Home Oorlogsmisdaden Ardeatijnse grottenmoord: Rome, 24 maart 1944

Ardeatijnse grottenmoord: Rome, 24 maart 1944

Potloodtekening van de Ardeatijnse grotten in Rome, plaats van de Duitse represaille-executies van 335 gevangenen op 24 maart 1944.
Artist impression in potloodstijl van de Ardeatijnse grotten, waar Duitse bezettingstroepen in maart 1944 335 Italianen executeerden.

De Ardeatijnse grottenmoord (Italiaans: Eccidio delle Fosse Ardeatine) was een Duitse represaille in bezet Rome op 24 maart 1944. In verlaten groeven aan de Via Ardeatina werden 335 gevangenen en burgers geëxecuteerd, als antwoord op de aanslag in de Via Rasella waarbij 33 Duitse politiemannen omkwamen. De locatie is later ingericht als nationaal monument en begraafplaats.

Militaire en Politieke Situatie

In juli 1943 landden geallieerde troepen op Sicilië en werd Rome voor het eerst gebombardeerd. Op 24 juli stemde de Grote Fascistische Raad tegen Benito Mussolini; koning Victor Emanuel III liet hem de dag erna arresteren en benoemde maarschalk Pietro Badoglio. Badoglio begon geheime onderhandelingen met de geallieerden en verklaarde Rome een open stad, een status die niet door alle partijen werd gerespecteerd. Duitsland verplaatste in dezelfde periode extra troepen naar Italië (Operatie Achse).

Op 8 september 1943 werd de wapenstilstand openbaar. De koning en Badoglio verlieten Rome, waarna Duitse troepen de hoofdstad bezetten en militair recht instelden; er werd op meerdere plekken kort gevochten, onder meer bij Porta San Paolo. Antifascistische partijen en monarchisten vormden het Comitato di Liberazione Nazionale (CLN), dat verzetsactiviteiten coördineerde. Op 12 september 1943 werd Mussolini door Duitse commando’s onder Otto Skorzeny bevrijd en in Noord-Italië aan het hoofd gezet van een door Duitsland gesteund regime, vaak aangeduid als de Republiek van Salò.

In oktober 1943 arresteerden de nazi’s Joden in Rome en deporteerden hen naar Auschwitz. Daarnaast vonden razzia’s voor dwangarbeid plaats en werden tegenstanders gevangen gezet. Vanaf december 1943 pleegden Romeinse verzetsgroepen aanslagen; de bezetter reageerde met arrestaties en verhoren door de Sicherheitspolizei en de Sicherheitsdienst, soms met steun van Italiaanse fascistische politieformaties. In januari 1944 landden geallieerde troepen bij Anzio (Operatie Shingle), maar de opmars naar Rome stokte; in die context werd op 23 maart 1944 een aanslag in het centrum voorbereid.

Locatie

De aanslag van 23 maart 1944 vond plaats in de Via Rasella, een smalle straat in het centrum van Rome nabij de Piazza di Spagna. De Duitse colonne liep een vaste route door dit gebied, waardoor de aanval kon worden voorbereid. Na de explosie werden in de directe omgeving woningen doorzocht en verdachten opgepakt.

De executies van 24 maart 1944 gebeurden bij de Fosse Ardeatine aan de Via Ardeatina, in verlaten ondergrondse gangen van voormalige pozzolana-groeven. Pozzolana is een vulkanisch materiaal dat onder meer in bouwmortel is gebruikt. Het Italiaanse woord fosse is het meervoud van fossa en wordt ook gebruikt voor een massagraf. Na de oorlog werd het terrein ingericht als memoriale begraafplaats en nationaal monument. Het monument is dagelijks toegankelijk; jaarlijks op 24 maart worden bij een staatsherdenking alle 335 namen voorgelezen.

Militaire Leiders

De represaille werd besloten en uitgevoerd binnen de Duitse bezettingshiërarchie. Hitler gaf het bevel en legde een termijn van 24 uur op. Kesselring (opperbevelhebber in Italië), von Mackensen (14e Leger) en Mälzer (stadscommandant van Rome) ondersteunden de uitvoering. Kappler (Sicherheitspolizei en SD in Rome) stelde de lijsten samen en organiseerde transport en executies.

