Home Scheepsklasse Shiratsuyu-klasse torpedobootjagers Japan WOII

Shiratsuyu-klasse torpedobootjagers Japan WOII

Japanse torpedobootjager Suzukaze van de Shiratsuyu-klasse tijdens proefvaart in het Uraga-kanaal, kort na voltooiing in 1937
De torpedobootjager Suzukaze van de Shiratsuyu-klasse tijdens een proefvaart in het Uraga-kanaal na voltooiing op 31 augustus 1937.

De Shiratsuyu-klasse was een reeks van tien Japanse torpedobootjagers die vanaf 1936 in dienst kwam bij de Japanse Keizerlijke Marine. Het ontwerp borduurde voort op de Hatsuharu-klasse, met nadruk op betere zeewaardigheid, zware torpedobewapening en inzet in nachtgevechten. Tijdens de oorlog in de Stille Oceaan gingen alle tien schepen verloren, door oppervlaktegevechten, onderzeebootaanvallen, luchtaanvallen en één aanvaring.

Ontwerp en constructie

De Shiratsuyu-klasse ontstond uit de behoefte om de tekortkomingen van eerdere verdragsgebonden torpedobootjagers te beperken zonder hun offensieve rol op te geven. De Japanse marine wilde de zware bewapening van de Hatsuharu-klasse behouden, maar tegelijk de stabiliteit, het gedrag in ruwe zee en de bruikbaarheid als escorte- en aanvalsschip verbeteren. Daarom werd het ontwerp herzien, terwijl de tactische functie grotendeels gelijk bleef: snelle vlootbegeleiding, nachtelijke torpedoaanvallen en ondersteuning van grotere eskaders.

Zoals gebouwd lag de standaardverplaatsing rond 1.685 ton en de volle belading rond 1.980 ton. De schepen waren ongeveer 107,5 meter lang, 9,9 meter breed en hadden een diepgang van circa 3,5 meter. De romp hield de basisvorm van de Hatsuharu-klasse, maar het voorschip werd korter en het achterschip langer. Het lange voorschip behield een duidelijke flare, waardoor het dek bij hoge snelheid minder snel werd overspoeld en de vaareigenschappen in golven verbeterden.

Ook de bovenbouw werd aangepast. De brug werd lager en compacter uitgevoerd, terwijl de schoorstenen een gewijzigde vorm en helling kregen. Die ingrepen moesten het topgewicht beperken en het silhouet compacter maken. De voortstuwing bestond uit twee Kampon-stoomturbines op twee schroefassen, gevoed door drie Kampon-waterpijpketels, met een vermogen van ongeveer 42.000 shp. De topsnelheid lag rond 34 knopen, iets lager dan bij sommige lichtere voorgangers, maar de schepen waren bruikbaarder onder zware operationele belasting.

Het bereik bedroeg ongeveer 4.000 zeemijl bij 18 knopen en de bemanning telde doorgaans circa 226 officieren en manschappen. Dat maakte de klasse geschikt voor de grote afstanden in de Stille Oceaan, maar het betekende ook dat de schepen in oorlogstijd intensief werden belast. De combinatie van hoge snelheid, zware bewapening en beperkte marges voor extra gewicht zou later zichtbaar worden, vooral toen luchtafweer, radar en anti-onderzeebootmiddelen aan boord kwamen.

Bewapening

De hoofdbewapening bestond uit 12,7 cm/50 Type 3-kanonnen, opgesteld in twee dubbele en één enkele geschutstoren. Daarmee beschikte de klasse over vijf zware kanonnen, wat voor een torpedobootjager van dit formaat veel was. De opstellingen konden tot 75 graden elevatie bereiken en waren daarom in theorie ook tegen vliegtuigen bruikbaar. In de praktijk bleef die rol beperkt, omdat de richtsnelheid, vuurleiding en bediening niet aansloten op de eisen van moderne luchtafweer.

