
Operatie Collar was de codenaam voor de eerste Britse commandoactie tijdens de Tweede Wereldoorlog. De raid vond plaats in de nacht van 24 op 25 juni 1940 langs de Franse kust in het departement Pas-de-Calais. De operatie werd uitgevoerd door No. 11 Independent Company, onder bevel van majoor Ronnie Tod van het regiment Argyll and Sutherland Highlanders, een Schots infanterieregiment van het Britse leger. Het doel van de actie was het uitvoeren van verkenningen bij vier kustlocaties en het gevangen nemen van Duitse militairen. De resultaten waren beperkt: er werden geen bruikbare inlichtingen verzameld en slechts twee Duitse wachtposten kwamen om het leven.
Militaire en Politieke Situatie
De militaire en politieke situatie in juni 1940 was gespannen. Na de Duitse inval in mei 1940 en de snelle doorbraak naar de Atlantische kust was het grootste deel van het Britse Expeditionary Force geëvacueerd uit Duinkerke tijdens Operatie Dynamo. Frankrijk tekende kort daarna, op 22 juni 1940, de Wapenstilstand van Compiègne met Duitsland. Hierdoor stond Groot-Brittannië alleen tegenover een vijand die vrijwel het gehele West-Europese vasteland controleerde.
Premier Winston Churchill was ervan overtuigd dat het moreel in Groot-Brittannië moest worden versterkt door offensieve operaties. Hij drong er bij de Chiefs of Staff op aan om plannen te ontwikkelen voor kleinschalige aanvallen langs de vijandelijke kust. Churchill benadrukte dat hiervoor speciale eenheden nodig waren die snel konden toeslaan, schade konden toebrengen en zich weer konden terugtrekken. Deze benadering vormde het begin van de Britse commando’s.
Locatie
De doelwitten van Operatie Collar lagen langs de Franse kust in het departement Pas-de-Calais, een gebied dat geografisch dicht bij Engeland lag. De gekozen landingsplaatsen waren Neufchâtel-Hardelot, Stella Plage, Berck en Le Touquet. De afstand tot de Britse zuidkust maakte deze locaties geschikt voor een snelle nachtelijke oversteek. Het gebied stond onder Duitse bezetting en kende een groeiende militaire aanwezigheid. Verwacht werd dat de kustplaatsen werden gebruikt voor Duitse patrouilles en mogelijk als onderkomens voor troepen.
Militaire Leiders
De leiding van de operatie lag bij majoor Ronnie Tod. Hij was afkomstig uit het regiment Argyll and Sutherland Highlanders en kreeg het bevel over No. 11 Independent Company. Binnen de hogere militaire leiding was de verantwoordelijkheid voor commandoacties toevertrouwd aan het Combined Operations Headquarters. De eerste commandant hiervan was admiraal Sir Roger Keyes, een ervaren officier die al tijdens de Eerste Wereldoorlog betrokken was bij de landingen op Gallipoli en bij de aanval op Zeebrugge.
Een belangrijke rol in de totstandkoming van de raid was weggelegd voor luitenant-kolonel Dudley Clarke. Hij had reeds plannen ingediend voor speciale eenheden die in staat zouden zijn om kleinschalige aanvallen op vijandelijk gebied uit te voeren. Tijdens Operatie Collar was Clarke zelf aanwezig als waarnemer.
Doelstelling en planning
De planning van Operatie Collar was haastig en vond plaats slechts enkele weken na de evacuatie van Duinkerke. De doelstellingen waren drieledig: het uitvoeren van verkenningen van de Franse kust, het verzamelen van inlichtingen over Duitse posities en activiteiten, en het gevangen nemen van Duitse militairen. De geplande duur van de aanwezigheid aan land was maximaal tachtig minuten. Hierna moesten de eenheden zich terugtrekken naar de boten die hen naar Engeland zouden terugbrengen.
Door de korte voorbereidingstijd was de uitrusting van de eenheden niet toereikend. Tijdens oefeningen aan de Britse zuidkust werd duidelijk dat de beschikbare boten ongeschikt waren voor een oversteek van het Kanaal. Uiteindelijk werden luchtmachtreddingsboten van de Royal Air Force gebruikt, die evenmin ideaal waren omdat zij niet beschikten over betrouwbare navigatieapparatuur.
Militaire eenheden
De eenheid die de raid uitvoerde was No. 11 Independent Company. Deze compagnie was pas kort daarvoor opgericht, op 14 juni 1940, en bestond uit vrijwilligers die afkomstig waren uit eerder gevormde onafhankelijke compagnieën. Het was een samengestelde eenheid met een sterkte van ongeveer 25 officieren en 350 manschappen. Voor Operatie Collar werden 115 man ingezet, verdeeld over vier groepen die elk een andere landingsplaats zouden aandoen.
De compagnie beschikte zelf niet over schepen. Voor de overtocht werden vier luchtmachtreddingsboten ingezet die normaliter waren gestationeerd in Dover, Ramsgate en Newhaven. Deze vaartuigen waren niet speciaal ontworpen voor militaire raids en hadden beperkte mogelijkheden. Tijdens de overtocht kwamen de boten zelfs onder observatie van Britse vliegtuigen die niet op de hoogte waren van de operatie.