Overzicht van betrokken leidinggevenden:

Na de oorlog werden meerdere betrokkenen berecht. Kesselring en von Mackensen werden in 1947 veroordeeld en in 1952 vrijgelaten; Mälzer stierf in 1952 in gevangenschap. Kappler kreeg in 1947 levenslang, ontsnapte in 1977 uit een militair ziekenhuis en stierf in 1978 in Duitsland. Priebke en Hass werden later veroordeeld; Caruso werd op 22 september 1944 geëxecuteerd.

Doelstelling en planning

De aanslag in de Via Rasella werd uitgevoerd door twaalf partizanen van de Gruppo d’Azione Patriottica (GAP). Zij gebruikten een geïmproviseerd explosief met 12 kilogram TNT in een stalen behuizing, aangevuld met 6 kilogram TNT en met explosief gevulde buizen. Het explosief werd in een vuilniskar verborgen en door een dader vermomd als straatveger op zijn plaats gebracht, terwijl anderen als uitkijk fungeerden. De ontsteking was getimed op het passeren van de Duitse colonne.

De explosie doodde 28 Duitse politiemannen direct; in de dagen erna liep het aantal doden op tot 33. Er zijn meldingen van burgerdoden, waaronder de elfjarige Piero Zuccheretti; de beschikbare beschrijvingen geven geen eenduidige vaststelling of hij door de explosie of door het daaropvolgende schieten omkwam. De partizanen wisten te ontkomen.

Kort na de aanslag besloten Kappler en Mälzer tot een represaille in de verhouding tien Italianen voor elke gedode Duitse politieman. Het voorstel werd door von Mackensen ondersteund en via hogere commandolijnen goedgekeurd, waarna Hitler uitvoering binnen 24 uur eiste. Om tijd te winnen werd gekozen voor executie van dichtbij met een schot in het achterhoofd.

De planning draaide om het halen van het quotum. Kappler beschikte over vier ter dood veroordeelden in zijn gevangenis aan de Via Tasso, aangevuld met langdurig veroordeelden en personen die als “ter dood bestemd” waren aangemerkt. Op voorstel van Harster werden ook 57 Joodse gevangenen in hechtenis genoemd; tegen de middag van 24 maart stond een lijst van 271 namen. Extra gevangenen kwamen uit Regina Coeli, onder wie Maurizio Giglio, een dubbelagent voor de Amerikaanse OSS.

Militaire eenheden

De aangevallen eenheid op 23 maart 1944 was de 11e Compagnie van het 3e Bataljon van het Polizei-Regiment “Bozen” (ook aangeduid als “South Tyrol”). Het regiment was in oktober 1943 gevormd uit Duitstalige inwoners van Zuid-Tirol; een deel had eerder in het Koninklijk Italiaans Leger gediend en aan het Oostfront gevochten voordat zij in Duitse dienst kwamen.

De represaille werd uitgevoerd door het Duitse politieapparaat in Rome en ondersteund door militaire structuren, met medewerking van Italiaanse fascistische politie bij razzia’s en gevangenenaanlevering. Aan de kant van het verzet waren meerdere netwerken actief. De Via Rasella-aanslag was een GAP-operatie; onder de latere slachtoffers worden in bronnen ook Bandiera Rossa en het clandestiene monarchistische militaire front (FMRC) genoemd.

Het verloop van de Ardeatijnse grottenmoord

Op 23 maart 1944 ontplofte het explosief in de Via Rasella tijdens het passeren van de Duitse colonne. De bezetter stelde de omgeving direct veilig, doorzocht woningen en verrichtte arrestaties. Kappler leidde het onderzoek ter plaatse. Die avond werd besloten tot de tien-op-één-represaille met uitvoering binnen 24 uur.

Op 24 maart werden slachtoffers geselecteerd uit Duitse detentieplaatsen, uit de Via Rasella-omgeving en uit de Italiaanse gevangenis Regina Coeli. De lijst omvatte politieke gevangenen, verzetsverdachten, Joodse gevangenen en mensen die eerder in razzia’s waren opgepakt. De geselecteerden werden in vrachtwagens naar de Fosse Ardeatine gebracht. Daar werden zij in groepen van vijf naar binnen geleid met de handen op de rug gebonden.

