De Special Air Service (SAS) is een speciale eenheid van het Britse leger, opgericht in 1941 door David Stirling. In 1950 werd de eenheid opnieuw ingericht als corps, waarna de naam SAS bleef bestaan als overkoepelende aanduiding. De eenheid werd ontwikkeld voor operaties met kleine teams, hoge zelfstandigheid en strikte geheimhouding. In openbare beschrijvingen worden vooral antiterreur, gijzelingsbevrijding, directe acties en speciale verkenning genoemd. Omdat de Britse overheid doorgaans geen inhoudelijk commentaar geeft op special forces, is actuele informatie beperkt.
Wat is de Special Air Service (SAS)?
De SAS valt onder United Kingdom Special Forces (UKSF) en omvat één regulier regiment en twee reserve-regimenten. Het reguliere 22 SAS Regiment wordt aangevuld door 21 SAS (Artists) en 23 SAS (Reserve). Binnen UKSF valt ook de maritieme Special Boat Service (SBS) van de Royal Navy. De operationele aansturing ligt bij de Director Special Forces.
In openbare omschrijvingen wordt de SAS gekoppeld aan antiterreur, gijzelingsbevrijding, directe acties en speciale verkenning. Taken worden doorgaans uitgevoerd met kleine patrouilles die zelfstandig opereren, vaak op basis van strikte planning en inlichtingen. Door de vertrouwelijkheid rondom special forces is slechts een deel van de operationele geschiedenis publiek verifieerbaar. Daarom ligt de nadruk in openbare bronnen vaak op structuur, trainingsconcepten en historische inzet.
Welke oorsprong heeft de SAS in de Tweede Wereldoorlog?
De SAS ontstond in juli 1941 in Egypte als “L” Detachment, Special Air Service Brigade. De naam hoorde bij een Britse misleidingscampagne die de Asmogendheden moest doen geloven in meerdere luchtlandingseenheden. In de beginfase bestond de formatie uit vijf officieren en zestig manschappen. Het doel was sabotage en verkenning achter de frontlijn in Noord-Afrika.
De eerste missie, een parachutesprong in november 1941 ter ondersteuning van Operation Crusader (codenaam Operation Squatter), mislukte door weerstand en slecht weer. Slechts 22 militairen keerden terug naar de basis; de rest werd gedood of krijgsgevangen gemaakt. Bij de tweede operatie werd samengewerkt met de Long Range Desert Group, die de eenheid naar doelen bracht. Daarbij werden drie vliegvelden in Libië aangevallen en werden circa zestig vliegtuigen vernietigd zonder eigen verliezen. Deze fase vormt de kern van de vroege reputatie van de SAS als sabotage-eenheid.
Na de gevangenneming van Stirling (januari 1943) nam Paddy Mayne het commando over en volgde een reorganisatie, met een Special Raiding Squadron en een Special Boat Squadron. In 1944 werd een SAS Brigade gevormd met 1st en 2nd SAS en twee Franse parachutistenregimenten. De brigade voerde parachute-operaties en acties uit in West-Europa, waaronder Operation Pegasus in Nederland. Door Hitlers Commando Order (18 oktober 1942) liepen gevangenen extra risico; in 1944 werden 34 SAS-militairen na Operation Bulbasket en 31 na Operation Loyton geëxecuteerd. De laatste overlevende van de oorspronkelijke “Originals”, Mike Sadler, overleed op 4 januari 2024 op 103-jarige leeftijd.
Hoe werd de SAS na 1945 opnieuw gevormd?
Na de oorlog werd de SAS op 8 oktober 1945 opgeheven, maar in 1947 hersteld binnen de Territorial Army. De Artists Rifles namen de rol over als 21st Special Air Service Regiment (V). Daarmee bleef diepe infiltratie en verkenning als reservefunctie bestaan. John Woodhouse werkte vanaf 1952 aan een selectieproces dat richtinggevend werd voor UKSF.
In 1950 werd een squadron van 21 SAS gevormd met het oog op de Koreaoorlog, maar het kwam uiteindelijk terecht in de Malayan Emergency. In Malaya ontstonden de Malayan Scouts (SAS) onder Mike “Mad Mike” Calvert, met een mix van Britse en overzeese vrijwilligers. Deze inzet droeg bij aan de behoefte aan een regulier SAS-regiment. In 1952 werd 22 SAS formeel onderdeel van het leger en vanaf 1960 is het regiment gevestigd in Hereford. In 1959 werd 23 SAS gevormd door hernoeming van een reserve-verkenningseenheid met expertise in escape and evasion.
Welke inzet wordt genoemd voor 22 SAS tussen 1950 en 1989?
