Home Slagen, Veldtochten, Zeeslagen en Operaties Slag bij Mersa Matruh 1942 en de opmars

Slag bij Mersa Matruh 1942 en de opmars

Panzerjäger-Abteilung 39 van 21e Pantserdivisie rukt op in Noord-Afrika, juni 1942, tijdens woestijnoperaties.
De Panzerjäger-Abteilung 39, onderdeel van Kampfgruppe Gräf en de 21e Pantserdivisie, verplaatst zich in de Noord-Afrikaanse woestijn tijdens de campagne van 1942.

De Slag bij Mersa Matruh vond plaats van 26 tot en met 29 juni 1942, tijdens de terugtocht van het Britse Achtste Leger na de nederlaag bij Gazala. Het gevecht werd uitgevochten in Egypte tussen het Achtste Leger en de Duits-Italiaanse Panzerarmee Afrika onder bevel van Erwin Rommel. De Asmacht veroverde de vesting en nam grote voorraden buit; Britse eenheden wisten echter in delen uit te breken en trokken door naar El Alamein.

Militaire en Politieke Situatie

Na de nederlaag bij Gazala trok het Achtste Leger zich oostwaarts terug. De Britse leiding liet een garnizoen achter in Tobroek, dat volgens de planning voldoende sterk moest zijn om de haven te houden terwijl het veldleger herstelde. Tobroek bleek niet op een langdurig beleg voorbereid en capituleerde na een korte strijd, waardoor de Asmacht een operationeel bruikbare haven en voorraden in handen kreeg. Daarmee ontstond opnieuw ruimte voor een opmars richting Egypte.

Rommel zette de achtervolging in richting Egypte en vroeg Benito Mussolini om vrijheid van manoeuvre, die werd verleend. De 21st Panzer Division kreeg één dag om te hergroeperen en werd daarna langs de kustweg Egypte in gestuurd. Onderweg kon Rommel brandstof, munitie en uitrusting benutten uit achtergelaten Britse grensvoorraden, maar zijn eigen aanvoer bleef kwetsbaar. De Desert Air Force nam in sterkte toe en opereerde dichter bij haar bases, terwijl de Luftwaffe en Regia Aeronautica juist verder van hun vliegvelden af raakten.

Om tijd te winnen wilde de Britse leiding eerst standhouden op de grensstelling bij de Frontier Wire. XIII Corps onder leiding van William Gott moest vertragen, maar de Asmacht bereikte de stelling snel en er was te weinig tijd voor een solide verdediging van de open zuidflank. Gott adviseerde daarom terug te gaan op de positie bij Mersa Matruh. De Britse terugtocht ging gepaard met pogingen om achtergelaten brandstof en munitie te vernietigen, maar door de snelheid van de achtervolging kon dit niet overal worden uitgevoerd.

Locatie

Mersa Matruh lag aan de Egyptische Middellandse Zeekust, ongeveer halverwege Cyrenaica en El Alamein. De haven was klein maar bruikbaar als aanvoer- en overslagpunt; via een spoorverbinding stond de plaats in contact met Alexandrië. Het gebied rond de stad bestond uit een smalle kustvlakte met daarachter een steilrand (escarpment), gevolgd door hoger woestijngebied. De toegang vanuit het westen was gemijnd; aan de oostzijde bleef een benadering langer open.

De verdediging maakte gebruik van natuurlijke hindernissen. Ten zuiden van de kustvlakte lagen nog een tweede steilrand en daarachter het hoogwoestijnplateau, dat doorliep tot de Qattara-depressie. Belangrijke oriëntatiepunten waren de Minqar Qaim-track aan de rand van het plateau en de kustweg, de Via Balbia. Deze routes bepaalden in hoge mate de terugtochtmogelijkheden van Britse formaties.

Militaire Leiders

Aan Britse zijde voerde Claude Auchinleck het opperbevel in het Midden-Oosten. Na de verliezen bij Gazala nam hij op 25 juni het directe commando over het Achtste Leger over van Neil Ritchie. Voor de verdediging bij Mersa Matruh waren twee corpsstaven bepalend: X Corps onder leiding van William Holmes en XIII Corps onder William Gott. In de gevechtsvoering speelde ook de leiding van afzonderlijke divisies en brigades een rol, met name bij nachtelijke uitbraakacties.

