
USS Washington (BB‑56) was het tweede schip van de North Carolina‑klasse, gebouwd binnen de beperkingen van het Washington‑ en Tweede Londen‑verdrag. Het schip werd op 14 juni 1938 gelegd op de Philadelphia Naval Shipyard, te water gelaten op 1 juni 1940 en op 15 mei 1941 in dienst gesteld. Washington diende eerst in de Atlantische Oceaan ter ondersteuning van het Britse Home Fleet en werd in de zomer van 1942 naar de Stille Oceaan overgebracht. Daar kwam het schip in actie tijdens Guadalcanal, de Marianen, de Filipijnen, Iwo Jima en Okinawa. Na de oorlog vervoerde Washington militairen naar huis in het kader van Operation Magic Carpet, werd in 1947 uit dienst genomen, in 1960 van de sterkte afgevoerd en in 1961 gesloopt.
Ontwerp en constructie
De North Carolina‑klasse was de eerste Amerikaanse snelle slagschipklasse na het interbellum. Het ontwerp hield rekening met een standaardwaterverplaatsing van 35.000 long tons en een hoofdgeschut dat, na toepassing van de escalator‑clausule, werd opgewaardeerd van 14‑inch naar 16‑inch kanonnen. Washington mat 222,1 m lengte, 33 m breedte en had een diepgang van 10 m bij volle belading. De voortstuwing bestond uit vier General Electric‑stoomturbines op vier schroeven, gevoed door acht oliegestookte Babcock & Wilcox‑ketels, goed voor 121.000 shp en een topsnelheid van 28 knopen. Het bereik bedroeg 17.450 zeemijlen bij 15 knopen. De aanvankelijke bemanning lag rond 1.800 personen, oplopend tijdens de oorlog door extra luchtafweer en sensorbediening. Voor verkenning beschikte Washington over twee katapulten op het achterschip en kon zij drie Vought OS2U Kingfisher‑watervliegtuigen inzetten.
Bewapening
De hoofdartillerie bestond uit negen 16‑inch/45 Mark 6‑kanonnen in drie drievoudige koepels (twee voor, één achter). De secundaire artillerie omvatte twintig 5‑inch/38 dual‑purpose kanonnen in tien tweelingtorens midscheeps, geschikt voor lucht‑ en oppervlakte‑doelen. De oorspronkelijke lichte luchtafweer bestond uit zestien 1,1‑inch (28 mm) stukken en achttien .50‑caliber mitrailleurs. Gedurende de oorlog werd deze configuratie ingrijpend versterkt en vernieuwd met 20 mm Oerlikon‑ en 40 mm Bofors‑bewapening, samen met nieuwe vuurleidingsmiddelen voor alle niveaus van het geschut.
Bepantsering
De hoofdpantsergordel was 12 inch (305 mm) dik. Het gepantserde dek bereikte tot 5,5 inch (140 mm). De torenfronten van het hoofdgeschut waren 16 inch (406 mm), met barbettes van vergelijkbare dikte. De commandotoren had 14,7 inch (373 mm) zijpantser. De pantseropzet was geoptimaliseerd tegen 14‑inch munitie volgens de verdragseisen die golden bij de ontwerpaanvang, kort vóór de escalatie naar 16‑inch bewapening.
Sensoren en dataverwerking
Washington en zusterschepen waren ontworpen vóór de brede invoering van radar en werden aanvankelijk uitgerust met optische afstandsmeters voor navigatie en vuurleiding. Al in 1941–1942 werden op beide schepen uitgebreide radar‑ en vuurleidingstoepassingen aangebracht. In de beginfase omvatte dit voor Washington drie Mark 3 fire‑control radars voor het hoofdgeschut, vier Mark 4‑sets voor de secundaire artillerie, de CXAM air‑search radar en de SG surface‑search radar. Deze integratie stelde het schip in staat om doelinformatie te verzamelen en te distribueren aan geschutsposten en directies, ook bij nacht en slecht zicht, zoals tijdens Guadalcanal.