Na Malaya wordt 22 SAS genoemd bij operaties die leunen op verkenning en raids. Voorbeelden zijn inzet in Oman tijdens de Jebel Akhdar-oorlog en later opnieuw in Oman tijdens de Dhofar-opstand, waaronder acties bij Mirbat. In Borneo, tijdens de Indonesië–Maleisië-confrontatie, wordt gesproken over heimelijke verkenning en observatie. Daarnaast worden inzetten genoemd in de Aden Emergency, Noord-Ierland en Gambia.
De antiterreurtaak werd publiek zichtbaar na de televisieverslaggeving van de gijzelingsactie bij de Iraanse ambassade in Londen (1980), waarbij op twee na alle gijzelaars werden bevrijd. De SAS ondersteunde ook buitenlandse partners, waaronder GSG 9 bij de bevrijding van Lufthansa-vlucht 181 in Mogadishu. Tijdens de Falklandoorlog werd Operation Mikado voorbereid maar geannuleerd, terwijl een raid op Pebble Island wel plaatsvond. Operation Flavius in Gibraltar tegen de PIRA bleef onderwerp van debat; ook wordt de SAS genoemd bij Britse heimelijke steun in de Sovjet–Afghaanse oorlog via Keenie Meenie Services.
Welke operaties worden genoemd sinds 1990?
Vanaf 1990 wordt 22 SAS genoemd bij inzet in conflicten en crisisoperaties. De Golfoorlog van 1991 was een grote mobilisatie en wordt gekoppeld aan de Bravo Two Zero-missie. In de jaren negentig zijn er meldingen van inzet op de Balkan, onder meer in Bosnië en Kosovo. In Sierra Leone nam de SAS deel aan Operation Barras, een gijzelingsbevrijding.
Na 11 september 2001 werden squadrons naar Afghanistan gestuurd aan het begin van de coalitie-invasie, met opdrachten tegen al-Qaeda en de Taliban. Operation Trent wordt beschreven als de grootste operatie uit de regimentsgeschiedenis en omvatte de eerste HALO-sprong in oorlogstijd. Vanaf 2003 verschoof de focus naar Irak, waar 22 SAS onderdeel werd van Task Force Black/Knight tegen de opstand. Eind 2005 en begin 2006 werd de inzet geïntegreerd met JSOC en gericht op operaties tegen al-Qaeda in Irak; de UKSF-missie eindigde in mei 2009. Volgens sommige journalistieke beschrijvingen werden in Bagdad meer dan 3.500 “terroristen” van straat gehaald.
Britse media berichtten over mogelijke inzet in Libië in 2011, maar officiële bevestiging bleef doorgaans uit. In augustus 2014 werden SAS-militairen gemeld in Noord-Irak en volgens berichtgeving ook in Syrië, met als taak het opsporen van ISIL, waaronder een groep die in de pers de “Beatles” werd genoemd. In 2024 werd bekend dat vijf SAS-militairen door de Royal Military Police zijn aangehouden op verdenking van oorlogsmisdaden in Syrië. Sinds de jaren 1990 kregen oud-SAS-officieren bovendien hoge functies binnen de Britse krijgsmacht. Voorbeelden van oud-SAS-officieren in topfuncties zijn Peter de la Billière, Michael Rose, Charles Guthrie en Cedric Delves.
Wat deden 21 SAS en 23 SAS als reserve-eenheden?
Tijdens de Koude Oorlog waren 21 SAS en 23 SAS vooral ingericht voor stay-behind-taken binnen het Britse I Corps. Het scenario was een Warschaupact-invasie in West-Europa, waarbij patrouilles achter de linies zouden blijven. Hun taak was inlichtingen verzamelen en doelen aanwijzen voor vervolgacties. Dit vereiste langdurige observatie, discipline en sterke navigatievaardigheden.
In de jaren 2000 werden reserve-eenheden ook operationeel ingezet. Begin 2003 ging een squadron van circa zestig militairen uit 21 en 23 SAS naar Afghanistan. In 2005 werd een volledig reserve-squadron uitgezonden voor verkenningen in Helmand, ter voorbereiding op een task force rond 16 Air Assault Brigade. In 2014 werden 21 en 23 SAS uit UKSF geplaatst en onder 1st Intelligence, Surveillance and Reconnaissance Brigade gebracht; in 2019 keerden zij terug naar UKSF. Daarmee bleven de reserve-eenheden onderdeel van de bredere UKSF-structuur.
Hoe is de SAS georganiseerd en ingericht?
