Philipp Bouhler (11 september 1899, München – 19 mei 1945) was een hoge functionaris van de NSDAP. Hij werd Reichsleiter en leidde de Kanzlei des Führers (KdF), het partijbureau dat een groot deel van Adolf Hitlers post en interne partijzaken afhandelde. Bouhler kreeg samen met Karl Brandt de opdracht voor Aktion T4, het moordprogramma op gehandicapte en psychiatrische patiënten, en hij gold als mede-initiatiefnemer van Aktion 14f13 in concentratiekampen.
Vroege leven en opleiding
Bouhler groeide op in München in een familie met een militaire achtergrond. Zijn vader Emil Bouhler was officier in het Beierse leger en bereikte de rang van Oberst; vanaf 1917 werkte hij in een leidinggevende rol binnen het Beierse oorlogsbestuur. In München bezocht Bouhler onderwijsinstellingen zoals het Maximiliansgymnasium. De combinatie van schoolopleiding, gezin en omgeving leidde al vroeg tot een loopbaanpad waarin discipline en hiërarchie centraal stonden.
De voorbereiding op een officiersloopbaan kreeg vorm in het Koninklijk Beiers cadettenkorps, waar Bouhler van 1912 tot 1916 verbleef. In die periode stond vorming in orde, gehoorzaamheid en administratieve routine centraal. Vervolgens werd hij op 6 juli 1916 als Fahnenjunker ingedeeld bij het . Daarmee ging hij van opleiding naar actieve dienst in een oorlogssituatie, waarin het leger nieuwe officieren snel moest inzetten.
Na de oorlog rondde Bouhler in 1919 het zogeheten Notabitur af. Daarna begon hij aan de Ludwig-Maximilians-Universität München, waar hij filosofie en Germanistiek studeerde, maar hij beëindigde de studie na enkele semesters. Tegelijk werkte hij in de uitgeverswereld, onder meer bij het völkisch georiënteerde J. F. Lehmann. Deze combinatie van studie en publicistiek bracht hem in contact met netwerken die later ook binnen de NSDAP van belang waren.
Deelname aan de Eerste Wereldoorlog
Bouhler diende vanaf 1916 in een Beiers artillerieonderdeel tijdens de Eerste Wereldoorlog. In juli 1917 werd hij tot Leutnant bevorderd, waarna hij kort daarna aan het front werd ingezet. Op 8 augustus 1917 raakte hij bij gevechten in de omgeving van Arras in Frankrijk zwaar gewond. De verwonding bepaalde zijn verdere militaire inzet, omdat hij langdurig uit de roulatie raakte en niet meer volledig herstelde.
De revalidatie en medische behandeling duurden tot circa 1920, waardoor Bouhler de rest van de oorlog grotendeels in ziekenhuizen doorbracht. Voor zijn dienst ontving hij het IJzeren Kruis (1914) IIe Klasse en het Verwundetenabzeichen in zwart; in sommige overzichten wordt ook een Beierse Militärverdienstorden genoemd. De oorlog leidde daarmee niet tot een voortzetting van een reguliere legercarrière, maar vormde een achtergrond waartegen zijn latere werk in politiek en bestuur zich ontwikkelde.
Interbellum: opbouw van een partijcarrière
Bouhlers politieke oriëntatie ontwikkelde zich in de vroege jaren twintig binnen völkische en radicaal-nationalistische kringen. In 1919 was hij korte tijd lid van het Deutschvölkischer Schutz- und Trutzbund. Zijn professionele overstap naar het nazistische milieu kwam in november 1921, toen Max Amann hem aantrok voor werkzaamheden bij de Völkischer Beobachter. Bouhler hield zich daar onder meer bezig met uitgeefwerk en advertentiebeheer, in een periode waarin het blad nauw met de partij verbonden raakte.