In 1944 volgde een belangrijke moderniseringsslag: de oude CXAM werd vervangen door SK air‑search, de SG‑capaciteit werd uitgebreid en de Mark 3‑vuurleiding werd opgewaardeerd naar Mark 8 voor het hoofdgeschut, met behoud van één Mark 3 als reserve. Voor de secundaire artillerie verving Washington de Mark 4 later door de Mark 12/22‑combinatie, die betere nauwkeurigheid en weerstand tegen storingen bood. Parallel hieraan werden op North Carolina vergelijkbare pakketten doorgevoerd, inclusief SK‑2 air‑search en Mark 27 microwave‑radarondersteuning; Washington ontving geen SK‑2 maar volgde verder hetzelfde ontwikkelpad. Tegen het einde van de oorlog beschikte North Carolina aantoonbaar over een SR‑secundaire air‑search en een SCR‑720 zenith search radar; Washington sloot in maart 1946 aan met SK voorop, SR achterop, SG zowel voor als achter en een TDY‑jammer voor elektronische tegenmaatregelen. Deze TDY kon vijandelijke radar waarnemen en storen, wat de overlevingskans tegen geleide luchtaanvallen verhoogde.
De vuurleiding was georganiseerd rond centrale directies: Mark 38 voor het hoofdgeschut en — later oorlog — Mark 37 voor de 5‑inch‑kanonnen, aangevuld met Mark 57 voor lichte bewapening. De koppeling van deze directies met Mark 8/12/22/27‑radars gaf Washington een moderne vuurleidingsketen. Tijdens de oorlog bouwde de US Navy op grote schepen een Combat Information Center (CIC) uit, waarin lucht‑ en oppervlaktebeeld, radarsporen en rapportage van uitkijkposten werden samengebracht en via plottafels en communicatiemiddelen werden verdeeld naar brug en geschut. Washington opereerde in 1943–1945 met zo’n CIC‑functie en gebruikte radar‑geleide vuurleiding in complexe nachtgevechten en bij carrier‑screening.
Modificaties
De lichte luchtafweer werd in 1942–1945 meermaals aangepast. De 1,1‑inch stukken maakten plaats voor 40 mm Bofors in viervoudige opstellingen; in 1943 waren er veertig, in de loop van dat jaar oplopend tot circa zestig lopen in vijftien viervoudige affuiten. De .50‑cal mitrailleurs werden vervangen door 20 mm Oerlikon‑kanonnen; in 1943/1944 bereikte Washington meer dan zestig 20 mm‑lopen, inclusief op proef geplaatste viervoudige 20 mm‑affuiten. In 1945 werden enkele enkelvoudige 20 mm‑opstellingen vervangen door tweelingen om de vuurdichtheid te verhogen.
Op voortstuwingsgebied kende het schip bij hoge snelheid trillingsproblemen met de oorspronkelijke driebladige schroeven. Diverse schroefcombinaties (vier‑ en vijfbladig) werden beproefd, waarmee de hinder bij maximale snelheid werd verminderd, al bleef een snelheidsband tussen circa 17 en 20 knopen ongunstig. Op 1 februari 1944 botste Washington bij Kwajalein met USS Indiana, waarbij Washingtons boeg zwaar beschadigde. Na noodreparaties kreeg het schip in Puget Sound een tijdelijke en vervolgens een nieuwe boeg, waarna operationele inzet werd hervat.
Status schip tijdens de oorlog
Washington werd continu onderhouden en geüpdatet. Het schip kreeg moderne lucht‑ en oppervlakteradars, radar‑vuurleiding, uitgebreide luchtafweer en een CIC‑organisatie die aansloot bij de US Navy‑standaard van 1943. De voortstuwing bleef betrouwbaar en de wapen‑ en sensorfit werd aangepast aan de eisen van carrier‑escorte en kustbombardement. Washington kan voor de periode 1943–1945 worden gekarakteriseerd als technisch bij de tijd binnen zijn klasse en rol.