De executie gebeurde met een schot in het achterhoofd, gericht op de kleine hersenen (cerebellum), zodat meestal één kogel per persoon nodig was. Door een fout werden 335 personen aangevoerd terwijl het quotum 330 was; ook de vijf extra gevangenen werden gedood om de locatie niet via overlevenden bekend te laten worden. Na afloop werden de lichamen bedolven onder puin en lieten Duitse militaire ingenieurs explosieven ontploffen om delen van het gangenstelsel te laten instorten en de plaats af te sluiten.

Nabestaanden werden pas later en vaak langzaam geïnformeerd, soms per individuele brief. In latere beschrijvingen is deze aanpak in verband gebracht met de bezettingspraktijk die bekendstaat als Nacht und Nebel, gericht op geheimhouding en onzekerheid. De groeven bleven ruim een jaar afgesloten voordat identificatie en herbegrafenis in een monumentale begraafplaats konden plaatsvinden.

Resultaat

Tactisch resultaat:

  • 33 dode Duitse politiemannen na de Via Rasella-aanslag.
  • 335 geëxecuteerde Italianen op 24 maart 1944 in de Fosse Ardeatine.
  • Verscherpte veiligheidsmaatregelen en razzia’s in Rome.

Strategisch resultaat en gevolgen:

  • In 1952 verklaarde het Italiaanse Hooggerechtshof de Via Rasella-aanslag een legitieme oorlogsdaad; in 1999 werd dit bevestigd bij een poging om partizanen alsnog te vervolgen.
  • In de jaren negentig volgde in een civiele zaak een schadevergoeding van 45.000 euro na onjuiste kwalificatie van de aanslag als terrorisme.
  • De Fosse Ardeatine werden in Italië een nationaal symbool voor bezettingsgeweld tussen 8 september 1943 en 8 mei 1945.
  • In 2007 leidde een publieke uitspraak van raadslid Giorgio Bettio, die de represaillemethode als vergelijking gebruikte, tot brede veroordeling.

In de beeldvorming wordt soms gesteld dat de daders van de Via Rasella-aanslag zijn opgeroepen zich te melden. In reconstructies is zo’n oproep met concrete voorwaarden niet als vast gegeven gedocumenteerd.

De rol van het Vaticaan bleef onderwerp van debat. Robert Katz stelde dat paus Pius XII mogelijk aanwijzingen had ontvangen over represailles en weinig deed om deze te beperken; deze lezing werd betwist en leidde tot een rechtszaak.

In 1980 werd een document uit het Vaticaans archief gepubliceerd dat op 24 maart 1944 om 10:15 uur melding maakte van een verwachte tien-op-één-vergelding, zonder concrete details over plaats en tijd. Pius XII protesteerde niet publiekelijk; verklaringen verwijzen onder meer naar het risico van Duitse zoekacties in kerkelijke instellingen. In het Vaticaanse dagblad Osservatore Romano verscheen wel een commentaar dat de aanslag en het hoge aantal slachtoffers benoemde.

De herdenking kreeg na 1945 vorm in een mausoleum, ontworpen na een nationale prijsvraag door Nello Aprile, Cino Calcaprina, Aldo Cardelli, Mario Fiorentino en Giuseppe Perugini, met beeldhouwwerk van Francesco Coccia en Mirko Basaldella. In het complex liggen 335 slachtoffers begraven; een inscriptie verwijst naar Psalm 130 en is in zowel Latijn als Hebreeuw weergegeven. In cultuur en media werd de gebeurtenis verwerkt, onder meer in films uit 1962 en 1973, in William Schumans Negende symfonie (1968) en in een roman uit 2017.

Miltaire en burger slachtoffers

Militaire slachtoffers:

  • Duitsland: 33 doden bij het Polizei-Regiment “Bozen” na de Via Rasella-aanslag.
  • Er zijn meldingen van burgerslachtoffers in de Via Rasella, waaronder Piero Zuccheretti (11 jaar); de directe doodsoorzaak wordt niet eenduidig vastgesteld.

Burger- en politieke slachtoffers bij de represaille:

  • Italië: 335 doden in de Fosse Ardeatine; 75 van hen waren Joods.
  • De leeftijd liep uiteen van 15 tot 70 jaar.
  • De groep omvatte politieke gevangenen, verzetsverdachten, leden van meerdere verzetsgroepen, Joodse gevangenen en burgers die na de aanslag of op basis van tips werden opgepakt.