In juli 1922 trad Bouhler toe tot de NSDAP met lidmaatschapsnummer 12. Binnen korte tijd kreeg hij organisatorische taken en werd hij plaatsvervangend bedrijfsleider onder Amann. Tijdens de Bierkellerputsch van 9 november 1923 was hij aanwezig in een ondersteunende rol. Na het daaropvolgende partijverbod werkte hij als bedrijfsleider van de vervangingsorganisatie Großdeutsche Volksgemeinschaft in München en was hij betrokken bij partijgebonden persactiviteiten, waaronder de krant Der Nationalsozialist.
Na de heroprichting van de NSDAP op 27 februari 1925 trad Bouhler opnieuw toe en werd hij Reichsgeschäftsführer in München. In die functie was hij verantwoordelijk voor centrale coördinatie en administratie van de partij, een positie die hij tot november 1934 behield. Tussen 1926 en 1930 werkte hij daarnaast voor de Illustrierter Beobachter. In mei 1928 ondertekende hij het oprichtingsprotocol van de Nationalsozialistische Gesellschaft für deutsche Kultur, later omgedoopt tot Kampfbund für deutsche Kultur onder leiding van Alfred Rosenberg.
Aan het einde van het interbellum combineerde Bouhler partijwerk met publicistische productie. In 1932 verscheen Adolf Hitler: Das Werden einer Volksbewegung, een propagandistische titel die aansloot bij de beeldvorming rond Hitlers politieke opkomst. Deze combinatie van administratieve ervaring en propaganda versterkte zijn positie in het partijapparaat. Na 1933 zou hij daardoor niet alleen als organisator, maar ook als beheerder van ideologische en communicatieve taken worden ingezet.
Deelname aan de Tweede Wereldoorlog
Posities na 1933: Reichstag, Reichsleiter en SS
Na de machtsovername kreeg Bouhler formele posities binnen partij en staat. In maart 1933 werd hij via de NSDAP-lijst gekozen in de Reichstag; vanaf november 1933 vertegenwoordigde hij kiesdistrict Westfalen-Süd en behield hij dit mandaat tot 1945. Op 2 juni 1933 benoemde Hitler hem tot Reichsleiter. Op 20 april 1933 trad Bouhler toe tot de Allgemeine-SS met lidnummer 54.932 en de rang SS-Gruppenführer; op 30 januari 1936 volgde de promotie tot SS-Obergruppenführer.
Kanzlei des Führers: taken en toegang
Bouhlers centrale functie werd de Kanzlei des Führers (KdF), een bureau dat op 17 november 1934 werd ingericht om partijzaken rond Hitler te beheren. De KdF is niet te verwarren met de organisatie Kraft durch Freude, die dezelfde afkorting gebruikte. Als chef behandelde Bouhler interne partijadministratie, persoonlijke verzoeken, gratieverzoeken en een groot deel van Hitlers post. In de praktijk fungeerde de KdF als filter en doorgeefluik, wat Bouhler directe toegang gaf tot Hitler en tot interne besluitvorming.
Bouhler bekleedde daarnaast posten in het cultuur- en rechtsapparaat. Hij werd lid van de Reichskulturkammer en de Reichspressekammer en trad in september 1934 toe tot de Akademie für Deutsches Recht. Later kreeg hij ook opdrachten rond cultuur en partijgeschiedschrijving, onder meer via de partijcommissie voor nationaalsocialistische literatuur. Naarmate de oorlog vorderde, probeerde Martin Bormann als hoofd van de Parteikanzlei de toegang tot Hitler te beperken; vanaf 1944 werden verschillende taken van de KdF in de praktijk ingeperkt.
Aktion T4: opdracht en organisatorische kern
Bouhlers naam is nauw verbonden met de nationaalsocialistische “euthanasie”-misdaden. Een door Hitler ondertekende machtiging, gedateerd op 1 september 1939 en later opgesteld, droeg Bouhler en Hitlers arts Brandt op aangewezen artsen te laten beslissen over het doden van patiënten die als “ongeneeslijk” werden beschouwd. Het document had geen status als wet, maar functioneerde als interne opdracht. De administratieve kern werd gevestigd in Berlijn aan de Tiergartenstraße 4, waaraan de naam Aktion T4 is ontleend.
