Pietro Caruso: politiechef Rome RSI proces in 1944

Pietro Caruso (Maddaloni, 10 november 1899 – Rome, 22 september 1944) was een Italiaanse militair en politiefunctionaris. In 1944 was hij questore (politiechef) van Rome onder de Duitse bezetting en werkte hij binnen de Repubblica Sociale Italiana. Hij speelde een rol bij repressiemaatregelen en bij de vergeldingsactie in de Fosse Ardeatine. Na de bevrijding werd hij veroordeeld en geëxecuteerd.

Vroege leven en opleiding

Caruso werd geboren in Maddaloni in de regio Campania als zoon van de docent Cosimo Caruso en Giuseppina Pisanti. Hij was de jongste van vijf kinderen. Op achtjarige leeftijd werd hij naar het college van San Lorenzo in Aversa gestuurd, een stap die in latere biografieën geregeld als beginpunt van zijn opleiding wordt genoemd. Daarna volgde hij technisch onderwijs, wat aansloot bij een loopbaan in leger en staatsdienst.

In 1917 behaalde hij een diploma aan een technisch instituut en volgde hij een opleiding tot reserveofficier bij de Reggia di Caserta, in de derde compagnie onder luitenant Mercuri. Na het behalen van de rang aspirante werd hij ingedeeld bij een regiment bersaglieri. In de jaren na de oorlog verloor hij volgens biografische beschrijvingen 70.000 lire door een oplichting door advocaat Vincenzo Albano en ingenieur De Falco. Ondanks een veroordeling kreeg hij het geld niet terug. Deze episode wordt in latere biografische notities gekoppeld aan stressklachten en tijdelijke alopecia, waarvan hij herstelde.

Deelname aan de Eerste Wereldoorlog

Als aspirant-officier werd Caruso in 1918 naar het front gestuurd als onderdeel van een regiment bersaglieri, een snelle infanterie-eenheid van het Italiaanse leger. Daarmee nam hij deel aan de laatste maanden van de Eerste Wereldoorlog, kort voor de wapenstilstand van november 1918. Zijn diensttijd viel in de fase waarin Italië de oorlog afrondde na zware verliezen eerder in het conflict. Na terugkeer uit het leger kwam hij in het naoorlogse politieke klimaat terecht.

Interbellum: toetreding tot fascisme en Milizia

Van Fiume naar partijlidmaatschap

In 1920–1921 nam Caruso deel aan de bezetting van Fiume (Rijeka) door aanhangers van Gabriele D’Annunzio, een episode uit de onrustige naoorlogse jaren. Volgens biografische gegevens sloot hij zich op 1 februari 1921 aan bij de fascistische actieploeg Serenissima in Napels onder Domenico Mancuso. Het Partito Nazionale Fascista (PNF) werd later in 1921 opgericht; in de periode daarna wordt hij als partijlid vermeld. Op 28 oktober 1922 nam hij deel aan de Mars op Rome.

Dienst in de MVSN

Op 3 maart 1923 trad hij toe tot de Milizia Volontaria per la Sicurezza Nazionale (MVSN) met de rang capomanipolo, passend bij zijn achtergrond als bersaglieri-officier. Hij werkte in de Milizia portuaria en later in de Milizia ferroviaria en werd meerdere malen overgeplaatst, onder meer naar Genua, Livorno, Venetië, Triëst, Sabaudia en Zara. In 1933 liep in Napels een strafprocedure tegen hem wegens vermeende tekorten, die eindigde met vrijspraak. In de loop der jaren klom hij op tot primo seniore, doorgaans vergeleken met luitenant-kolonel.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog

Rechterlijke en bestuurlijke functies

Tijdens de oorlog bekleedde Caruso functies binnen fascistische ordeorganisaties en in bezette gebieden. In 1941 maakte hij deel uit van het Tribunale Straordinario della Dalmazia, een buitengewoon gerecht in Dalmatië dat onder gouverneur Giuseppe Bastianini werd ingesteld. In beschrijvingen van de samenstelling worden ook generaal Gherardo Magaldi (als voorzitter) en luitenant-kolonel Vincenzo Serrentino genoemd. Het tribunaal combineerde rechtspraak met bestuurlijke en politionele taken in een militair-bestuurlijke omgeving.

Triëst en benoemingen in Verona

Na de wapenstilstand van Cassibile sloot Caruso zich aan bij de Repubblica Sociale Italiana (RSI), het fascistische regime onder Duitse bescherming. In Triëst stond hij tot 3 januari 1944 aan het hoofd van de 3e Legione portuaria en organiseerde hij de inbeslagname van goud van de Joodse bevolking. Daar leerde hij Tullio Tamburini kennen, chef van de RSI-politie. Tamburini benoemde hem op 5 januari 1944 tot questore van Verona; gedurende ongeveer twee weken leidde hij er de openbare orde rond het proces tegen ondertekenaars van het Ordine del giorno Grandi en was hij aanwezig bij de uitvoering van doodvonnissen.