De torpedobewapening vormde het sterkste offensieve element. De Shiratsuyu-klasse was de eerste Japanse oorlogsschipklasse met viervoudige torpedolanceerinrichtingen en telefoonverbindingen naar het torpedostation. Er waren twee viervoudige 61 cm Type 92-lanceerinrichtingen voor Type 90-torpedo’s, met acht reservetorpedo’s voor herlading. De opstellingen konden elektrohydraulisch worden gericht en beschikten daarnaast over een handmatig reservesysteem. Een volledige draaiing was met de hoofdaandrijving in ongeveer 25 seconden mogelijk, terwijl handbediening circa twee minuten vergde. Herlading kon per buis in ongeveer 23 seconden worden uitgevoerd.

De torpedobuizen en de opslag van reservetorpedo’s kregen beschermende schilden tegen weer en scherven. Eerst werd duraluminium gebruikt om gewicht te besparen, maar corrosie leidde tot vervanging door 3 mm dik NiCrMo-staal, gewonnen uit luchtkamers van oudere torpedo’s. Voor onderzeebootbestrijding was de klasse aanvankelijk beperkt uitgerust met achttien dieptebommen aan de achtersteven. Vanaf de herfst van 1942 werd dit verhoogd tot zesendertig, samen met de plaatsing van vier dieptebomwerpers. Daarmee groeide de anti-onderzeebootcapaciteit, al bleef de klasse vooral een vloottorpedobootjager.

De luchtafweer veranderde tijdens de oorlog het meest. Op overlevende schepen werd de enkele 12,7 cm-opstelling in de X-positie verwijderd en vervangen door twee driedubbele 25 mm Type 96-opstellingen. Daarnaast kwamen extra enkele en dubbele 25 mm-opstellingen aan boord, aangevuld met 13 mm-machinegeweren. Dat verhoogde het vuurvolume, maar niet in dezelfde mate de werkelijke trefkans. De Type 96-opstellingen hadden beperkingen in bediening en vuurleiding, waardoor de klasse ook na versterking kwetsbaar bleef voor luchtaanvallen.

Bepantsering

De Shiratsuyu-klasse had geen bepantsering in de zin van een pantsergordel, pantserdek of zwaar beschermde vitale zone. Zoals bij veel torpedobootjagers lag de nadruk op snelheid, bereik en slagkracht, niet op passieve bescherming. Wel waren delen van de bewapening lokaal afgeschermd, vooral de torpedolanceerinrichtingen en bepaalde geschutsopstellingen. Die bescherming bood enige weerstand tegen weer en scherven, maar niet tegen zware artillerie, bommen of torpedo’s. In gevecht hing de overlevingskans daarom vooral af van tactiek, manoeuvre en schadebeheersing.

Sensoren en dataverwerking

Bij het uitbreken van de oorlog beschikte de Shiratsuyu-klasse niet over sonar of hydrofoons. Dat beperkte de mogelijkheid om onderzeeboten vroegtijdig waar te nemen, vooral tijdens escorte- en patrouilletaken. Later werden Type 93-sonar en Type 93-hydrofoons aangebracht om de onderwaterwaarneming te verbeteren. Radar verscheen pas laat op schepen die lang genoeg overleefden om zulke aanpassingen te ontvangen, met onder meer een Type 22-radar voor vuurleiding, een Type 13-radar voor luchtwaarschuwing en een Type E-27-antenne voor Electronic Support Measures.

De dataverwerking aan boord bleef grotendeels afhankelijk van directe meldingen tussen uitkijkposten, brug, geschutleiding en torpedostation. Japanse oorlogsschepen van deze periode beschikten niet over een Combat Information Center of Air Information Center waarin radar-, sonar- en visuele gegevens centraal werden samengebracht. Daardoor bleef het overzicht versnipperd en hing de reactietijd sterk af van mondelinge rapportage en de ervaring van afzonderlijke commandanten. Tegen de maatstaven van 1943 was dat een duidelijke beperking, vooral tegenover tegenstanders die waarneming en vuurleiding steeds sterker integreerden.

