Herbert Kappler was tijdens de Duitse bezetting van Italië een centrale uitvoerder van het nazi repressieapparaat in Rome. Als commandant van de Sicherheitspolizei en de Sicherheitsdienst gaf hij leiding aan arrestaties, deportaties en vergeldingsacties tegen burgers en verzetsgroepen. Zijn verantwoordelijkheid voor de Ardeatinische grottenmoord en de vervolging van Joodse inwoners van Rome maakte hem tot een van de belangrijkste veroordeelde Duitse oorlogsmisdadigers in Italië.
Vroege leven en opleiding
Herbert Kappler werd op 23 september 1907 geboren in Stuttgart, in het toenmalige Duitse Keizerrijk. Hij groeide op in een burgerlijk middenklasse gezin, in een omgeving die werd gekenmerkt door politieke instabiliteit en economische onzekerheid na de Eerste Wereldoorlog. Over zijn formele opleiding is beperkt gedetailleerde informatie beschikbaar, maar zijn latere loopbaan wijst op een administratieve en organisatorische vorming die aansloot bij politie- en veiligheidsdiensten.
Kappler trad op 1 augustus 1931 toe tot de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij. Deze stap markeerde het begin van zijn snelle integratie in het nationaalsocialistische machtsapparaat. In 1933 volgde zijn toetreding tot de Schutzstaffel, de organisatie die binnen het Derde Rijk verantwoordelijk werd voor ideologische bewaking, repressie en uiteindelijk grootschalige misdaden tegen de burgerbevolking.
Interbellum en opkomst binnen het nazisysteem
In januari 1936 werd Kappler geplaatst bij het hoofdkantoor van de Gestapo in Stuttgart. In deze functie deed hij ervaring op binnen het snel uitbreidende veiligheidsapparaat van het regime. De Gestapo speelde een sleutelrol bij de onderdrukking van politieke tegenstanders en bij de voorbereiding van latere vervolgingsmaatregelen tegen Joden en andere groepen.
Tijdens de Anschluss van Oostenrijk in 1938 kreeg Kappler een actieve rol bij de organisatie van deportaties van Oostenrijkse Joden. Deze operaties vormden een vroeg onderdeel van de systematische vervolging die later zou uitmonden in de Holocaust. Zijn werkzaamheden in deze periode brachten hem onder de aandacht van hogere SS-functionarissen en droegen bij aan zijn verdere carrière binnen de Sicherheitsdienst.
Deelname aan de Tweede Wereldoorlog
Vanaf het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd Kappler ingezet in het buitenland. Hij werd in Rome gestationeerd als hoofd van de Sicherheitsdienst en werkte nauw samen met de Italiaanse politieautoriteiten. Na de wapenstilstand tussen Italië en de geallieerden op 8 september 1943 bezette het Duitse leger Rome. In deze context werd Kappler benoemd tot Kommandeur der Sicherheitspolizei und des SD voor Rome, met de rang van SS-Obersturmbannführer.
In deze functie kreeg hij de leiding over alle Duitse veiligheids- en inlichtingendiensten in de stad en de regio Lazio. Daarmee werd hij rechtstreeks verantwoordelijk voor de uitvoering van Duitse bezettingspolitiek, waaronder de vervolging van Joden en de bestrijding van het Italiaanse verzet. Hij rapporteerde zowel aan militaire autoriteiten als aan de SS-hiërarchie in Italië.
De vervolging van Joodse inwoners van Rome
Een van Kapplers eerste grote acties was de arrestatie en deportatie van Joodse inwoners van Rome. In oktober 1943 werden 1.023 personen opgepakt en gedeporteerd naar Auschwitz. Slechts zestien van hen overleefden. Later volgde een tweede deportatie van bijna duizend mensen, van wie het overgrote deel eveneens werd vermoord.
Tijdens deze operaties dwong Kappler de Joodse gemeenschap van Rome tot de afgifte van vijftig kilogram goud. Hij stelde later dat dit bedoeld was om deportaties te voorkomen, maar de acties gingen desondanks door. Historisch onderzoek beschouwt deze afpersing als onderdeel van het repressieve beleid van de bezettingsmacht.
Conflict met het Vaticaan
Kappler kwam herhaaldelijk in conflict met het Vaticaan, dat onder paus Pius XII een neutrale status handhaafde. Hij was ervan overtuigd dat binnen kerkelijke instellingen geallieerde krijgsgevangenen, verzetsleden en Joden werden verborgen. Pogingen om deze netwerken bloot te leggen leidden tot spanningen tussen Duitse autoriteiten en kerkelijke vertegenwoordigers.
Een uitgesproken tegenstander van Kappler was de Ierse geestelijke Hugh O’Flaherty, die vanuit Rome een uitgebreid hulpsysteem voor onderduikers organiseerde. Zowel Kappler als zijn Italiaanse bondgenoot Pietro Koch beraamden plannen om O’Flaherty uit te schakelen, maar deze mislukten. De activiteiten van O’Flaherty bleven een doorn in het oog van de Duitse veiligheidsdiensten.