Questore in Rome onder Duitse bezetting

In februari 1944 werd Caruso op 2 februari questore van Rome. Volgens zijn latere verklaring kreeg hij die dag opdracht een razzia te leiden, maar werd hij niet herkend en enkele uren vastgehouden. Hij stelde dat RSI-autoriteiten in Rome onder Duitse bevelen opereerden. Daarnaast werkten speciale teams onder Pietro Koch en Giuseppe Bernasconi grotendeels buiten de hiërarchie van de questura. Caruso ondertekende ook aanhoudingsbevelen tegen artiesten zoals Totò en de broers De Filippo wegens verboden toneelonderwerpen.

San Paolo fuori le mura

Een conflict ontstond na een inval in de basiliek San Paolo fuori le mura in de nacht van 3 op 4 februari 1944, uitgevoerd door een eenheid onder Koch. Daarbij werd de extraterritoriale status van dit deel van de Heilige Stoel geschonden en volgden protesten vanuit het Vaticaan. Caruso verklaarde later dat de verantwoordelijken vermoedden dat de kerk werd gebruikt om mensen en wapens te verzamelen voor activiteiten tegen de RSI. Na de protesten liet hij in Il Messaggero foto’s van de gearresteerden publiceren, waaronder generaal Adriano Monti in geestelijke kleding.

Via Rasella en de Fosse Ardeatine

Op 23 maart 1944 bevond Caruso zich in de lokalen van het Partito Fascista Repubblicano aan de Via Veneto, toen de aanslag in de Via Rasella werd gemeld. Hij ging naar de plaats van het incident, maar onderweg werd zijn chauffeur Erminio Rossetti dodelijk getroffen door Duits vuur, omdat men hem voor een partizaan hield. Generaal Kurt Mälzer vroeg vervolgens om inzet van Italiaanse politie. Caruso liet daarop de opsporing en arrestaties coördineren.

Na de aanslag besloten Duitse commandanten tot vergelding. Gestapo-chef Herbert Kappler verzocht Caruso een lijst met extra namen op te stellen voor executie van gevangenen, eerst minstens tachtig en later vijftig personen. Caruso maakte bezwaar tegen het aantal en zei dat hij de RSI-minister van Binnenlandse Zaken, Guido Buffarini Guidi, in Hotel Excelsior moest raadplegen. Volgens zijn procesverklaring antwoordde de minister dat de namen moesten worden geleverd. Kappler suggereerde daarbij ook Joden op te nemen, waarna Caruso opdracht gaf een voorlopige lijst te maken.

Op 24 maart 1944 voerden Duitse eenheden bij de Fosse Ardeatine een vergeldingsactie uit waarbij 335 gijzelaars werden doodgeschoten, onder wie leden van het verzet. Omdat de Italiaanse lijst nog niet gereed was, liet Kappler gevangenen uit Regina Coeli halen; officier Tunnat nam daarnaast circa dertig personen willekeurig mee. Na een telefoontje van commissaris Raffaele Alianello werden namen vervangen in overleg met gevangenisdirecteur Donato Carretta; volgens controles ging het om elf aanpassingen. Alianello schrapte ook acht Joodse namen. Onder de doden was Maurizio Giglio, eerder ondergeschikte van Caruso en volgens bronnen een OSS-contact.

Tijdens zijn proces verklaarde Caruso dat hij de lijst niet persoonlijk had opgesteld en dat delen ervan door Koch waren voorbereid. Voor de afronding zou hij opdracht hebben gegeven aan een politiechef met de naam Ferrara. Hij stelde dat hij in de namen alleen Maurizio Giglio herkende en dat hij later telefonisch hoorde dat er vervangingen waren doorgevoerd, in zijn herinnering tien. De rechtbank behandelde deze verklaringen in samenhang met zijn positie als questore en met de samenwerking met Kappler.

Vertrek uit Rome in juni 1944

Toen geallieerde troepen op 4 juni 1944 Rome naderden, vertrok Caruso met een van de laatste autocolonnes in noordelijke richting in een Alfa Romeo. Door herhaalde geallieerde luchtbeschietingen raakte hij de colonne kwijt in de omgeving van het meer van Bracciano. Bij pogingen om aan mitrailleurvuur te ontkomen botste de auto tegen een boom, waarna hij een femurfractuur opliep. Een Duitse ambulance bracht hem naar het ziekenhuis van Viterbo; na het vertrek van de Duitsers namen de geallieerden hem gevangen en werd hij teruggebracht naar Regina Coeli.

Na de oorlog

Detentie en procesopening

Na zijn arrestatie zat Caruso in de gevangenis Regina Coeli in afwachting van berechting door de Alta Corte di giustizia. De zaak trok veel aandacht; op muren verscheen “Morte a Caruso”. Op 18 september 1944, de geplande openingsdag, drong een menigte het gerechtsgebouw binnen. Caruso was niet in de rechtszaal, waarna Donato Carretta, voormalig directeur van Regina Coeli en getuige, werd mishandeld en gedood. In verslagen wordt Maria Ricottini genoemd als aanstichter; zij zei dat haar zoon bij de Fosse Ardeatine was omgekomen, al melden sommige bronnen later dat dit niet klopte.

