
HMS Anthony (D67) was een torpedobootjager van de A-klasse van de Royal Navy, gebouwd door Scotts Shipbuilding & Engineering Co. in Greenock en in dienst gesteld op 14 februari 1930. Tijdens de Tweede Wereldoorlog voerde het schip taken uit in het Kanaal, de Western Approaches, de Noord-Atlantische en Arctische wateren en de Middellandse Zee. Anthony nam deel aan de evacuatie uit Duinkerke (mei–juni 1940), opereerde rond IJsland en Noorwegen, ondersteunde Operatie Ironclad bij Diego Suarez (mei 1942), begeleidde konvooien voor Operatie Torch, was actief bij Sicilië (1943), nam deel aan de bestrijding van U-boten (vernietiging U-761, 24 februari 1944) en was aanwezig bij de ramp met de Leopoldville (24 december 1944). In 1945 werd zij doel-/oefenschip voor luchtvaarttraining en ging na 1946 uit dienst.
Ontwerp en constructie
HMS Anthony behoorde tot de in 1927 bestelde A-klasse, de eerste groep van de zogenoemde “A- tot en met I-klasse” torpedobootjagers. De kiel werd gelegd op 30 juli 1928, de tewaterlating vond plaats op 24 april 1929 en de indienststelling op 14 februari 1930. De romp was van geklonken staal met een verhoogd voordek, geoptimaliseerd voor operaties in de Noord-Atlantische wateren.
Technisch kwam de A-klasse overeen met de voorafgaande interbellum-ontwerpen maar met verbeterde stoominstallaties. De hoofdafmetingen waren circa 98,5 m lengte over alles, 9,8 m breedte en 3,9 m diepgang bij volle belading. De standaardwaterverplaatsing lag rond 1.350 long tons en de volle-laadverplaatsing rond 1.770 long tons. De voortstuwing bestond uit twee Parsons-turbines met tandwieloverbrenging, gevoed door drie Admiralty-drumketels, goed voor ongeveer 34.000 shp op twee schroeven. De proefvaart-topsnelheid lag rond 35 knopen; het bereik bedroeg ongeveer 4.800 zeemijlen bij 15 knopen, afhankelijk van belading en zeegang.
De oorspronkelijke bemanning telde in vredestijd circa 130–140 koppen, oplopend tot 160–175 in oorlogsomstandigheden door toevoeging van extra artillerie- en radarpersoneel. De brug droeg een eenvoudige vuurleiding met afstandsmeter voor het 4,7-inch geschut, conform de doctrine van nacht- en slecht-weeracties in Europese wateren. De bouwkwaliteit van Scotts paste in de Royal Navy-normen van het interbellum, met aandacht voor betrouwbaarheid en onderhoudbaarheid bij langdurige escortetaken.
Bewapening
Bij oplevering voerde Anthony vier enkel opgestelde QF 4.7-inch (120 mm) Mk IX-kanons in de posities ‘A’, ‘B’, ‘X’ en ‘Y’. De luchtdoelverdediging bestond uit twee 2-ponder (40 mm) “pom-pom”-kanons in enkelopstellingen. Voor torpedobestrijding beschikte het schip over twee viervoudige 21-inch (533 mm) torpedobuisbanken midscheeps, in totaal acht torpedo’s gereed voor inzet.
Voor onderzeebootbestrijding waren dieptebomrekken en –werpers aangebracht; in de vroege oorlogsjaren bedroeg de standaardstuw rond 30–40 dieptebommen, met uitbreiding in de loop van de oorlog. De vuurleiding voor het hoofdgeschut verliep via een Director Control Tower met eenvoudige optische afstandsmeters; luchtdoelvuur werd lokaal gericht. De bewapening evolueerde tijdens de oorlog aanzienlijk (zie Modificaties) om beter te kunnen reageren op luchtaanvallen en U-boten.
Bepantsering
Zoals gebruikelijk voor Britse torpedobootjagers uit het interbellum had Anthony geen doorslaggevend bepantseringssysteem. Bescherming beperkte zich tot lichte splinterplaten rond brug en kanonopstellingen, stalen schilden op de 4,7-inch-affuiten en beperkte beschermingsmaatregelen voor vitale leidingen en munitieopslag. Het ontwerp koos voor snelheid, wendbaarheid en vuurkracht in plaats van structurele bescherming.
Sensoren en dataverwerking
Pre-oorlogs sensoruitrusting bestond hoofdzakelijk uit optische middelen (uitkijkposten, verrekijkers, zoeklichten) en geluidssensoren (ASDIC/sonar). Net als andere A-klasse schepen werd Anthony in de vroege oorlogsperiode voorzien van ASDIC voor onderzeebootdetectie in korte tot middellange afstand, gekoppeld aan een elementaire ASW-plot op de brug of in de kaartenkamer.