De uitvoering werd doelbewust afgeschermd binnen een gesloten bureaucratie. Ondanks geheimhouding raakten de moorden in instellingen bekend, wat leidde tot meldingen en juridische vragen. In 1940 deed de voogdijrechter Lothar Kreyssig aangifte wegens moord tegen Bouhler; vervolging bleef uit. Bouhler besprak de kwestie met rijksjustitieminister Franz Gürtner en overhandigde hem het machtigingsdocument in augustus 1940, waarna hij schriftelijk verklaarde dat nadere uitvoeringsregels volgens hem niet nodig waren.
De selectieprocedure was grotendeels dossiergestuurd. Bij kinderen ging het om meldingen van ernstige aandoeningen, zoals het syndroom van Down, micro- of hydrocefalie, zware lichamelijke misvormingen en cerebrale parese. Dossiers werden beoordeeld door artsencommissies, waaronder Werner Catel, Hans Heinze en Ernst Wentzler; beslissingen konden worden vastgelegd met plus- en mintekens. Bij volwassenen verliep de selectie eveneens via formulieren en medische gegevens, waarna transporten naar dodinginstellingen volgden.
Dodingmethoden, locaties en omvang
De moorden binnen Aktion T4 werden uitgevoerd in meerdere centra, waar verschillende methoden werden toegepast. Een vroeg dodingcentrum was Schloss Hartheim in Opper-Oostenrijk; later volgden locaties als Grafeneck, Brandenburg an der Havel, Bernburg, Pirna-Sonnenstein en Hadamar. In verschillende instellingen werden gasruimten gebruikt waarin slachtoffers met koolmonoxide werden gedood. Voor de periode 1940–1941 wordt vaak een aantal van ongeveer 70.000 slachtoffers genoemd voor deze centrale fase.
Op 24 augustus 1941 werd het programma in zijn toenmalige vorm officieel beëindigd. Het stoppen van de centrale vergassingen betekende echter niet dat het doden van kwetsbare patiënten ophield. De kinder-“euthanasie” ging door en in zorginstellingen werden mensen gedood via ondervoeding of medicijnoverdosering, later ook aangeduid als Aktion Brandt. In bredere schattingen over de jaren 1939–1945 wordt gesproken over meer dan 250.000 doden onder gehandicapte en psychiatrische slachtoffers.
Aktion 14f13: selectie in concentratiekampen
In 1941 initieerden Bouhler en Reichsführer-SS Heinrich Himmler Aktion 14f13. Dit programma was gericht op selectie en doding van gevangenen in concentratiekampen die als ziek of niet meer arbeidsfähig werden aangemerkt. De code 14f13 komt uit het SS-registratiesysteem: 14 verwees naar de concentratiekampinspectie, f naar Todesfälle (sterfgevallen) en 13 naar de dodingmethode, vaak vergassing in T4-centra. De uitvoering werd binnen het KdF-apparaat opgedragen aan Viktor Brack, die ook bij de organisatie van Aktion T4 een organiserende rol had. In SS-registraties werd 14f13 gekoppeld aan “Sonderbehandlung” (“speciale behandeling”), een verhullende term voor doden.
Voor Aktion 14f13 worden in de literatuur aantallen van ongeveer 15.000 tot 20.000 vermoorde kampgevangenen genoemd. Een deel van de slachtoffers werd overgebracht naar dezelfde dodinginstellingen die eerder in het T4-programma waren gebruikt. Naoorlogse verklaringen van Brack stellen dat personeel uit de T4-structuur naar Lublin werd gestuurd onder toezicht van Odilo Globocnik en vervolgens werd ingezet in de vernietigingskampen van Aktion Reinhard. In verband hiermee is bekend dat Bouhler en Brack Globocnik in Lublin bezochten, onder meer in 1941 en 1942.
