7.
- Weinberg, Gerhard (2005). A World at Arms: A Global History of World War II. Cambridge: Cambridge University Press. ISBN 978-0-521-61826-7.
- Wheeler-Bennett, John (1967). The Nemesis of Power: The German Army in Politics 1918–1945. London: Macmillan. ISBN 978-1-4039-18123.
- Bronnen Mei1940