Operationele geschiedenis
Atlantische inzet en samenwerking met het Home Fleet (1941–1942)
Na indienststelling voltooide Washington proeftochten en oefening in de Atlantische wateren. In maart 1942 vertrok het schip als vlaggenschip van Task Force 39 naar Scapa Flow om het Britse Home Fleet te versterken. De taak betrof konvooibescherming richting de Sovjet‑Unie en afschrikking van Duitse oppervlakteschepen in Noorwegen. Washington oefende met Britse eenheden, escorteerde konvooiroutes en opereerde vanuit IJsland en de Orkney‑eilanden. Direct gewapend contact met grote Duitse eenheden bleef uit. In juli 1942 keerde het schip terug naar de Verenigde Staten voor een werfperiode en overdracht naar de Stille Oceaan.
Guadalcanal en de nachtactie van 14–15 november 1942
In september 1942 arriveerde Washington in de Zuid‑Pacific en werd vlaggenschip van schout‑bij‑nacht Willis Lee (Battleship Division 6). Tijdens de nacht van 14–15 november, in de zeeslag bij Guadalcanal, opereerde Washington samen met USS South Dakota en vier torpedobootjagers tegen een Japanse bombardementsmacht onder vice‑admiraal Nobutake Kondō. Nadat South Dakota door een stroomprobleem en silhouet tegen brandende schepen onder geconcentreerd vuur kwam, bleef Washington onopgemerkt. Met radar‑geleide vuurleiding bestookte Washington het slagschip Kirishima op korte afstand en bracht door treffers met 16‑inch en 5‑inch geschut dodelijke schade toe; Kirishima zonk later. De Japanse torpedobootjager Ayanami ging eveneens verloren. Het bombardement op Henderson Field werd voorkomen en de Japanse oppervlakteschepen trokken zich terug.
Central Pacific: Gilberts, Marshalls en werfperiode (1943–1944)
In 1943 fungeerde Washington vooral als escorteschip voor snelle vliegkampschepen tijdens operaties in de Zuid‑ en Centraal‑Pacific. In november 1943 ondersteunde zij de landingen op Tarawa en Makin (Gilberts). Op 30 januari 1944 voerden Washington en twee andere slagschepen een kustbombardement uit op Kwajalein (Marshalls). In de vroege uren van 1 februari 1944 botste het schip met USS Indiana, wat leidde tot zware boegschade. Na noodreparaties op Majuro en Pearl Harbor vertrok Washington naar Puget Sound voor een nieuwe boeg en aanvullende technische werkzaamheden. In juni 1944 keerde het schip terug naar de vloot als vlaggenschip van vice‑admiraal Lee.
Marianen en de slag in de Filipijnse Zee (juni 1944)
Tijdens de Marianen‑campagne ondersteunde Washington de voorliggende bombardementen op Saipan en Tinian en vormde zij, met andere snelle slagschepen, de buitenste gordel voor de carriers van Task Force 58. Op 19–20 juni 1944 nam het schip deel aan de slag in de Filipijnse Zee, waar de Amerikaanse luchtstrijdkrachten Japanse aanvallen afsloegen en drie carriers uitschakelden. Washington leverde luchtafweer, radarwaarneming en bescherming tegen mogelijke oppervlakte‑doorbraken.
Filipijnen en Leyte‑operaties (september–oktober 1944)
In september 1944 dekte Washington de luchtaanvallen op de Palau‑eilanden en de Filipijnen. Tijdens de daaropvolgende Slag in de Golf van Leyte (23–26 oktober) werd Task Force 34 als slagschip‑formatie geconstitueerd, met Washington in de kern. Terwijl de carriers de noordelijke afleidingsmacht bestreden, brak de Japanse Centrale Strijdmacht via de San Bernardino‑straat door. Ondanks spoedorders om zuidwaarts te stomen, arriveerde de slagschipgroep niet vóór de Japanse terugtocht na het gevecht bij Samar. Washington bleef daarna in escorte‑ en bombardementsrol binnen de Filipijnse wateren opereren.