Overige oorlogstaken en afnemende invloed
Naast zijn rol in moordprogramma’s had Bouhler taken op het terrein van cultuurbeleid en publicistiek. Hij was voorzitter van de Parteiamtliche Prüfungskommission zum Schutze des nationalsozialistischen Schrifttums, die beoordeelde welke boeken en geschriften toelaatbaar waren; Joseph Goebbels uitte kritiek op de reikwijdte daarvan. Bouhler publiceerde zelf ook, onder meer Kampf um Deutschland (1938) en Napoleon: Kometenbahn eines Genies (1941), en werkte aan edities van Hitlers toespraken, waaronder Der großdeutsche Freiheitskampf.
In de oorlog zocht Bouhler daarnaast naar taken in koloniale planning. In de context van het Madagaskarplan en bredere koloniale ambities werd hij genoemd als beoogd bestuurder in Oost-Afrika; vanaf 1942 leidde hij de Einsatzstab Ostafrika, ook aangeduid als organisatie Sisal. Deze plannen bleven afhankelijk van het verloop van de oorlog en werden niet uitgevoerd. Vanaf circa 1942 nam zijn invloed af doordat Bormann meer bevoegdheden naar de Parteikanzlei trok; in januari 1943 werd Bouhlers literatuurcommissie ondergebracht bij een andere toezichtstructuur.
Na de oorlog
In de laatste oorlogsweken verliet Bouhler Berlijn in het gevolg van Hermann Göring. Op 23 april 1945 werd hij bij Berchtesgaden op Hitlers bevel door de SS gearresteerd en uit zijn functies gezet; na Hitlers dood op 1 mei kwam hij weer vrij. Kort na de capitulatie namen Amerikaanse troepen Bouhler en zijn echtgenote Helene “Helli” Bouhler (geboren Mayer, 20 april 1912) gevangen op Schloss Fischhorn bij Zell am See. Helene pleegde daar zelfmoord door uit een raam te springen.
Bouhler pleegde op 19 mei 1945 zelfmoord met een cyanidecapsule terwijl hij in Amerikaanse gevangenschap was. Als locatie worden in bronnen zowel Zell am See als, in verband met transport naar het interneringskamp Dachau, Dachau of omgeving genoemd. Het echtpaar had geen kinderen. Door zijn dood kwam het niet tot een proces waarin zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid voor Aktion T4 en Aktion 14f13 juridisch werd getoetst.
Militaire Rangen
Bouhlers loopbaan begon met een officiersopleiding en dienst in het Beierse leger, maar zijn frontdienst eindigde door de verwonding in 1917. In de jaren dertig droeg hij hoge rangen binnen de Allgemeine-SS, die vooral politieke en organisatorische status uitdrukten. Het gaat om posities binnen het partij- en veiligheidsapparaat, niet om een rol als veldcommandant in een reguliere krijgsmacht. De belangrijkste rangen kunnen compact worden weergegeven.
| Datum / periode | Organisatie | Rang |
|---|---|---|
| 6 juli 1916 | Beiers leger | Fahnenjunker (artillerie) |
| juli 1917 | Beiers leger | Leutnant |
| 20 april 1933 | Allgemeine-SS | SS-Gruppenführer |
| 30 januari 1936 | Allgemeine-SS | SS-Obergruppenführer |
Onderscheidingen
Bouhler ontving onderscheidingen uit de Eerste Wereldoorlog en later decoraties die binnen de NSDAP en de SS werden toegekend. Deze toekenningen passen bij zijn status als oud-partijlid en bij zijn plaats in het partijapparaat na 1933. In biografische overzichten worden onder meer de onderstaande onderscheidingen genoemd, vooral wanneer het gaat om een selectie van de meest geciteerde onderscheidingen.