Aan Aszijde stond Rommel aan het hoofd van Panzerarmee Afrika. In de planning van de aanval werd hij ondersteund door Italiaanse commandanten en staf. Onder de hogere Italiaanse bevelhebbers bevond zich Ettore Bastico. Tijdens de opmars en voorbereiding op de gevechten bij Mersa Matruh werd het Italiaanse XX Motorised Corps getroffen door luchtacties waarbij onder meer Guido Piacenza omkwam en Vittorio Raffaelli dodelijk gewond raakte; ook Ettore Baldassarre werd fataal getroffen. Aan Britse zijde raakte Bernard Freyberg bij de uitbraak van de 2nd New Zealand Division gewond, waarna Lindsay Inglis de leiding overnam.

Doelstelling en planning

Rommel wilde het Achtste Leger niet alleen terugdringen, maar het in delen verslaan voordat het zich achter een nieuwe verdedigingslijn kon hergroeperen. Zijn plan bij Mersa Matruh was gericht op het afsnijden van de terugtocht van Britse infanterieformaties in en rond de vesting, terwijl mobiele eenheden Britse pantserelementen op afstand hielden. Rommel ging uit van meerdere infanteriedivisies in de stelling, met resterende Britse tanks zuidelijker.

Aan Britse zijde was het uitgangspunt dubbel: de opmars vertragen en tegelijk voorkomen dat niet-mobiele formaties werden omsingeld. Ookinleck legde nadruk op mobiliteit en stelde dat eenheden bij dreigende afsnijding moesten terugvallen in plaats van standhouden tot vernietiging. De verdediging bij Mersa Matruh moest tijd kopen tot de stelling bij El Alamein volledig ingericht was. Door gebrekkige communicatie, overlappende bevelslijnen en beperkte afstemming tussen infanterie en pantser bleken de doelen in de praktijk moeilijk te combineren.

Militaire eenheden

Bij Mersa Matruh bestond de Britse opstelling uit X Corps en XIII Corps. X Corps hield de kustsector, met de 10th Indian Infantry Division in de vesting zelf en de 50th (Northumbrian) Infantry Division oostelijk van de stad om de terugweg te dekken. In de zuidelijke sector bezette XIII Corps het hogere terrein op en achter de tweede steilrand. Daar lagen onderdelen van de 29th Indian Infantry Brigade op de Sidi Hamaza-rand, terwijl de 2nd New Zealand Division zich opstelde bij Minqar Qaim.

De 22nd Armoured Brigade (1st Armoured Division) opereerde zuidwestelijk. De 7th Motorised Brigade en de 4th Armoured Brigade (7th Armoured Division) schermden de zuidflank af. Na eerdere verliezen waren er 159 tanks beschikbaar, waaronder circa 60 Amerikaanse M3 Grants met 75 mm-kanon.

Tussen beide korpsen lag een vlak terrein met een dun mijnenveld, afgeschermd door kleine columns zoals Gleecol en Leathercol. Elke column bestond uit twee infanteriepelotons met artilleriesteun.

De Asmacht zette de Duitse 21st Panzer Division, 15th Panzer Division en 90th Light Division in, gevolgd door Italiaanse formaties zoals het XX Motorised Corps. Bij de omsingeling en inname speelden ook de 133rd Armoured Division “Littorio”, de 27th Infantry Division “Brescia” en de 102nd Motorised Division “Trento” een rol; het 7th Bersaglieri Regiment nam de capitulatie in de stad in ontvangst.

Het verloop van de Slag bij Mersa Matruh

De gevechten bij Mersa Matruh speelden zich af in de achtervolgingsfase na Tobroek. Rommel probeerde met snelle manoeuvres de Britse verdediging te ontregelen, de kustweg af te snijden en afzonderlijke formaties geïsoleerd te vernietigen. Aan Britse zijde was het uitgangspunt om tijd te winnen, maar zonder herhaling van omsingelingen zoals bij Tobroek. De strijd verliep daardoor als een combinatie van afgrendelingen, uitbraakacties en verplaatsingen onder druk.

