
Flossenbürg was een concentratiekamp dat in mei 1938 door de SS werd opgericht nabij de Duits-Tsjechoslowaakse grens. Het kamp fungeerde als economisch knooppunt voor granietwinning en, vanaf 1943, als productielocatie voor vliegtuigonderdelen, naast zijn rol in repressie en uitsluiting. Ongeveer 90.000 tot 100.000 personen doorliepen het hoofdkamp en de buitenkampen; zeker 30.000 overleden door ondervoeding, ziekte, mishandeling, executies en dodenmarsen. De Amerikaanse bevrijding volgde op 23 april 1945, waarna oorlogsmisdaden in Dachau werden berecht en het terrein later tot gedenkplaats uitgroeide. Deze bijdrage behandelt locatie en doel, personeel, gevangenen, doodsoorzaken, dwangarbeid en medische praktijk, bevrijding en berechting.
Locatie en soort en doel van dit concentratiekamp
Flossenbürg lag in een bergachtig en dunbevolkt gebied van de Oberpfalz, nabij het Fichtelgebergte en de grens met het toenmalige Sudetenland. De keuze voor deze plek was economisch: in de directe omgeving lagen groeves met blauwgrijs graniet. De SS organiseerde de exploitatie via de Deutsche Erd- und Steinwerke (DEST), een onderneming die gevangenenarbeid inzette en leverde aan grootschalige bouwplannen. De eerste 100 gevangenen arriveerden op 3 mei 1938 vanuit Dachau, bouwden het kamp met prikkeldraad, barakken en wachttorens, en creëerden zo de basis voor latere uitbreiding.
Economisch doel en overgang naar oorlogsproductie
Doel was aanvankelijk de levering van natuursteen voor monumentale architectuurprojecten. De productie werd opgevoerd met handwerk en later machines, waarbij DEST inkomsten verwierf en de SS haar economische invloed vergrootte. Vanaf begin 1943 verschoof het zwaartepunt naar oorlogsproductie: onderdelen voor de Messerschmitt Bf 109 en, in subkampen, andere luchtvaartprojecten. Contracten met bedrijven regelden tarieven per gedetineerde per dag, waarbij Messerschmitt materiaal en gereedschap leverde en DEST het arbeidscontingent aanstuurde.
Uitbouw van het kamp- en buitenkampensysteem
Het terrein kreeg een intern gevangenisgebouw, werkhallen en in 1940 een crematorium. Door ruimtegebrek sliepen en werkten gevangenen in ploegendienst. Vanaf 1942 ontstond een snel uitdijend netwerk van buitenkampen in Beieren, Saksen en het Protectoraat Bohemen en Moravië. De grootste complexen waren Leitmeritz (Litoměřice) en Hersbruck. Tegen april 1945 bevond ongeveer tachtig procent van de gevangenen zich in buitenkampen die spoorherstel, synthetische brandstoffen en vliegtuigonderdelen leverden.
Concentratiekamp personeel
De commandanten waren achtereenvolgens Jakob Weiseborn (1938–1939), Karl Künstler (1939–1942), Egon Zill (1942–1943) en Max Koegel (1943–1945). Onder hen opereerden Schutzhaftlagerführer, Rapportführer, artsen, administratieve medewerkers en bewaking. De staf groeide van enkele honderden in 1940 tot circa 4.500 tegen de evacuatie in april 1945, aangevuld met Volksdeutsche, Wehrmacht-personeel en SS-vrouwen door tekorten aan mankracht. Binnen de barakken en werkcommando’s functioneerden gevangenenfunctionarissen (Lagerälteste, Blockälteste, Kapos).
Organisatie, afdelingen en kampgestuurde discipline
De Politische Abteilung fungeerde als kamp-Gestapo met taken als registratie, verhoor en straf. De Arbeitsdienst deelde arbeid toe aan groeves, steenhouwerijen en later werkplaatsen. Rapportführers handhaafden discipline tijdens het appèl; Blockführer waren verantwoordelijk voor blokken. In 1940 werd een crematorium in gebruik genomen, wat aansloot op oplopende sterfte en het toenemende gebruik van executies. Onder commandant Koegel namen organisatieproblemen en sterfte toe tijdens de snelle expansie van 1944–1945.