- IJzeren Kruis (1914) IIe Klasse
- Verwundetenabzeichen (1918) in zwart
- Blutorden
- Kriegsverdienstkreuz IIe en Ie Klasse
- Ehrenwinkel der Alten Kämpfer (ook bekend als Honour Chevron for the Old Guard)
Conclusie
Philipp Bouhler maakte vanaf het begin van de jaren twintig carrière in de NSDAP en kreeg na 1933 een hoge positie als Reichsleiter en chef van de Kanzlei des Führers. Vanuit deze functie beheerde hij partijadministratie en Hitlers correspondentie, terwijl hij via een partijcommissie ook invloed had op toezicht op publicaties. Daarmee belichaamde hij het type partijbestuurder dat macht ontleende aan toegang, dossiers en besluitvorming binnen een gesloten bureaucratie.
Zijn historische betekenis wordt vooral bepaald door zijn betrokkenheid bij Aktion T4 en Aktion 14f13. In het T4-programma werden gehandicapte en psychiatrische patiënten geselecteerd, gedeporteerd en gedood in speciaal ingerichte instellingen; in 14f13 werd een vergelijkbare selectie toegepast op kampgevangenen. Bouhler verloor vanaf 1942 geleidelijk invloed aan andere partijinstanties, maar bleef tot 1945 formeel in functie. Na de capitulatie werd hij door Amerikaanse troepen gevangengenomen en pleegde hij zelfmoord, waardoor een proces uitbleef.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: :Bundesarchiv, Bild 146-1983-094-01 / CC-BY-SA 3.0, CC BY-SA 3.0 DE, via Wikimedia Commons
- Aly, Götz (red.) (1989). Aktion T4 1939–1945. Die „Euthanasie“-Zentrale in der Tiergartenstraße 4 (2., erw. Aufl.). Berlin: Edition Hentrich. ISBN 3-926175-66-4.
- Barbian, Jan-Pieter (1995). Literaturpolitik im „Dritten Reich“. Institutionen, Kompetenzen, Betätigungsfelder (überarb. und aktualisierte Ausg.). München: Deutscher Taschenbuch Verlag. ISBN 3-423-04668-6.
- Bergen, Doris (2009). War & Genocide: A Concise History of the Holocaust (Second, revised ed.). Lanham, MD: Rowman & Littlefield. ISBN 978-0-7425-5715-4.
- Black, Jeremy (2016). The Holocaust: History and Memory. Bloomington/Indianapolis: Indiana University Press. ISBN 978-0-25302-214-1.
- Browning, Christopher R. (2004). The Origins of the Final Solution: The Evolution of Nazi Jewish Policy, September 1939 – March 1942. Lincoln: University of Nebraska Press. ISBN 0-8032-1327-1.
- Burleigh, Michael (1997). Ethics and Extermination: Reflections on Nazi Genocide. Cambridge/New York: Cambridge University Press. ISBN 978-0-52158-816-4.
- Bytwerk, Randall L. (2004). Bending Spines: The Propagandas of Nazi Germany and the German Democratic Republic. East Lansing, MI: Michigan State University Press. ISBN 978-0-87013-710-5.
- Cesarani, David (2016). Final Solution: The Fate of the Jews, 1933–1945. New York: St. Martin’s. ISBN 978-1-25000-083-5.
- Fischer, Klaus (1995). Nazi Germany: A New History. New York: Continuum. ISBN 978-0-82640-797-9.
- Friedlander, Henry (1994). Euthanasia and the Final Solution. In: Cesarani, David (red.), The Final Solution: Origins and Implementation. London/New York: Routledge. ISBN 978-0-41515-232-7.
- Friedlander, Henry (1995). The Origins of Nazi Genocide: From Euthanasia to the Final Solution. Chapel Hill: University of North Carolina Press. ISBN 978-0-80782-208-1.