Openbare informatie over de hedendaagse SAS is beperkt, maar de basisstructuur is bekend. 22 SAS is het reguliere regiment; 21 en 23 SAS vormen de reservecomponent. De eenheid opereert binnen UKSF, naast onderdelen zoals de Special Boat Service (SBS). Voor parachute-inzet en verbindingen worden Special Forces Parachute Support Squadron en 18 (UKSF) Signal Regiment genoemd.
22 SAS wordt in openbare bronnen vaak geschat op circa 400 tot 600 militairen. Het regiment kent vier operationele squadrons: A, B, D en G, elk met meerdere troops en een kleine staf. Binnen een troop werken patrouilles van doorgaans vier militairen, waarbij specialismen zoals verbindingen, geneeskunde, demolities of talen worden gecombineerd met basisvaardigheden. De troops richten zich op maritieme inzet (Boat troop), vrije val en hoogtesprongen (Air troop), voertuigen en mobiliteit (Mobility troop) en arctische of bergomgeving (Mountain troop). Daarnaast bestaat een reservecomponent met voormalige regulieren, historisch aangeduid als R Squadron/L Detachment.
Wat is de Counter Terrorist Wing (CTW)?
De Counter Terrorist Wing (CTW) is het SAS-onderdeel dat de antiterreurtaak uitvoert en stond eerder bekend als Counter Revolutionary Warfare Wing. De nadruk ligt op Close Quarter Battle, scherpschutterstechnieken en gijzelingsbevrijding. In openbare bronnen wordt luchtsteun voor deze rol gekoppeld aan 658 Squadron Army Air Corps. De CTW is ontworpen voor snelle inzet in een stedelijke omgeving.
De CT-capaciteit werd begin jaren zeventig opgebouwd, nadat de Britse regering na de aanslag tijdens de Olympische Spelen van 1972 een gespecialiseerde reactiecapaciteit wilde. Squadrons onderhouden CT-vaardigheden via rotaties en herhalen training gemiddeld om de zestien maanden. Als trainingslocatie wordt Pontrilas Army Training Area genoemd, met een Close Quarter Battle House en een herconfigureerbaar deel van een Boeing 747 voor oefenscenario’s. Het oproepbare CT-squadron wordt in openbare beschrijvingen verdeeld in onderdelen met directe paraatheid en onderdelen in training. De Balcombe Street siege wordt genoemd als vroege binnenlandse CT-inzet, waarbij een PIRA-eenheid zich overgaf na berichtgeving over de SAS.
Hoe verloopt selectie en opleiding?
Selectie voor UK Special Forces is alleen toegankelijk voor militairen die al in de Britse strijdkrachten dienen. Er is geen directe instroom vanuit de burgermaatschappij en selectierondes vinden twee keer per jaar plaats. Het slagingspercentage wordt vaak rond 10% geplaatst. De meeste kandidaten komen traditioneel uit de Royal Marines of het Parachute Regiment, maar andere onderdelen leveren ook kandidaten.
De eerste fase duurt ongeveer vier weken in de Brecon Beacons en combineert uithouding met navigatie en marsen onder tijdsdruk. In openbare analyses wordt genoemd dat tussen 2014 en 2022 meer doden vielen tijdens training en oefeningen dan in gevecht. Starttesten omvatten sit-ups, press-ups en een looptest over 1,5 mile; daarna volgt onder meer een 8-mijl-mars in twee uur met 25 lb bepakking. De fase eindigt met de “Endurance”: 40 mijl met volledige uitrusting en een traject over Pen y Fan binnen 20 uur. Wie slaagt, gaat door naar vervolgfases.
Na de bergfase volgt doorgaans jungletraining in Belize, Brunei of Maleisië, met nadruk op patrouilletechniek en overleving. Daarna volgen in het Verenigd Koninkrijk training in plannen en wapens, gevechtsoverleving en een fase ontsnappen en ontduiken. De laatste test, resistance to interrogation, wordt genoemd als een traject van ongeveer 36 uur. Voor 21 en 23 SAS loopt een vergelijkbaar traject meestal in blokken; sinds oktober 2018 is selectie ook opengesteld voor vrouwen en in augustus 2021 haalden twee vrouwen de pre-selection.
Welke tradities, onderscheidingen en herdenkingen zijn bekend?
De SAS draagt een zandkleurig baret. Het embleem toont Excalibur in vlammen op een schild met het motto Who Dares Wins. Op de rechter schouder zitten SAS-parachute wings, in 1941 ontworpen door luitenant Jock Lewes en geïnspireerd op ibis-motieven in Shepheard’s Hotel in Caïro. In ceremonieel tenue is 22 SAS te herkennen aan een lichtblauwe bies en een stable belt.