Vanaf 1941 kreeg de A-klasse stapsgewijs radar. De eerste generatie betrof Type 286, een kort-bereik oppervlaktesurveillance- en luchtwaarschuwingsset, afgeleid van RAF ASV-techniek. Type 286 scande in principe in de boegsector en vereiste vaak koersveranderingen van het schip om het zoekvolume te dekken. Dit bood een basale detectiemogelijkheid tegen laagvliegende toestellen en nabijgelegen oppervlakteschepen in slecht zicht, maar zonder nauwkeurige peiling- en hoogtegegevens.
In 1942–1943 volgde op meerdere A-klasse een Type 271 target-indication radar. Deze centimetergolfradar, herkenbaar aan de cilindrische “lantern” opbouw, leverde betrouwbare oppervlakte-peilingen en afstandsgegevens voor nachtgevechten en U-bootdetectie in periscoopdiepte. Aanvullend verschenen licht-AA-radars en eenvoudige luchtwaarschuwingssets (Type 291/293) op sommige eenheden. Voor radiopeiling werd vanaf 1943 vaak HF/DF (“Huff-Duff”) toegevoegd op een korte hoofdmast achter, waarmee vijandelijke U-bootuitzendingen konden worden gepeild om een zoekgebied te bepalen.
De verwerking van deze sensorinformatie gebeurde aan boord van torpedobootjagers doorgaans zonder volwaardige Combat Information Center (CIC). In de Royal Navy werd dit georganiseerd binnen de Action Information Organisation (AIO): een combinatie van processen en ruimtes (Operations Room) waarin radar-, sonar- en rapportmeldingen werden geplot tot een tactisch overzicht. Op slagschepen en kruisers bevond zich een uitgebreide AIO-ruimte met meerdere plottafels en dedicated personeel. Op torpedobootjagers was de ruimte beperkt tot een kleine plothoek op of nabij de brug, met één à twee radarschermen en een eenvoudige plottafel. Dit voldeed voor escorte- en pickettaken, maar bood minder capaciteit dan de grotere AIO’s op kapitaalschepen en carriers, waar ook jagerleiding en luchtoperaties werden gecoördineerd. Deze RN-brede ontwikkeling verbeterde vanaf 1942–1943 de detectie en reactietijden in nacht- en slecht-weeracties en bij konvooiverdediging, ook al bleef de destroyer-AIO beperkt in omvang.
Voor de artillerievuurleiding bleef Anthony aangewezen op lokale richtmiddelen en optische afstandsmeters, aangevuld met radarpeiling om doelen ‘in te praten’. ASDIC-contacten werden op snelheid en met dieptebompatronen aangevallen; later in oorlogstijd werd aanvullend coördinatie gezocht met maritieme patrouillevliegtuigen en, waar beschikbaar, HF/DF-peilingen van escorte-vlaggenschepen of walstations.
Modificaties
In de beginfase van de oorlog werden munitievoorraad en ASW-capaciteit verhoogd: de 4,7-inch-munitievoorraad nam toe en het aantal dieptebommen groeide van circa 33–42 naar circa 70, met extra werpers en rekken. Vanaf mei 1940 vervingen veel A-klasse schepen de achterste torpedobank door een QF 3-inch (76 mm) 20-cwt luchtdoelkanon; achtermast en achterstevenfunnel werden verlaagd voor een beter vuurbereik. In 1941 volgden twee 20 mm Oerlikon-kanons naast de brug en werd Type 286 als eerste radar ingevoerd.
Vanaf eind 1942 werd een deel van de klasse aangepast tot “escort destroyer”. Daarbij vervingen Hedgehog-mortieren op sommige schepen de voorste ‘A’ of ‘B’-affuit; tegelijk werd op meerdere eenheden Type 271 geplaatst ter verbetering van nacht- en oppervlaktesurveillance. In het Kanaal kregen enkele schepen extra boegwapens (2-ponder of 6-ponder) tegen snelle E-boats. Vanaf 1943 verviel op veel eenheden de 3-inch AA om plaats te maken voor een HF/DF-installatie op een korte hoofdmast; torpedobuizen achter konden soms worden teruggeplaatst. Oerlikon-uitrusting verschoof gaandeweg naar tweelingsopstellingen (Mk V) met powered mountings; losse enkel-Oerlikons verhuisden naar midscheeps en op de platformen tussen de torpedobuizen. Deze patronen golden RN-breed voor A- en B-klasse schepen; Anthony volgde dit schema in het kader van haar escorttaken, met nadruk op ASW, AA-versterking en basale radarcapaciteit.