- Friedländer, Saul (2009). Nazi Germany and the Jews, 1933–1945. New York: Harper Perennial. ISBN 978-0-06135-027-6.
- Fröhlich, Elke (red.) (1998). Die Tagebücher von Joseph Goebbels. Teil 1, Band 9. München: K. G. Saur. ISBN 3-598-23739-1.
- Gilbert, Martin (2014) [1989]. The Second World War: A Complete History. New York: Rosetta Books. ISBN 978-0-79533-729-1.
- Heinemann, Isabel (2018). Race. In: Baranowski, Shelley; Nolzen, Armin; Szejnmann, Claus-Christian W. (red.), A Companion to Nazi Germany. Hoboken, NJ/West Sussex: Wiley-Blackwell. ISBN 978-1-11893-688-7.
- Hilberg, Raul (1985). The Destruction of the European Jews. New York: Holmes & Meier. ISBN 0-8419-0910-5.
- Kershaw, Ian (1999). Hitler: 1889–1936, Hubris. New York: W. W. Norton & Company. ISBN 978-0-39304-671-7.
- Klee, Ernst (2016). Personenlexikon zum Dritten Reich: Wer war was vor und nach 1945. Hamburg: Nikol Verlag. ISBN 978-3-86820-311-0.
- Klee, Ernst (2004). „Euthanasie“ im NS-Staat. Die „Vernichtung lebensunwerten Lebens“ (11. Aufl.). Frankfurt am Main: Fischer Taschenbuch Verlag. ISBN 3-596-24326-2.
- Lilla, Joachim; Döring, Martin; Schulz, Andreas (2004). Statisten in Uniform. Die Mitglieder des Reichstags 1933–1945. Düsseldorf: Droste. ISBN 3-7700-5254-4.
- Longerich, Peter (2001). Der ungeschriebene Befehl. Hitler und der Weg zur „Endlösung“. München: Piper. ISBN 3-492-04295-3.
- Longerich, Peter (2019). Hitler: A Biography. Oxford/New York: Oxford University Press. ISBN 978-0-19005-673-5.
- Miller, Michael (2006). Leaders of the SS and German Police, Vol. 1. San Jose, CA: R. James Bender. ISBN 978-93-297-0037-2.
- Orlow, Dietrich (2010). The Nazi Party 1919–1945: A Complete History. New York: Enigma Books. ISBN 978-1-92963-157-5.
- Schmuhl, Hans-Walter (1999). Philipp Bouhler. Ein Vorreiter des Massenmords. In: Smelser, Ronald; Syring, Enrico; Zitelmann, Rainer (red.), Die braune Elite. Band 2: 21 weitere biographische Skizzen (2. aktualisierte Aufl.). Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft. ISBN 3-534-14460-0.
- Stone, Dan (2023). The Holocaust: An Unfinished History. New York/Boston: Mariner Books. ISBN 978-0-06334-903-2.
- Ueberschär, Gerd R.; Vogel, Winfried (1999). Dienen und Verdienen. Hitlers Geschenke an seine Eliten. Frankfurt am Main: S. Fischer Verlag. ISBN 3-10-086002-0.
- Ullrich, Volker (2020). Hitler: Downfall, 1939–1945. New York: Knopf. ISBN 978-1-10187-400-4.
- Weale, Adrian (2012). Army of Evil: A History of the SS. New York: Caliber Printing. ISBN 978-0-451-23791-0.
- Williams, Max (2015). SS Elite: The Senior Leaders of Hitler’s Praetorian Guard. Vol. I. Fonthill Media. ISBN 978-1-78155-433-3.
- Wistrich, Robert (1995). Who’s Who In Nazi Germany. New York: Routledge. ISBN 978-0-41511-888-0.
- Yahil, Leni (1990). The Holocaust: The Fate of European Jewry, 1932–1945. Oxford/New York: Oxford University Press. ISBN 0-19-504522-X.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.