  • 26 juni: door logistieke vertragingen begon de Asaanval pas in de middag. 21st Panzer en 90th Light drongen door het mijnenveld tussen de escarpments en duwden Gleecol en Leathercol terug. 15th Panzer botste op de 22nd Armoured Brigade op het plateau; die ontmoeting beperkte de Duitse voortgang in de zuidelijke sector.
  • 27 juni: 90th Light schakelde eenheden uit ten zuiden van de vesting, waaronder het 9th Battalion van de Durham Light Infantry. Tegelijk manoeuvreerde 21st Panzer richting de oostelijke benadering bij Minqar Qaim en raakte transport van de 2nd New Zealand Division verspreid. In de avond blokkeerde 90th Light de kustweg en sneed zo de terugtocht van X Corps af.
  • Nacht 27/28 juni: Auchinleck gaf aan dat bij dreigende afsnijding terugtocht moest volgen; om 21.20 uur kwam het bevel naar Fuka. Freyberg raakte gewond en Inglis organiseerde de uitbraak van de 2nd New Zealand Division. De 4th New Zealand Brigade viel zonder voorafgaand bombardement een onderdeel van de 21st Panzer Division aan en brak door; andere onderdelen weken via het zuiden uit. De divisie rapporteerde circa 800 slachtoffers, terwijl bijna 10.000 militairen richting El Alamein uitweken. In de bronnen is niet eenduidig of alle terugtrekkingsorders tijdig doorkwamen.
  • 28–29 juni: door een communicatiefout ontving X Corps het terugtrekkingsbevel laat en brak het in colonnes zuidwaarts uit, met gevechten tegen vooral Italiaanse eenheden. Een colonne passeerde dicht bij Rommels commandopost; stafofficieren moesten zichzelf verdedigen, waarna het hoofdkwartier werd verplaatst. De 29th Indian Infantry Brigade werd bij Fuka overrompeld. Op 29 juni omsingelden 90th Light Division en de Italiaanse 133rd Armoured Division “Littorio” Mersa Matruh; een uitbraakpoging van de 10th Indian Division werd door “Littorio” afgeslagen. Na bombardementen door “Brescia” en “Trento” aanvaardde het 7th Bersaglieri Regiment de capitulatie van ongeveer 6.000 Britse militairen.

Na de val van de vesting werd 90th Light zonder rust hervat en richting de kustweg gestuurd om de terugtrekkende Britten te blijven achtervolgen. De 21st Panzer onderschepte bij Fuka nog colonnes en nam circa 1.600 extra gevangenen. In het open terrein reden colonnes van beide zijden soms vrijwel parallel, waardoor in de stofwolken verwarring ontstond en vuurgevechten konden uitbreken. Omdat veel As-transport buitgemaakt Brits of Amerikaans materieel was, was herkenning in de praktijk niet altijd direct.

Resultaat

Tactisch nam de Asmacht Mersa Matruh in, met ongeveer 6.000 krijgsgevangenen in de vesting en buit van voorraden. De blokkade van de kustweg en de afsluiting bij Minqar Qaim sneden de terugtocht van X Corps en XIII Corps af. De Panzerarmee Afrika kon echter niet alle uitbraakpogingen stoppen, waardoor grote delen van het Achtste Leger konden uitwijken.

Strategisch werd het Achtste Leger niet vernietigd. X Corps kwam verspreid uit de uitbraak; ongeveer 60 procent bereikte El Alamein en de rest werd als “Delta Force” naar de Nijl teruggenomen. De 2nd New Zealand Division bereikte El Alamein en werd in de linie opgenomen. Bij de Eerste Slag bij El Alamein werd de Asopmars vervolgens gestopt.

De opmars had ook gevolgen in Egypte. Asluchtmacht vanaf Matruh opereerde op circa 260 kilometer van de marinebasis in Alexandrië, waarna de Middellandse Zeevloot naar oostelijker havens uitweek. Het hoofd van de US Army Intelligence Division verwachtte dat de Britse positie in Egypte binnen een week zou instorten. In Cairo werden documenten vernietigd (“Ash Wednesday”) en trokken burgers richting Palestina; diplomatieke posten kregen meer visumaanvragen. Het Britse leger liet delen van de Nijldelta onderlopen, bouwde stellingen bij Alexandrië en het Suezkanaal en bereidde vernieling van infrastructuur voor; een beleid van verschroeide aarde werd besproken maar niet uitgevoerd.

Militaire en burger slachtoffers

In de aangeleverde gegevens wordt melding gemaakt van circa 8.000 geallieerde krijgsgevangenen tijdens de gevechten bij Mersa Matruh. Het grootste deel daarvan, ongeveer 6.000, viel bij de capitulatie in de vesting zelf. Daarnaast werden bij de onderschepping van colonnes in de omgeving van Fuka nog circa 1.600 militairen gevangen genomen.