Zitting en aanklachten

Na de gebeurtenissen van 18 september werd de zitting uitgesteld en verplaatst naar het Palazzo Corsini alla Lungara. Op 20 september 1944 vond het debat plaats, waarin Caruso samen met zijn secretaris Roberto Occhetto, in sommige berichten weergegeven als Roberto Occhietto, terechtstond. Onder de magistraten bevond zich ook Mario Berlinguer. De aanklacht omvatte collaboratie met de Duitse bezetter, schending van het extraterritoriale gebied van de Heilige Stoel bij San Paolo fuori le mura en medewerking aan de lijst van gijzelaars voor de Fosse Ardeatine.

Bewijsvoering en getuigen

Tijdens de behandeling werd Caruso ondervraagd over goud, sieraden en geld die in zijn auto waren aangetroffen. Hij verklaarde dat het ging om gevorderde goederen bestemd voor overdracht aan het RSI-ministerie van Binnenlandse Zaken. Advocaat Francesco Spezzano vroeg uitstel vanwege de gebeurtenissen rond Carretta, maar de rechtbank wees dit af. Als getuige trad monseigneur Antonio Tommaso Videmari op; hij verklaarde dat Caruso had geprobeerd een priester vrij te krijgen, bescherming aan geestelijken te bieden en tegen zwarte handel op te treden. De verdediging verwees ook naar psychische problemen in de familie, zonder een psychiatrisch onderzoek te vragen.

Vonnis

Op 21 september 1944 volgde het vonnis: Caruso kreeg de doodstraf en zijn secretaris een gevangenisstraf van dertig jaar. Het hof bestond uit acht rechters en stond onder voorzitterschap van Lorenzo Maroni; na ongeveer twee uur beraad werden de uitspraken bekendgemaakt. In persverslagen is overgeleverd dat aanklager Mario Berlinguer de verdachten “wilde beesten” noemde. Caruso werd veroordeeld om door een vuurpeloton in de rug te worden getroffen en werd bleek toen de straf werd uitgesproken. De veroordeling gebeurde op basis van Italiaanse wetgeving, in een periode waarin internationaal oorlogsrecht vooral op interstatelijke conflicten was toegesneden.

Executie

Op 22 september 1944 werd Caruso in de binnenplaats van het Forte Bravetta in Rome door een vuurpeloton van de Polizia di Stato geëxecuteerd. Bij de uitvoering waren geallieerde waarnemers aanwezig, waaronder de Britse kolonel John Pollock, naast Italiaanse functionarissen. Caruso weigerde zich te laten dragen en ging met krukken naar de stoel, omdat hij nog herstelde van zijn beenbreuk. Kort voor de schoten riep hij “Viva l’Italia” en daarna “mirate bene”.

Juridische en historische context

Roy Palmer Domenico beschrijft dat misdrijven van Italianen tegen Italianen in 1943–1944 niet automatisch als oorlogsmisdrijf of als misdrijf tegen de menselijkheid onder Neurenberg-kaders werden vervolgd. Hij stelt dat Amerikaanse en Britse autoriteiten vervolging vaak aan de Italiaanse staat overlieten en geen uitlevering van Italianen vroegen. Domenico koppelt dit aan politieke afwegingen in het naoorlogse Italië, onder meer rond de Communistische Partij. In een geallieerde wanted list uit 1947 (Central Registry of War Criminals and Security Suspects) komt Caruso voor; ook wordt hij genoemd als gezocht door Joegoslavië voor misdrijven in Dalmatië.

Militaire Rangen

Caruso begon als reserveofficier bij de bersaglieri met de rang aspirante. Binnen de MVSN ontwikkelde hij zich van capomanipolo tot primo seniore, doorgaans vergeleken met luitenant-kolonel. Zijn loopbaan speelde zich af in gespecialiseerde onderdelen zoals de haven- en spoorwegmilitie, met herhaalde overplaatsingen. In 1944 trad hij vervolgens op als questore in Verona en Rome, functies binnen de civiele politie maar in een context van militarisering en politieke controle.

Conclusie

Pietro Caruso doorliep tussen 1918 en 1944 een loopbaan van frontsoldaat tot officier in de fascistische militie en politiechef van Rome. Na de wapenstilstand van Cassibile werkte hij binnen de RSI en vervulde hij functies in Triëst, Verona en Rome, waar Duitse autoriteiten het beleid bepaalden. Zijn naam werd verbonden aan repressie en aan de gebeurtenissen rond Via Rasella en de Fosse Ardeatine, waarbij 335 gijzelaars werden geëxecuteerd. In september 1944 werd hij door de Alta Corte veroordeeld en op 22 september 1944 in Rome geëxecuteerd.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Processo questore Pietro Caruso, public domain via wiki commons
  2. Domenico, Roy Palmer (1991). Italian Fascists on Trial, 1943-1948. Chapel Hill: University of North Carolina Press. ISBN 0-8078-2006-7.
  3. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946