Onder de slachtoffers bevonden zich militairen uit het clandestiene netwerk, waaronder kolonel Giuseppe Cordero Lanza di Montezemolo en generaal Simone Simoni, plus vier andere generaals: Vito Artale, Dardano Fenulli, Roberto Lordi en Sabato Martelli Castaldi. Priester Pietro Pappagallo, die onderduikers hielp, werd eveneens geëxecuteerd. Onder de 75 Joodse slachtoffers worden in bronnen 26 personen genoemd die door Celeste Di Porto aan de Duitsers zouden zijn aangegeven; zij kreeg na de oorlog een gevangenisstraf van 12 jaar voor collaboratie en zat daarvan 7 jaar uit.

Over de aanvulling van Duitse verliezen in maart 1944 geven de beschreven bronnen geen concreet overzicht. Wel is zichtbaar dat het Duitse politie- en veiligheidsapparaat in Rome na de aanslag en de represaille operationeel bleef. Specifieke aantallen reservisten of gegevens over de kwaliteit van vervangend personeel voor het Polizei-Regiment “Bozen” zijn niet opgenomen.

Materiele verliezen

Over materiële schade in de Via Rasella is geen systematische inventaris in de beschikbare beschrijving opgenomen; de kern van de bronnen ligt bij slachtoffers, bevelvoering en juridische afwikkeling. Bij de represaille waren vrachtwagens, vuurwapens en explosieven onderdeel van de uitvoering. Explosieven werden gebruikt om de groeven af te sluiten en te verbergen. Er zijn geen gegevens genoemd waaruit blijkt dat munitie- of brandstofvoorraden in Rome door deze specifieke actie merkbaar werden beïnvloed.

Conclusie

De Duitse represaille was bedoeld als snelle vergelding en afschrikking na de Via Rasella-aanslag. In operationele zin werd dit uitgevoerd: binnen 24 uur werden 335 gevangenen en burgers in de Fosse Ardeatine geëxecuteerd, waarna de locatie met explosieven werd afgesloten. De planning en uitvoering waren vooral gericht op het halen van een numeriek quotum, met slachtoffers uit Duitse en Italiaanse detentie.

De gevolgen lagen vooral in rechtspraak en herinnering. Italiaanse rechtbanken kwalificeerden de Via Rasella-aanslag later als legitieme oorlogsdaad, terwijl de Fosse Ardeatine als nationaal monument en begraafplaats een vaste plaats kregen in het publieke geheugen. Het onderwerp blijft daarnaast terugkomen in discussies over bezetting, collaboratie en de grenzen van geweld in een bezette hoofdstad.

Bronnen en meer informatie

  1. Katz, Robert (2003). The Battle for Rome: The Germans, The Allies, The Partisans, and The Pope, September 1943 – June 1944. New York: Simon & Schuster. ISBN 978-0-743-21642-5.
  2. Katz, Robert (2004). Fatal Silence: The Pope, the Resistance and the German Occupation of Rome. London: Cassell. ISBN 0304366811.
  3. Portelli, Alessandro (2003). The Order Has Been Carried Out: History, Memory, and Meaning of a Nazi Massacre in Rome. New York: Palgrave Macmillan. ISBN 978-1-403-96208-9.
  4. Raiber, Richard (2008). Anatomy of Perjury: Field Marshal Albert Kesselring, Via Rasella, and the GINNY Mission. Newark: University of Delaware Press. ISBN 978-0-874-13994-5.
  5. Marcello, Flavia (2017). Rome remembers fascism: The monument to the Fosse Ardeatine massacre as immersive historical experience. Rethinking History. DOI 10.1080/13642529.2016.1270566. S2CID 151918828.
  6. Simonetti, Fabio (2016). Via Tasso: Quartier generale e carcere tedesco durante l’occupazione di Roma. Rome: Odradek. ISBN 978-88-96487-55-6.
  7. Wolfe, Robert (2005). Coddling a Nazi Turncoat. In: Breitman, Richard; Goda, Norman J.W.; Naftali, Timothy; Wolfe, Robert (eds.). U.S. Intelligence and the Nazis. Cambridge: Cambridge University Press. ISBN 978-0-521-85268-5.
  8. MacLeod, W. (1946). The Massacre of the Ardeatine Caves: Identification of the Dead. Journal of the Royal Army Medical Corps. DOI 10.1136/jramc-87-01-02. PMID 20996328.
  9. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946