Status schip tijdens de oorlog
Anthony was een interbellum-ontwerp dat doorlopend werd aangepast aan de eisen van konvooibegeleiding, nachtpatrouilles en amfibische steun. Mechanisch bleef het schip inzetbaar en na luchtbeschadiging (Clyde, februari 1941) en gevechtsschade (Duinkerke, 30 mei 1940) werd herstel uitgevoerd. De upgrades vanaf 1941 brachten radar, meer dieptebommen en extra lichte AA, wat de gevechtswaarde bij escorteacties verhoogde. Een volwaardige CIC/AIO-ruimte zoals op grote eenheden ontbrak, wat vanaf 1943 een beperking vormde ten opzichte van nieuwere destroyerklassen met betere informatieverwerking, al bleef Anthony effectief in de rol van escorteur en als onderdeel van gecombineerde operaties.
Operationele geschiedenis
1939–begin 1940: Kanaal en Western Approaches
Bij het uitbreken van de oorlog was Anthony ingedeeld bij de 18th Destroyer Flotilla te Portland. Het schip voerde patrouilles en escorte uit in het Kanaal en de South-Western Approaches. In november 1939 volgde overplaatsing naar de 23rd Destroyer Flotilla aan de oostkust, met nadruk op kustkonvooien en onderzeebootbestrijding. In januari 1940 begeleidden Anthony, Achates en Arrow het slagschip Royal Sovereign gedeeltelijk richting Halifax, waarna terugkeer volgde naar Britse wateren voor verdere escortetaken.
Lente–zomer 1940: Duinkerke en Home Fleet
In maart 1940 sloot Anthony aan bij de 16th Destroyer Flotilla te Portsmouth. Tijdens Operatie Dynamo nam het schip in mei/juni deel aan evacuaties uit Duinkerke en bracht in meerdere inlopen grote aantallen militairen over; het totaal liep op tot om en nabij 3.000 geredde personen. Op 30 mei liep Anthony luchtschade op, waarna herstel in haven noodzakelijk was. In juni hervatte het schip de dienst, nu vanuit Harwich onder Home Fleet-aansturing, met konvooiescorte en anti-onderzeebootpatrouilles. Op 27 september 1940 redde Anthony overlevenden van het getorpedeerde passagiersschip City of Benares, dat eerder die maand was getroffen.
1941: Western Approaches, Noorwegen en Spitsbergen
Vanaf november 1940 voer Anthony in de 4th Escort Group in de Western Approaches. In februari 1941 liep zij schade op door een luchtaanval op scheepvaart in de Clyde, gevolgd door herstel en herindeling in december bij de 3rd Destroyer Flotilla. In het voorjaar van 1941 begeleidde Anthony mijnenlegoperaties en maakte zij op 23 mei deel uit van de escorte voor battlecruiser Hood en battleship Prince of Wales bij het zoeken naar Bismarck. Anthony moest op 24 mei bunkeren in IJsland en miste daarmee het gevecht in de Deens-underdanstraat; later sloot zij opnieuw aan bij Prince of Wales. In juli–augustus volgden operaties langs de Noorse kust, waaronder deelname aan Operatie Gauntlet, de raid op Spitsbergen van 19 augustus 1941. Eind september 1941 maakte Anthony deel uit van de escorte van konvooi PQ 1 richting Noord-Rusland en dekkte de terugkerende QP 1-eenheden, inclusief tanker Black Ranger.
1942: Gibraltar, Malta-leveranties en Operatie Ironclad
Na een refit in de Humber verplaatste Anthony zich in januari 1942 naar Gibraltar en voer zij op de Clyde-Gibraltar-route, inclusief dekking voor oorlogsschepen die Spitfires naar Malta overzetten. In maart sloot Anthony aan bij Force H ter ondersteuning van Operatie Ironclad, de inname van Diego Suarez (Madagaskar). Toen de landingsmacht stagneerde, werd Anthony ingezet voor een snelle penetratie van de havenverdediging om circa 50 Royal Marines in de achterhoede te landen; de actie leidde tot desorganisatie van de verdediging en versnelde de val van de haven. Diego Suarez capituleerde op 7 mei 1942.
Najaar 1942–1943: Torch, West-Afrika en Sicilië
Na een najaarsreparatie in 1942 voer Anthony met de 13th Destroyer Flotilla. De eerste helft van 1943 stond in het teken van konvooiescorte langs de West-Afrikaanse kust en in de Westelijke Middellandse Zee. In juli 1943 ondersteunde zij de geallieerde landing op Sicilië door escorte- en beschermingsopdrachten. De rest van 1943 bleef Anthony actief in het Mediterrane konvooiverkeer, waarbij de nadruk lag op bescherming tegen lucht- en U-bootoorlogvoering.