Bij de 2nd New Zealand Division vielen gedurende de drie dagen gevechten ongeveer 800 slachtoffers, waaronder de divisiecommandant Freyberg. Desondanks kon het merendeel van de divisie zich terugtrekken en later deelnemen aan de verdediging bij El Alamein. Voor burgerlijke slachtoffers worden in de aangeleverde tekst geen aantallen genoemd; wel wordt beschreven dat in Cairo en elders civiele maatregelen en evacuatiebewegingen op gang kwamen.

Materiele verliezen

Aan Britse zijde gingen bij Mersa Matruh materieel en voorraden verloren die in de vesting en in depots lagen opgeslagen. Ook werden volgens de aangeleverde gegevens ongeveer veertig Britse tanks uitgeschakeld of achtergelaten. De Asmacht nam grote hoeveelheden brandstof, munitie en uitrusting buit, naar eigen zeggen voldoende om een divisie uit te rusten.

Aan Aszijde waren de verliezen aan mens en materieel in de aangeleverde tekst niet systematisch opgesomd, maar de bronnen noemen wel logistieke beperkingen, waaronder brandstoftekorten die de timing van aanvallen beïnvloedden. Daarnaast wordt beschreven dat de Desert Air Force de aanvoerlijnen en voertuigen van de Asmacht intensief aanviel, wat de druk op de bevoorrading vergrootte.

Conclusie

Rommel wilde het Achtste Leger verslaan door terugtochtroutes af te snijden en infanterie bij Mersa Matruh te omsingelen. Dat leverde een tactisch resultaat op: de vesting werd ingenomen, circa 6.000 militairen capituleerden in de stad en bij Fuka werden extra gevangenen gemaakt. De blokkades bij de kustweg en Minqar Qaim veroorzaakten ontregeling, maar de Panzerarmee Afrika kon niet alle uitbraakpogingen afsluiten.

De slag markeerde daarmee vooral een fase in de achtervolging waarin het Britse leger wel terrein en materieel verloor, maar zijn kern wist te behouden. Door de uitbraak van delen van X Corps en XIII Corps en de terugtocht van de 2nd New Zealand Division bleef een verdedigbare linie bij El Alamein mogelijk. In de maand daarna slaagde Auchinleck erin de opmars te stoppen, waarna beide partijen uitgeput raakten en de Britse opbouw voor latere tegenaanvallen begon.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Georg Weber, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Bierman, John; Smith, Colin (2002). Alamein: War Without Hate. London: Viking. ISBN 978-0-670-91109-7.
  3. Butler, Daniel Allen (2015). Field Marshal: The Life and Death of Erwin Rommel. Havertown, PA; Oxford: Casemate. ISBN 978-1-61200-297-2.
  4. Jackson, Sir William G. F. (1975). The Battle for North Africa, 1940–43. New York: Mason/Charter. ISBN 0-88405-131-5.
  5. Lewin, Ronald (1998) [1968]. Rommel As Military Commander. New York: B&N Books. ISBN 978-0-7607-0861-3.
  6. Mellenthin, F. W. von (1971) [1956]. Panzer Battles: A Study of the Employment of Armour in the Second World War. New York: Ballantine Books. ISBN 0-345-24440-0.
  7. Messenger, Charles (2009). Rommel: Leadership Lessons from the Desert Fox. Basingstoke, NY: Palgrave Macmillan. ISBN 978-0-23060-908-2.
  8. Neillands, Robin (2005). The Desert Rats: 7th Armoured Division 1940–45. London: Aurum. ISBN 1-84513-115-0.
  9. Playfair, I. S. O.; Flynn, F. C.; Molony, C. J. C.; Gleave, T. P. (2004) [1960]. The Mediterranean and Middle East: British Fortunes reach their Lowest Ebb (September 1941 to September 1942). Vol. III. Uckfield: Naval & Military Press. ISBN 1-845740-67-X.
  10. Rommel, Erwin (1982) [1953]. The Rommel Papers. New York: Da Capo Press. ISBN 978-0-306-80157-0.
  11. Walker, Ian (2004). Iron Hulls, Iron Hearts: Mussolini’s Elite Armoured Divisions in North Africa. Ramsbury: Crowood. ISBN 1-86126-646-4.
  12. Zabecki, D. T. (1999). World War II in Europe: An Encyclopedia. New York: Garland (Taylor & Francis). ISBN 978-0-8240-7029-8.
  13. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946