Als regiment heeft 22 SAS battle honours voor campagnes, vooral 1940–45 en later de Falklandoorlog en de Golfoorlog. De lijst noemt onder meer North Africa 1940–43, North-West Europe 1944–45, Falkland Islands 1982 en Gulf 1991. Herdenking gebeurt op meerdere locaties, waaronder Hereford, Westminster Abbey en Hereford Cathedral. In Hereford staan namen van omgekomen reguliere SAS-militairen op een regimentskloktoren en is in de kerk van St Martin’s een SAS-memorial ingericht.
Welke invloed had de SAS op andere special forces?
Na 1945 diende de SAS als voorbeeld voor vergelijkbare eenheden in het Gemenebest. Canada richtte in 1947 een SAS Company op, die in 1949 werd opgeheven. Nieuw-Zeeland vormde in 1955 een SAS-squadron en Australië begon in 1957 met een SAS Company; beide groeiden later uit tot regimenten. Vanuit C Squadron in Malaya ontstond ook een Rhodesische SAS-traditie.
Buiten het Gemenebest ontstonden eenheden die zich op de SAS baseerden. Het Belgische Special Forces Group draagt hetzelfde embleem en verbindt zijn geschiedenis aan 5th SAS; het Franse 1er RPIMa grijpt terug op de 3rd en 4th SAS en gebruikt het motto Who Dares Wins. In de Verenigde Staten werd Delta Force opgezet door Charles Alvin Beckwith na een uitwisseling bij 22 SAS. Verder worden eenheden als Sayeret Matkal en Shaldag, de Ierse Army Ranger Wing en de Filipijnse Special Action Force genoemd. De Afghaanse 666th Commando Brigade werd in de jaren 1970 gevormd door Rahmatullah Safi na SAS-training.
Hoe verschijnt de SAS in boeken, film en tv?
Door geheimhouding is de SAS in de publieke cultuur zichtbaar via memoires en dramatiseringen. Bravo Two Zero (Andy McNab) en The One That Got Away (Chris Ryan) beschrijven de Golfoorlog. SAS: Rogue Heroes (Ben Macintyre) gaat over de oprichting in 1941 en kreeg een tv-bewerking. Ook de Iraanse ambassadebezetting van 1980 is een terugkerend thema in film en televisie.
Conclusie
De Special Air Service bestaat sinds 1941 en is onderdeel van UKSF, met 22 SAS als regulier regiment en 21 en 23 SAS als reserves. De eenheid ontwikkelde zich van sabotage en verkenning in Noord-Afrika naar antiterreur en inzet in Afghanistan en Irak. Actuele operaties blijven meestal buiten het publieke domein door strikte geheimhouding. Open bronnen richten zich daarom vooral op structuur, selectie en historisch bevestigde inzet.
Bronnen en meer informatie
- Asher, Michael (2008). The Regiment: The Real Story of the SAS. London: Penguin Books. ISBN 978-0-1410-2652-7.
- Geraghty, Tony (1980). Who Dares Wins: The Story of the Special Air Service 1950–1980. London: Book Club Associates. ISBN 0-85368-457-X.
- Kemp, Anthony (1993). The SAS at War 1941–1945. New York: Signet. ISBN 0-451-17456-9.
- Haskew, Michael E. (2007). Encyclopaedia of Elite Forces in the Second World War. Barnsley: Pen & Sword. ISBN 978-1-84415-577-4.
- Shortt, James & McBride, Angus (1981). The Special Air Service. London: Osprey Publishing. ISBN 0-85045-396-8.
- Stevens, Gordon (2005). The Originals: The Secret History of the Birth of the SAS. London: Ebury Press. ISBN 978-0-0919-0177-6.
- Fremont-Barnes, Gregory (2009). Who Dares Wins: The SAS and the Iranian Embassy Siege 1980. Oxford: Osprey Publishing. ISBN 978-1-84603-395-7.
- Urban, Mark (2012). Task Force Black: The Explosive True Story of the Secret Special Forces War in Iraq. New York: St. Martin’s Griffin. ISBN 978-1-250-00696-7.
- Neville, Leigh (2016). The SAS 1983–2014. Oxford: Osprey Publishing. ISBN 978-1-4728-1403-6.
- de B. Taillon, J. Paul (2000). The Evolution of Special Forces in Counter-Terrorism. Westport: Greenwood Press. ISBN 0-275-96922-3.
- Finlan, Alistair (2009). The Arrested Development of UK Special Forces and the Global War on Terror. Review of International Studies 35(4). Cambridge University Press. DOI 10.1017/S0260210509990398. S2CID 59450530.
- Sinai, Tamir (2020). Eyes on Target: Stay-Behind Forces During the Cold War. War in History 28(3). ISSN 0968-3445. DOI 10.1177/0968344520914345.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946