Inlichtingenwerk en interne tegenstellingen
Binnen het Vaticaan beschikte Kappler over informanten, waaronder Aleksander Kurtna, een Estse vertaler werkzaam bij de Congregatie voor de Oosterse Kerken. Kurtna werkte onder dwang samen met de Duitse Sicherheitsdienst, maar bleek tegelijkertijd informatie door te spelen aan de Sovjet-Unie. Tijdens de chaos rond de bevrijding van Rome wist hij geheime codeboeken te ontvreemden en door te geven aan Sovjetcontacten.
Deze episode illustreert de complexe en vaak tegenstrijdige aard van het inlichtingenwerk in bezet Rome. Kapplers positie gaf hem formele macht, maar zijn controle over informatiestromen was in de praktijk beperkt en kwetsbaar voor interne ondermijning.
De Ardeatinische grottenmoord
Het bekendste en meest beruchte optreden van Kappler was de organisatie van de massamoord in de Ardeatinische grotten op 24 maart 1944. Deze actie volgde op een aanslag van het Italiaanse verzet waarbij 33 Duitse militairen omkwamen. Op direct bevel van Adolf Hitler moesten tien Italianen worden geëxecuteerd voor elke gedode Duitser.
Onder Kapplers leiding werden 335 burgers en politieke gevangenen geselecteerd en zonder proces doodgeschoten. De moordpartij geldt als een van de ernstigste oorlogsmisdaden die tijdens de Duitse bezetting van Italië zijn gepleegd en vormde later de kern van de aanklachten tegen hem.
Na de oorlog
Na de capitulatie van Duitsland werd Kappler in 1945 gearresteerd door Britse troepen. In 1947 werd hij overgedragen aan de Italiaanse autoriteiten en een jaar later berecht door een militaire rechtbank in Rome. Zijn plaatsvervanger in Rome, Erich Priebke, wist aanvankelijk te ontkomen en werd pas decennia later vervolgd.
Op 20 juli 1948 veroordeelde de rechtbank Kappler tot levenslange gevangenisstraf, met vier jaar eenzame opsluiting. Hij werd opgesloten in de militaire gevangenis van Gaeta. Een beroep tegen het vonnis werd in 1952 verworpen door het Italiaanse hoogste militaire gerechtshof.
Tijdens zijn gevangenschap scheidde zijn eerste echtgenote van hem. In 1972 trouwde hij in de gevangenis met Anneliese Kappler, een verpleegkundige met wie hij jarenlang had gecorrespondeerd. In deze periode bekeerde hij zich tot het katholicisme, mede door gesprekken met Hugh O’Flaherty, die hem in de gevangenis bezocht.
Ontsnapping en overlijden
In 1975 werd bij Kappler terminale kanker vastgesteld. Verzoeken om gratie of vervroegde vrijlating werden afgewezen, maar in 1976 mocht hij worden overgebracht naar een ziekenhuis. Vanwege zijn zwakke gezondheid kreeg zijn vrouw vrijwel onbeperkte toegang.
In augustus 1977 wist Anneliese Kappler haar man in een koffer het ziekenhuis uit te smokkelen en naar West-Duitsland te brengen. Italiaanse autoriteiten eisten zijn terugkeer, maar de West-Duitse regering weigerde uitlevering en stelde geen verdere vervolging in. De affaire leidde in Italië tot politieke gevolgen, waaronder het aftreden van de minister van Defensie.
Herbert Kappler overleed op 9 februari 1978 in Soltau, op zeventigjarige leeftijd.
Militaire rangen
Binnen de Schutzstaffel bereikte Kappler de rang van SS-Obersturmbannführer. Deze rang kwam overeen met die van luitenant-kolonel en weerspiegelde zijn leidinggevende positie binnen de Duitse veiligheidsdiensten in Rome. Zijn rang gaf hem directe zeggenschap over operaties van de Sicherheitspolizei en de Sicherheitsdienst in het bezette gebied.
Conclusie
Herbert Kappler vervulde tijdens de Duitse bezetting van Rome een centrale rol in het repressieve veiligheidsapparaat. Zijn verantwoordelijkheid voor deportaties en massamoord leidde na de oorlog tot een levenslange gevangenisstraf. De omstandigheden rond zijn ontsnapping en overlijden blijven onderdeel van het bredere debat over berechting, verantwoordelijkheid en rechtspleging na de Tweede Wereldoorlog.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: See page for author, Public domain, via Wikimedia Commons
- Levi, Primo; Belpoliti, Marco (2002). The Black Hole of Auschwitz. Polity. ISBN 978-0-7456-3240-7.
- Klee, Ernst (2007). Das Personenlexikon zum Dritten Reich. Fischer-Taschenbuch-Verlag. ISBN 978-3-596-16048-8.
- The Oxford Companion to International Criminal Justice (2009). Oxford University Press. ISBN 978-0-19-102149-7.
- Alvarez, David; Graham, Robert A. (1997). Nothing Sacred: Nazi Espionage Against the Vatican. Frank Cass. ISBN 978-0-7146-4320-3.
- Alvarez, David (2002). Spies in the Vatican: Espionage and Intrigue from Napoleon to the Holocaust. University Press of Kansas. ISBN 978-0-7006-1172-0.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946