DEST en samenwerking met civiele bedrijven
DEST beheerde groeves en zette steenhouwerijhallen om tot productieruimte voor luchtvaartonderdelen. Messerschmitt en onderaannemers, zoals Erla Maschinenwerk, sloten overeenkomsten met dagtarieven voor ‘geschoolde’ en ‘ongeschoolde’ gevangenen. De prijsafspraken drukten loonkosten en stabiliseerden aanvoer van arbeidskrachten. In subkampen nabij fabrieken of ondergrondse locaties werkten duizenden aan staartvlakken, vleugels en rompsegmenten, onder toezicht van civiele technici die soms op kleine schaal hulp boden, ondanks strenge verboden op contact.
Gevangenen en slachtoffers
Tussen 1938 en 1945 passeerden circa 90.000 tot meer dan 100.000 personen het hoofdkamp en de buitenkampen van Flossenbürg. De samenstelling verschoof van voornamelijk Duitstalige gevangenen in 1938–1939 naar een overwegend buitenlandse populatie vanaf 1943. Ten minste 30.000 personen overleden in het kamp of tijdens evacuaties. Deze aantallen omvatten sterfte in het hoofdkamp, in buitenkampen en op dodenmarsen in april 1945.
Vroege fase: binnenlandse categorieën en opbouw
In 1938–1939 bestond de groep vooral uit Duitsers met groene driehoek (‘beroepscriminelen’) en zwarte driehoek (‘asocialen’). Zij voerden zware bouw- en groeve-taken uit tijdens de inrichting van kampinfrastructuur. De sterfte bleef in deze fase lager dan later, maar ongevallen, ondervoeding en mishandeling eisten al levens. De interne hiërarchie werd mede gestuurd via benoeming van gevangenen als functionaris, wat de machtsongelijkheid binnen de groep vergrootte.
Expansie en internationalisering vanaf 1940
Vanaf 1940 groeide het aantal politieke gevangenen uit bezette gebieden, met veel Polen. In het najaar van 1941 arriveerden 1.700 tot 2.000 Sovjet-krijgsgevangenen, vaak in slechte conditie; velen stierven kort na aankomst. Joodse gevangenen waren in de eerste jaren in de minderheid in het hoofdkamp, maar deportaties en evacuaties in 1944–1945 vergrootten hun aandeel, vooral in buitenkampen die aan de luchtvaartproductie waren gekoppeld.
Eindfase: evacuaties, vrouwen en jeugdbescherming
In 1944–1945 namen evacuaties uit oostelijke kampen de bevolkingsdruk fors toe. Het aantal vrouwelijke gevangenen steeg, vooral in buitenkampen onder toezicht van SS-Aufseherinnen. Tienerjongens werden apart gehuisvest vanwege misbruik door bepaalde functionarissen. Overbevolking, voedseltekorten en epidemieën verergerden de sterfte; drie kwart van alle sterfgevallen valt in de laatste negen maanden voor bevrijding.

Doodsoorzaken
Sterfte in Flossenbürg en de buitenkampen vloeide voort uit samenspel van ondervoeding, uitputting, ziekte, ongevallen, mishandeling en executies. In 1944–1945 verslechterde de toestand door massale aanvoer van evacuatietransporten, logistieke chaos en tyfusuitbraken. De combinatie van zware arbeid, geringe medische zorg en gebrek aan basisvoorzieningen leidde tot hoge sterftecijfers, vooral onder groepen met lage status in de kamp-hiërarchie.
Ondervoeding en epidemieën
Rantsoenen waren structureel ontoereikend en ongelijk verdeeld. Poolse en Sovjet-gevangenen kregen vaak de zwaarste commando’s en minder voedsel. Epidemieën waren frequent: dysenterie legde begin 1940 delen van het kamp stil en tyfus sloeg herhaaldelijk toe in 1944 en 1945. Overbevolking en gebrekkige hygiëne versnelden de verspreiding, terwijl het Revier onvoldoende middelen had om effectief te behandelen.
Ongevallen, mishandeling en schijnbare ‘vluchtpogingen’
Het groevewerk veroorzaakte veel ongevallen door vallend gesteente, hoogteverschillen en het gebruik van primitieve hulpmiddelen. Mishandelingen door bewakers en sommige functionarissen, evenals het neerschieten van gevangenen bij vermeende vluchtpogingen, droegen bij aan de sterfte. Met de overgang naar werkplaatsen nam het aantal groeve-ongevallen af, maar dat werd gecompenseerd door ondervoeding en ziekte in de overvolle barakken.
Executies en dodelijke injecties
Vanaf februari 1941 vonden executies plaats, eerst door schieten, later vaak door injecties. De eerste geregistreerde slachtoffers waren Poolse politieke gevangenen; ook Sovjet-krijgsgevangenen werden in grote aantallen gedood. In het arresthof en bij de schietbaan naast het crematorium vonden massaexecuties plaats. In de laatste dagen werden onder meer Wilhelm Canaris en Dietrich Bonhoeffer, eerder als ‘Sonderhäftlinge’ bewaard, geëxecuteerd. In totaal werden minstens 2.500 personen gedood.