Naast techniek speelde ook doctrine mee. De Japanse marine bleef lang vasthouden aan nachtelijke torpedoaanvallen en gevechtsbeslissingen op basis van visuele waarneming en vooraf geoefende procedures. Dat werkte zolang verrassing en opleiding het verschil maakten, maar vanaf midden 1942 nam het nadeel toe. Geallieerde eenheden gebruikten radar, luchtverkenning en centrale gevechtsinformatie steeds doelmatiger, terwijl Japanse radar- en sonarsystemen minder nauwkeurig en minder geïntegreerd bleven. De bredere gevolgen van die achterstand werden op vlootniveau zichtbaar in zeeslagen als Midway en later de Golf van Leyte. De Shiratsuyu-klasse werd daardoor niet alleen door materiaal, maar ook door commandostructuur en informatiewerking ingehaald.

A503 FM30-50 ship identification booklet by U.S. Navy, showing an unidentified Shiratsuyu-class destroyer; ship name unknown.
Een afbeelding uit de A503 FM30-50 scheepsherkenningsgids van de U.S. Navy toont een onbekende torpedobootjager uit de Shiratsuyu-klasse.

Modificaties

De oorlog leidde tot een geleidelijke maar onvolledige modernisering van de klasse. De meest zichtbare verandering was de versterking van de luchtafweer, waarbij op overlevende schepen de enkele 12,7 cm-opstelling in de X-positie plaatsmaakte voor 25 mm Type 96-geschut. Verder namen de aantallen dieptebommen toe en kwamen sonar, hydrofoons en later radar beschikbaar. Iedere uitbreiding bracht echter extra gewicht mee, wat de stabiliteitsmarges en de beschikbare ruimte verder onder druk zette.

Omdat de schepen op verschillende momenten verloren gingen, verliepen de modificaties niet gelijkmatig binnen de klasse. Vroege verliezen kregen weinig of geen laat-oorlogse sensoren, terwijl schepen die tot 1944 of begin 1945 overleefden een zwaarder luchtafweerprofiel en aanvullende elektronica konden ontvangen. Vaak ging het om pragmatische aanpassingen tijdens reparaties of onderhoudsbeurten, niet om een volledige herbouw. Daardoor werd de klasse in haar laatste oorlogsjaar technisch minder uniform.

Welke schepen bevat deze klasse

De klasse bestond uit tien schepen, die alle tussen augustus 1936 en augustus 1937 in dienst kwamen. Hun verliezen waren over de hele oorlog verspreid. Dat laat zien dat de klasse in vrijwel elke fase van de strijd actief bleef, van de vroege offensieven in 1942 tot de defensieve laatste oorlogsmaanden in 1944 en 1945.

NaamIndienststellingLot
Harusame26 augustus 1937Verloren door luchtaanval ten noordwesten van Manokwari, Nieuw-Guinea, 8 juni 1944
Kawakaze30 april 1937Gezonken in actie tijdens de Slag bij Vella Gulf, 6 augustus 1943
Murasame7 januari 1937Gezonken in actie tijdens de Slag bij Blackett Strait, 6 maart 1943
Samidare29 januari 1937Getorpedeerd nabij Palau, 25 augustus 1944
Shigure7 september 1936Getorpedeerd in de Golf van Siam, 24 januari 1945
Shiratsuyu20 augustus 1936Gezonken na een aanvaring, 15 juni 1944
Suzukaze31 augustus 1937Getorpedeerd ten noordnoordwesten van Pohnpei, 25 januari 1944
Umikaze31 mei 1937Getorpedeerd bij Truk Atoll, 1 februari 1944
Yamakaze30 juni 1937Getorpedeerd ten zuidoosten van Yokosuka, 25 juni 1942
Yūdachi7 januari 1937Gezonken in actie tijdens de Slag bij Guadalcanal, 13 november 1942

Ook in geallieerde documentatie werd de klasse als afzonderlijk type behandeld. Een U.S. Navy-scheepsherkenningspublicatie met code A503 FM 30-50 bevatte een afbeelding van een niet nader geïdentificeerde torpedobootjager uit de Shiratsuyu-klasse. Zulke publicaties dienden voor snelle visuele herkenning tijdens lucht- en zeeoperaties en tonen dat de klasse ook door tegenstanders als een herkenbare eenheid werd onderscheiden.