Het verloop van de operatie
De raid begon in de nacht van 24 op 25 juni 1940. Vier groepen staken het Kanaal over en gingen elk aan land op een andere locatie. De landingen verliepen zonder grote problemen, maar de uitvoering van de opdrachten leverde weinig resultaat op.
Bij Le Touquet was het doelwit het Merlimont Plage Hotel, dat naar verluidt door Duitse troepen als barakken werd gebruikt. Toen de groep het gebouw bereikte, bleek het echter leeg te staan en was het afgesloten. Tijdens het wachten op de terugkeer van hun boot stuitten zij op twee Duitse wachters die zij uitschakelden. Kort daarop verscheen een Duitse patrouille en moesten de mannen zich zwemmend terugtrekken, waarbij zij hun wapens achterlieten.
De groep bij Hardelot drong enkele honderden meters het binnenland in maar trof geen vijandelijke troepen aan en keerde terug zonder resultaat. De eenheid die bij Berck aan land kwam ontdekte een watervliegtuigbasis, maar deze was zwaar verdedigd en daarom niet aan te vallen. De laatste groep, onder leiding van majoor Tod, landde bij Stella Plage. Daar kwam het tot een kort vuurgevecht met een Duitse patrouille, waarbij één man licht gewond raakte.
Resultaat
Het tactische resultaat van Operatie Collar was beperkt. Twee Duitse soldaten werden gedood en er werd geen bruikbare informatie of materieel buitgemaakt. Strategisch gezien had de operatie meer symbolische waarde. Het was de eerste keer dat Britse troepen na de val van Frankrijk een aanval uitvoerden op bezet gebied. Hoewel het succes gering was, gaf de operatie een eerste signaal van Britse bereidheid om offensieve acties te ondernemen.
Politiek gezien kon de Britse regering de raid gebruiken als bewijs van vastberadenheid en offensieve inzet. Het ministerie van Informatie publiceerde een communiqué waarin de operatie als geslaagd werd gepresenteerd. Hiermee werd getracht het Britse moreel te versterken, ook al strookte dit niet met de werkelijke uitkomst.
Militaire en burger slachtoffers
Aan Britse zijde waren er nauwelijks verliezen. De enige gewonde was luitenant-kolonel Dudley Clarke, die als waarnemer meevoer en licht gewond raakte bij Stella Plage. Geen van de Britse soldaten kwam om het leven. Aan Duitse zijde werden twee wachters gedood. Er zijn geen meldingen van burgerslachtoffers in de kustplaatsen waar de raid plaatsvond.
Omdat de verliezen aan Britse kant minimaal waren, hoefden er geen grote vervangingen plaats te vinden. De eenheid bleef in staat om verdere opdrachten uit te voeren, hoewel No. 11 Independent Company later werd opgenomen in de bredere structuur van de Britse commando’s.
Materiele verliezen
De materiële verliezen waren gering. De belangrijkste verliezen betroffen de wapens die een groep achterliet toen zij gedwongen waren zwemmend terug te keren naar hun boot. Deze verliezen waren vervangbaar en hadden geen blijvende invloed op de gevechtscapaciteit van de eenheid. De gebruikte luchtmachtreddingsboten keerden terug zonder grote schade. Er waren geen gevolgen voor de Britse voorraden van brandstof of munitie.
Conclusie
Operatie Collar was de eerste Britse commandoactie van de Tweede Wereldoorlog. De doelstellingen, namelijk het verzamelen van inlichtingen en het gevangen nemen van Duitse militairen, werden niet behaald. Het tactische resultaat was beperkt tot het doden van twee Duitse soldaten. Strategisch was de waarde vooral symbolisch: de operatie liet zien dat Groot-Brittannië bereid was offensieve acties te ondernemen ondanks de moeilijke situatie na de val van Frankrijk. De verliezen in manschappen en materieel waren verwaarloosbaar. De raid droeg bij aan de ontwikkeling van de Britse commando’s, die in de daaropvolgende jaren zouden uitgroeien tot een vaste kracht in de geallieerde oorlogsvoering.
Bronnen en meer informatie
- Chappell, Mike (1996). Army Commandos 1940–1945. Osprey Publishing. ISBN 1-85532-579-9.
- Haining, Peter (2004). Where the Eagle Landed: The Mystery of the German Invasion of Britain, 1940. Robson. ISBN 1-86105-750-4.
- Haskew, Michael E. (2007). Encyclopaedia of Elite Forces in the Second World War. Pen and Sword. ISBN 978-1-84415-577-4.
- Moreman, Timothy Robert (2006). British Commandos 1940–46. Osprey Publishing. ISBN 1-84176-986-X.
- Rankin, Nicholas (2009). A Genius for Deception: How Cunning Helped the British Win Two World Wars. Oxford University Press. ISBN 978-0-19-538704-9.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