Vonden er medische experimenten of dwamngarbeid plaats?
Dwangarbeid vormde vanaf de aanvang het kernmechanisme van Flossenbürg. Gevangenen exploiteerden granietgroeves en bouwden kamp-infrastructuur; later werkten zij in werkplaatsen voor Messerschmitt en in subkampen voor spoorherstel, synthetische olie en vliegtuigonderdelen. Werktijden liepen uiteen van lange dagdiensten in de groeves tot ploegen van acht uur in de luchtvaartproductie, waarbij quota en strikte discipline golden. Productiestijging in 1943–1944 ging gepaard met uitbreiding van subkampen en aanvoer van duizenden extra arbeiders.
Medische praktijk en misstanden
Flossenbürg kende geen breed gedocumenteerd programma van experimentele medische proeven zoals in bepaalde andere kampen. De medische praktijk was echter ontoereikend en soms schadelijk. Selecties onttrokken uitgeputte personen aan arbeid en verplaatsten hen naar kampen met uiterst slechte overlevingskansen. In 1944–1945 ontstonden gevallen van onnodige operaties en nalatigheid in het Revier, wat de sterfte verder verhoogde. Tekort aan medicijnen, bedden en gekwalificeerd personeel beperkte de zorg.
Bevrijding
Op 14 april 1945 gaf Heinrich Himmler opdracht om geen gevangene levend in vijandelijke handen te laten vallen. Tussen 16 en 20 april startten evacuaties per spoor en te voet richting Dachau en andere gebieden. Geallieerde luchtmacht trof evacuatietreinen; bewakers schoten gewonden en achterblijvers neer. Van de 25.000 tot 30.000 aanwezigen werden ongeveer 16.000 daadwerkelijk op mars gezet; slechts enkele duizenden bereikten hun bestemming. Langs de routes werden honderden tot duizenden lichamen aangetroffen.
Amerikaanse intocht en nasleep
De 90e Infanteriedivisie van het Amerikaanse leger bereikte het hoofdkamp op 23 april 1945 en trof ongeveer 1.500 zieke en uitgeputte personen aan. Ondanks medische bijstand overleden meer dan honderd personen in de eerste dagen. Amerikaanse autoriteiten verplichtten lokale burgers tot berging en begrafenis; daarnaast werden geïmproviseerde plechtigheden georganiseerd. Subkampen oostelijk van de demarcatielijn werden door het Rode Leger bevrijd. Epidemieën en ondervoeding bepaalden de nazorg in de weken na de bevrijding.

Berechting
Op 6 mei 1945 startte een Amerikaans onderzoeksteam de identificatie van daders. Na een jaar vooronderzoek begon het hoofdproces in Dachau: United States of America vs. Friedrich Becker et al. (12 juni 1946 – 22 januari 1947). Van de 52 beklaagden werden 40 personen veroordeeld, met 15 doodstraffen, 11 levenslang en overige vrijheidsstraffen; vijf personen werden vrijgesproken, tegen zeven vervielen de aanklachten. Perjury-zaken tegen getuigen leidden tot herbeoordeling, maar de hoofdvonnissen bleven in stand.
Namen van veroordeelden en straffen
Friedrich Becker, hoofd van de arbeidstoewijzing, gold als een centrale dader en werd veroordeeld in het hoofdproces. Konrad Blomberg, hoofd van de Politische Abteilung, werd in 1947 in Landsberg geëxecuteerd. Christian Franz Weck, tandarts en plaatsvervangend leidinggevende in de Politische Abteilung, kreeg vijf en een half jaar tuchthuis wegens medeplichtigheid aan moord. Egon Zill, voormalig commandant, werd in 1955 door het Landgericht München II tot levenslang veroordeeld wegens aanstichting tot moord in Dachau.
Voortzetting, strafreducties en voortvluchtigen
Beroepsinstanties verminderden enkele straffen; twee doodvonnissen werden omgezet. Diverse executies vonden plaats in oktober 1947 en 1948. Een deel van de langere straffen werd begin jaren vijftig herzien, wat leidde tot invrijheidstelling of strafbekorting. Max Koegel pleegde in 1946 zelfdoding na arrestatie. Over andere personen vermeldt de aangeleverde documentatie geen eenduidige namen van voortvluchtigen; enkele betrokkenen ontliepen vervolging of overleden vóór afronding van procedures.