Japanse thuiswateren, Iwo Jima en Okinawa (1945)
In februari 1945 ondersteunde Washington carrier‑aanvallen op Honshu en leverde vuursteun tijdens de landingen op Iwo Jima. In maart–april volgden bombardementen en carrier‑screening rond Okinawa. Het schip bleef onbeschadigd ondanks zware kamikaze‑activiteit in het gebied en droeg bij aan kustbeschietingen ter ondersteuning van de grondtroepen. Eind mei werd Washington naar achteren gedetacheerd voor onderhoud; bij voltooiing was de oorlog afgelopen.
Na de oorlog
Na de Japanse capitulatie werd Washington aangepast voor troepentransport in het kader van Operation Magic Carpet en bracht zij in november 1945 meer dan 1.600 militairen vanuit Southampton naar New York. Het schip nam deel aan Navy Day in Philadelphia (27 oktober 1945) en werd op 27 juni 1947 uit dienst gesteld. In de jaren vijftig werden moderniseringsopties onderzocht, waaronder vervanging van de lichte luchtafweer door 3‑inch‑geschut en mogelijke snelheidsverhoging, maar de benodigde wijzigingen aan pantser, voortstuwing en schroeven bleken kostbaar en technisch ongunstig. Washington bleef in de Atlantische reserve tot 1 juni 1960, werd toen van de sterkte afgevoerd en op 24 mei 1961 voor sloop verkocht.
Conclusie
USS Washington (BB‑56) vertegenwoordigde de overgang van optische naar radar‑gedreven gevechtsvoering op zee. Met SK/SR/SG‑zoekradars, Mark 8/12/22/27‑vuurleiding, Mark 38/37‑directies en een CIC‑organisatie voldeed het schip in 1943–1945 aan de Amerikaanse norm voor informatiegestuurde strijd op zee. In combinatie met de uitgebreide luchtafweer en de rol als carrier‑escort en bombardementsplatform bleef Washington gedurende de oorlog technisch passend binnen zijn taakstelling en inzetprofiel.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: US Navy, Public domain, via Wikimedia Commons
- Blair, Clay (1996). Hitler’s U‑boat War: The Hunters, 1939–1942. New York: Random House. ISBN 978-0-394-58839-1.
- Frank, Richard B. (1990). Guadalcanal: The Definitive Account of the Landmark Battle. Harmondsworth: Penguin Books. ISBN 978-0-14-016561-6.
- Friedman, Norman (1980). “United States of America”. In: Gardiner, Robert & Chesneau, Roger (eds.), Conway’s All the World’s Fighting Ships 1922–1946. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-913-9.
- Friedman, Norman (1985). U.S. Battleships: An Illustrated Design History. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-715-9.
- Garzke, William H. & Dulin, Robert O. (1976). Battleships: United States Battleships in World War II. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-099-0.
- Hornfischer, James D. (2011). Neptune’s Inferno: The U.S. Navy at Guadalcanal. New York: Bantam Books. ISBN 978-0-553-80670-0.
- Lundgren, Robert (2008). “Question 39/43: Loss of HIJMS Kirishima”. Warship International, XLV(4), 291–296. ISSN 0043-0374.
- Musicant, Ivan (1986). Battleship at War: The Epic Story of the USS Washington. New York: Avon Books. ISBN 0-380-70487-0.
- Rohwer, Jürgen (2005). Chronology of the War at Sea, 1939–1945: The Naval History of World War Two. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-119-8.
- Whitley, M. J. (1998). Battleships of World War Two: An International Encyclopedia. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-55750-184-4.
- Wilmott, H. P. (2015). The Battle of Leyte Gulf: The Last Fleet Action. Bloomington: Indiana University Press. ISBN 978-0-253-01901-1.
- Y’Blood, William T. (2012). Red Sun Setting: The Battle of the Philippine Sea. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-61251-197-9.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.