1944: U-761 en Leopoldville
Op 24 februari 1944 werkte Anthony samen met HMS Wishart, patrouillevliegtuigen van No. 202 Squadron RAF en Amerikaanse marine-eenheden in de opsporing en uitschakeling van U-761, ten westen van Gibraltar. Het gecombineerde gebruik van ASW-sensoren en luchtobservatie leidde tot de totstandkoming van aanvallen die de onderzeeboot tot zinken brachten. In september 1944 keerde Anthony terug naar Britse wateren voor escortetaken in de Western Approaches en het Kanaal. Op 24 december 1944 escorteerden Anthony en HMS Brilliant de troepentransporter SS Leopoldville, die door U-486 werd getorpedeerd en zonk met groot verlies aan mensenlevens; Anthony nam deel aan reddingsacties onder moeilijke omstandigheden.
1945: Oefen- en identificatietaken
Begin 1945 werd Anthony omgebouwd tot air target ship. In deze rol diende het schip voor de training van nieuwe vliegers in oorlogsscheepsherkenning en aanvalsmethoden. Deze taak werd tot het einde van de oorlog voortgezet en doorgezet tot januari 1946, waarna operationele inzet uitbleef.
Na de oorlog
Op 27 maart 1946 werd Anthony in reserve geplaatst en voor afstoting aangeboden. In september 1946 volgde reactivering voor beproevingen op het gebied van schadebestrijding; deze duurden tot februari 1948. Op 21 februari 1948 werd het schip verkocht voor sloop. In mei 1948 werd Anthony naar het BISCO-sloperijterrein in Troon (Ayrshire) gesleept, waar de ontmanteling plaatsvond. De levensloop van het schip weerspiegelt de RN-praktijk om interbellum-torpedobootjagers na intensieve oorlogsdienst kort na 1945 uit te faseren.
Conclusie
HMS Anthony was representatief voor de A-klasse: snel, wendbaar en geschikt voor veelzijdige escortetaken. De tijdens de oorlog aangebrachte wijzigingen – extra dieptebommen, verbeterde lichte luchtdoelartillerie, radar en HF/DF – verhoogden de operationele waarde, met name in konvooiverdediging en gecombineerde operaties zoals Ironclad. In termen van sensoren en dataverwerking bleef de destroyer echter zonder volwaardige CIC; de AIO-inrichting op torpedobootjagers bleef compact en sterk afhankelijk van de brugorganisatie. Beoordeling volgens de normen van 1943 betekent dat Anthony, ondanks bruikbaarheid en gevechtssucces, informatief verouderd was ten opzichte van nieuwere destroyerklassen met meer centrale informatieverwerking. De inzet in 1944–1945 en de naoorlogse overgang naar trainingstaken passen bij deze ontwikkeling.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Royal Navy official photographer, Public domain, via Wikimedia Commons
- Colledge, J. J.; Warlow, Ben (2006) [1969]. Ships of the Royal Navy: The Complete Record of all Fighting Ships of the Royal Navy (Rev. ed.). London: Chatham Publishing. ISBN 978-1-86176-281-8.
- Combined Operations (2005). Combined Operations: The Official Story of the Commandos. Whitefish: Kessinger Publishing. ISBN 978-1-4179-8741-2.
- English, John (1993). Amazon to Ivanhoe: British Standard Destroyers of the 1930s. Kendal: World Ship Society. ISBN 0-905617-64-9.
- Friedman, Norman (2009). British Destroyers From Earliest Days to the Second World War. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-081-8.
- Haarr, Geirr H. (2009). The German Invasion of Norway, April 1940. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-310-9.
- Haarr, Geirr H. (2010). The Battle for Norway: April–June 1940. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-051-1.
- Hodges, Peter; Friedman, Norman (1979). Destroyer Weapons of World War 2. Greenwich: Conway Maritime Press. ISBN 978-0-85177-137-3.
- Lenton, H. T. (1998). British & Empire Warships of the Second World War. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 1-55750-048-7.
- Rohwer, Jürgen (2005). Chronology of the War at Sea 1939–1945: The Naval History of World War Two (3rd rev. ed.). Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 1-59114-119-2.
- Whitley, M. J. (1988). Destroyers of World War Two: An International Encyclopedia. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-326-1.
- Winser, John de D. (1999). B.E.F. Ships Before, At and After Dunkirk. Gravesend: World Ship Society. ISBN 0-905617-91-6.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