Conclusie
Flossenbürg ontwikkelde zich van een groeve-kamp tot een uitgebreid systeem van dwangarbeid voor de luchtvaartindustrie. Economische exploitatie, ideologische uitsluiting en oorlogsomstandigheden versterkten elkaar en veroorzaakten hoge sterftecijfers. De bevrijding in april 1945 beëindigde het kampleven, maar de nasleep vergde weken van noodhulp en hygiënemaatregelen. De processen in Dachau legden individuele verantwoordelijkheid vast en vormden een onderdeel van de juridische reactie op kampmisdaden. De latere gedenkplaats, museale ontsluiting en onderzoek houden de kennis over Flossenbürg toegankelijk voor onderwijs en maatschappij.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding 1: US Army Signal Corps, Public domain, via Wikimedia Commons
- Afbeelding 2: See page for author, Public domain, via Wikimedia Commons
- Afbeelding 3: See page for author, Public domain, via Wikimedia Commons
- Blatman, Daniel (2011). The Death Marches. Cambridge, MA: Harvard University Press. ISBN 978-0-674-05919-1.
- Fritz, Ulrich (2009). “Flossenbürg Subcamp System”. In: Megargee, Geoffrey P. (ed.). Encyclopedia of Camps and Ghettos, 1933–1945. Vol. 1. Bloomington: USHMM / Indiana University Press. ISBN 978-0-253-35328-3.
- Helldorfer, Kathrin; Kraus, Annette; Skriebeleit, Jörg (eds.) (2014). Flossenbürger Forum. Band 1. Göttingen: Wallstein. ISBN 978-3-8353-1398-9.
- Heigl, Peter (1994). Konzentrationslager Flossenbürg in Geschichte und Gegenwart. Regensburg: Mittelbayerische Druck- und Verlags-Gesellschaft. ISBN 3-921114-29-2.
- Hördler, Stefan (2015). Ordnung und Inferno: Das KZ-System im letzten Kriegsjahr. Göttingen: Wallstein. ISBN 978-3-8353-2559-3.
- Huebner, Todd (2009). “Flossenbürg Main Camp”. In: Megargee, Geoffrey P. (ed.). Encyclopedia of Camps and Ghettos, 1933–1945. Vol. 1. Bloomington: USHMM / Indiana University Press. ISBN 978-0-253-35328-3.
- Jaskot, Paul B. (2002). The Architecture of Oppression: The SS, Forced Labor and the Nazi Monumental Building Economy. Abingdon-on-Thames: Routledge. ISBN 978-1-134-59461-0.
- Kaienburg, Hermann (2003). Die Wirtschaft der SS. Berlin: Metropol. ISBN 3-936411-04-2.
- Mauriello, Christopher E. (2017). Forced Confrontation: The Politics of Dead Bodies in Germany at the End of World War II. Lanham: Lexington Books. ISBN 978-1-4985-4806-9.
- Riedel, Durwood (2006). The U.S. War Crimes Tribunals at the Former Dachau Concentration Camp. Berkeley Journal of International Law 24(2). doi:10.15779/Z38FD1G.
- Skriebeleit, Jörg (2007). “Flossenbürg Hauptlager”. In: Benz, Wolfgang; Distel, Barbara (eds.). Flossenbürg: das Konzentrationslager Flossenbürg und seine Außenlager. München: C. H. Beck. ISBN 978-3-406-56229-7.
- Staatliches Museum Auschwitz-Birkenau; Stiftung Bayerische Gedenkstätten (2020). Transporte polnischer Häftlinge in den KZ-Systemen Auschwitz, Dachau und Flossenbürg. Oświęcim: Auschwitz-Birkenau State Museum. ISBN 978-83-7704-349-3.
- Uziel, Daniel (2011). Arming the Luftwaffe: The German Aviation Industry in World War II. Jefferson: McFarland. ISBN 978-0-7864-8879-7.
- Wachsmann, Nikolaus (2015). KL: A History of the Nazi Concentration Camps. London: Macmillan. ISBN 978-0-374-11825-9.
- Benz, Wolfgang; Distel, Barbara (eds.) (2006). Der Ort des Terrors. Band 4: Flossenbürg, Mauthausen, Ravensbrück. München: C. H. Beck. ISBN 978-3-406-52964-1.
- Schrade, Carl (2014). Elf Jahre. Ein Bericht aus deutschen Konzentrationslagern. In: Flossenbürger Forum. Band 1. Göttingen: Wallstein. ISBN 978-3-8353-1398-9.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