Zwakke en sterke punten van deze scheepklasse

Het sterkste punt van de Shiratsuyu-klasse lag in de combinatie van zware torpedobewapening, behoorlijke snelheid en bruikbare zeewaardigheid voor het ontwerpjaar. De viervoudige lanceerinrichtingen, de snelle richtmogelijkheid en de aanwezigheid van reservetorpedo’s maakten de klasse gevaarlijk in nachtacties. Ook de artillerie was voor een torpedobootjager van dit formaat zwaar. Daarbij kwam dat het ontwerp doelbewust was aangepast om de tekortkomingen van eerdere Japanse torpedobootjagers te verkleinen, zonder afstand te doen van de offensieve rol binnen de vloot.

De zwakke punten werden in de oorlog steeds duidelijker. Aanvankelijk ontbraken sonar, hydrofoons en radar, terwijl een Combat Information Center niet aanwezig was. Daardoor bleef de informatieverwerking gefragmenteerd. De lichte luchtafweer was bovendien ontoereikend tegen moderne luchtaanvallen, ook nadat extra 25 mm-wapens waren geplaatst. Ten slotte verminderden oorlogsmodificaties de prestatiemarges van een ontwerp dat al weinig ruimte had voor verdere uitbreiding. Naar de normen van 1943 was de klasse daarom vooral op sensorisch en organisatorisch vlak verouderd.

Status van de schepen

De operationele status van de klasse veranderde sterk naarmate de oorlog vorderde. In de eerste oorlogsjaren functioneerden de schepen nog binnen hun oorspronkelijke rol als vloottorpedobootjagers en begeleiders van offensieve operaties. Daarna verschoof het gebruik steeds vaker naar escorte, bevoorradingsruns, evacuaties en noodmaatregelen in gebieden waar de Japanse marine het initiatief verloor. Die verandering legde extra druk op machines, bemanning en romp, omdat de schepen intensief werden ingezet zonder een evenredige verbetering van ondersteuning en vervanging.

Ook het onderhoud kwam onder druk te staan. Schade door gevechten, tropische omstandigheden, hoge vaart en lange operationele trajecten vergrootten de slijtage. Reparaties werden vaak uitgevoerd onder tijdsdruk en met een afnemende industriële basis. Daardoor ontstond een verschil tussen schepen die nog een modernisering konden ondergaan en schepen die met beperkte middelen in de vaart bleven. De klasse bleef inzetbaar tot het verlies van elk individueel schip, maar de materiële toestand werd in het laatste deel van de oorlog ongunstiger en minder gelijkmatig.

Operationele geschiedenis van de schepen

Vroege oorlogsjaren

In de openingsfase van de oorlog werden de Shiratsuyu-klasse torpedobootjagers breed ingezet bij vlootbegeleiding, invasieoperaties en escorte van grotere eenheden. De klasse nam deel aan de invasie van de Filippijnen en werd in 1942 ook gebruikt bij de Slag in de Javazee, de Slag om Midway en de Aleoeten-operatie. In deze fase paste het ontwerp nog goed bij de Japanse doctrine van agressieve oppervlakteacties, waarin snelheid, torpedo’s en nachtgevechten centraal stonden.

Toch werden de schepen al vroeg geconfronteerd met een groeiende onderzeebootdreiging. Yamakaze ging op 25 juni 1942 ten zuidoosten van Yokosuka verloren door een torpedoaanval. Dat verlies maakte duidelijk dat de klasse sterk was in offensieve inzet, maar minder goed was voorbereid op een oorlog waarin onderzeebootbestrijding, escorte en permanente waakzaamheid steeds zwaarder gingen wegen. De oorspronkelijke ontwerpkeuzes sloten niet volledig aan op die veranderende werkelijkheid.

Guadalcanal en de Salomonseilanden

De campagne rond Guadalcanal vormde het zwaartepunt van de operationele geschiedenis van de klasse. Hier werden de schepen veelvuldig gebruikt voor nachtelijke transport- en gevechtsmissies in een omgeving waar de geallieerde luchtmacht en radar steeds meer invloed kregen. De Japanse praktijk van snelle bevoorradingsvaarten vergrootte de belasting van mens en materieel en verkleinde de tijd voor grondig onderhoud. Daardoor moesten de torpedobootjagers langdurig presteren in een operationeel gebied dat steeds vijandiger werd.

Yūdachi zag op 5 september 1942 gevechtsactie toen zij samen met Murakumo en Hatsuyuki de Amerikaanse torpedobootjagers USS Gregory en USS Little tot zinken bracht. Tijdens de Zeeslag bij Guadalcanal op 13 november 1942 werd Yūdachi zelf zwaar beschadigd. Zij bracht vuur uit, maar richtte weinig blijvende schade aan voordat treffers van USS Sterett haar uitschakelden. Daarna nam de Amerikaanse zware kruiser USS Portland het wrak onder vuur, waarna Yūdachi kapseisde en verloren ging.

Murasame werd in dezelfde campagne op uiteenlopende manieren ingezet. Het schip had eerder al deelgenomen aan de invasie van de Filippijnen, de Slag in de Javazee en de Slag om Midway, en ondersteunde later ook de Japanse inzet bij de Slag om de Oostelijke Salomonseilanden en de Slag bij de Santa Cruz-eilanden. Op 6 maart 1943 ging Murasame verloren tijdens de Slag bij Blackett Strait. Daarmee verdween een schip dat in korte tijd vrijwel alle hoofdvormen van Japanse destroyer-oorlogvoering had doorlopen.

Succesvolle gevechten en zware verliezen

Kawakaze geldt vaak als het schip met de duidelijkst vastgelegde successen binnen de klasse. Op 21 augustus 1942 trof een torpedo van Kawakaze de machinekamer van USS Blue, die daarna zonk. Tijdens de Slag bij Tassafaronga op 30 november 1942 vuurde het schip torpedo’s af die de zware kruiser USS Northampton tot zinken brachten. Op 1 februari 1943 beschadigde Kawakaze bovendien de Amerikaanse PT-37 met kanonvuur. Toch ging het schip zelf op 7 augustus 1943 tijdens de Slag bij Vella Gulf verloren door een torpedo van USS Dunlap.

Suzukaze droeg samen met de Kagerō-klasse torpedobootjager Tanikaze bij aan het tot zinken brengen van de Amerikaanse lichte kruiser USS Helena tijdens de Slag bij Kula Gulf op 6 juli 1943. Dat onderstreepte opnieuw de slagkracht van Japanse torpedobootjagers in nachtelijke of slecht overzichtelijke gevechten. Zulke successen veranderden het strategische beeld echter niet meer. De geallieerden konden verliezen sneller aanvullen, terwijl Japan steeds minder schepen, brandstof en onderhoudscapaciteit overhield.

Shigure nam binnen de klasse een bijzondere plaats in, mede doordat het schip onder kapitein Tameichi Hara in 1942 en 1943 een actieve rol bleef spelen en meerdere gevechten in de Salomonseilanden overleefde. Daardoor kreeg Shigure een aparte plaats in de Japanse maritieme herinnering. Toch gold ook voor dit schip dat technische en organisatorische beperkingen bleven bestaan. Een sterke bemanning kon het ontbreken van centrale gevechtsinformatie en een moderne luchtafweer slechts ten dele compenseren.

Laatste oorlogsjaren

Vanaf 1944 verschoof het karakter van de inzet verder. Amerikaanse onderzeeboten en vliegtuigen vormden een steeds grotere bedreiging, terwijl Japanse torpedobootjagers vaker werden gebruikt voor escortes, transport en noodverplaatsingen. Suzukaze ging op 25 januari 1944 verloren ten noordnoordwesten van Pohnpei en Umikaze op 1 februari 1944 bij Truk Atoll, beide door torpedoaanvallen. Daarmee werd zichtbaar dat de klasse in deze fase minder werd beoordeeld op haar waarde in klassieke nachtgevechten dan op haar overlevingskans in een door radar en onderzeeboten beheerste oorlog.

Harusame was de enige eenheid van de klasse die door een luchtaanval verloren ging. Op 8 juni 1944 werd het schip ten noordwesten van Manokwari, Nieuw-Guinea, tot zinken gebracht. Shiratsuyu zelf ging op 15 juni 1944 verloren na een aanvaring met het olietankschip Seiyo Maru ten noordoosten van Mindanao. Beide verliezen tonen dat de klasse tegen die tijd opereerde onder hoge druk, met onvoldoende bescherming tegen luchtmacht en weinig reserve wanneer een schip door schade of een ongeval zijn mobiliteit verloor.

Samidare ging op 25 augustus 1944 nabij Palau verloren en Shigure hield het van alle schepen het langst vol. Dat laatste schip werd op 24 januari 1945 in de Golf van Siam getorpedeerd door de Amerikaanse onderzeeër USS Blackfin. Daarmee verdween de laatste vertegenwoordiger van een klasse die ooit was ontworpen voor offensieve vlootactie, maar uiteindelijk ten onder ging in een oorlog waarin luchtmacht, radar en onderzeeboten de voorwaarden van het zeegevecht blijvend hadden veranderd.

Conclusie

De Shiratsuyu-klasse was een logische doorontwikkeling van de Hatsuharu-klasse en combineerde zware torpedobewapening met verbeterde zeewaardigheid. Voor het midden van de jaren dertig was dat een bruikbaar ontwerp voor de doctrine van de Japanse Keizerlijke Marine, waarin snelle torpedobootjagers een rol speelden in nachtelijke aanvallen en vlootbegeleiding. De klasse kon in verschillende gevechten harde treffers uitdelen, vooral wanneer verrassing en torpedobereik in het voordeel van Japan werkten.

De oorlog legde echter de grenzen van het ontwerp bloot. De luchtafweer bleef zwak, de anti-onderzeebootuitrusting kwam laat op gang en de dataverwerking bleef versnipperd doordat een Combat Information Center of Air Information Center ontbrak. Beoordeeld volgens de militaire normen van 1943 was de klasse daardoor verouderd op het gebied van sensoren en commandovoering. De geschiedenis van de Shiratsuyu-klasse laat zien hoe snel een sterk bewapend vooroorlogs ontwerp in de omstandigheden van de oorlog in de Stille Oceaan aan waarde kon verliezen.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding 1: 写真日本の軍艦第11巻p64, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Afbeelding 2: Kawakaze, Public domain, via Wikimedia Commons
  3. Brown, David (1990). Warship Losses of World War Two. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 1-55750-914-X.
  4. Chesneau, Roger, red. (1980). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1922–1946. London: Conway Maritime Press. ISBN 0-85177-146-7.
  5. Evans, David C., en Mark R. Peattie (1979). Kaigun: Strategy, Tactics, and Technology in the Imperial Japanese Navy, 1887–1941. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-192-7.
  6. Fukui, Shizuo (1993). Japanese Destroyer Story. Tokyo: Kojinsha. ISBN 4-7698-0611-6.
  7. Howarth, Stephen (1983). The Fighting Ships of the Rising Sun: The Drama of the Imperial Japanese Navy, 1895–1945. New York: Atheneum. ISBN 0-689-11402-8.
  8. Jentschura, Hansgeorg, Dieter Jung en Peter Mickel (1977). Warships of the Imperial Japanese Navy, 1869–1945. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-893-X.
  9. Japan Society of Naval Architects (1981). Showa Shipbuilding History, Volume 1. Tokyo: Hara Shobo. ISBN 4-562-00302-2.
  10. Kunimoto, Yasufumi (2005). Rekishi Gunzo Pacific War History Series, Vol. 47: Tone-Class Heavy Cruiser. Tokyo: Gakken. ISBN 4-05-603653-5.
  11. Lengerer, Hans (2007). The Japanese Destroyers of the Hatsuharu Class. In: Warship 2007. London: Conway. ISBN 978-1-84486-041-8.
  12. Makino, Shigeru, en Shizuo Fukui (1987). Overview of Naval Shipbuilding Technology. Tokyo: Today’s Topic Publishing. ISBN 4-87565-205-4.
  13. Stille, Mark E. (2013). Imperial Japanese Navy Destroyers 1919–45 (1): Minekaze to Shiratsuyu Classes. Oxford: Osprey Publishing. ISBN 978-1-84908-984-5.
  14. Watts, Anthony J. (1971). The Imperial Japanese Navy. London: Macdonald & Co. ISBN 978-0385012683.
  15. Whitley, M. J. (1988). Destroyers of World War 2. London: Arms and Armour Press. ISBN 1-85409-521-8.
  16. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946